Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
114

1141

114:1
Ex. 12:51
Toen Israël wegtrok uit Egypte,

het volk van Jakob dat vreemdtalige land verliet,

2werd Juda zijn heiligdom,

Israël zijn koninkrijk.

3

114:3
Ex. 14:21
Joz. 3:16
Ps. 66:6
74:14-15
77:17
De zee zag en vluchtte,

de Jordaan trok zich terug,

4

114:4
Ps. 29:6
68:9
de bergen schrokken op als rammen,

als lammeren sprongen de heuvels op.

5Waarvoor, zee, neem je de vlucht,

Jordaan, trek jij je terug?

6Waarvoor, bergen, schrikken jullie op als rammen,

springen jullie, heuvels, als lammeren op?

7‘Voor het aanschijn van de Heer, – beef, aarde! –

voor het aanschijn van de God van Jakob.

8

114:8
Ex. 17:6
Num. 20:11
Hij verandert de rots in een bron,

hard gesteente in een stroom van water.’

115

1151Niet ons, HEER, niet ons,

geef uw naam alle eer,

om uw liefde, uw trouw.

2

115:2
Ps. 79:10
Waarom zeggen de volken:

‘Waar is die God van hen?’

3Onze God is in de hemel,

hij doet wat hem behaagt.

4

115:4-10
Ps. 135:15-20
115:4-7
Op. 9:20
115:4
Jes. 44:9
Jer. 10:3-5
Hun goden zijn van zilver en goud,

gemaakt door mensenhanden.

5Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,

ze hebben ogen, maar kunnen niet zien,

6ze hebben oren, maar kunnen niet horen,

ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken.

7Hun handen kunnen niet tasten,

hun voeten kunnen niet lopen,

geen geluid komt uit hun keel.

8Zoals zij, zo worden ook hun makers,

en ieder die op hen vertrouwt.

9

115:9
Ps. 33:20
118:2-4
Israël, vertrouw op de HEER

– hun hulp is hij, hun schild –

10huis van Aäron, vertrouw op de HEER

– hun hulp is hij, hun schild –

11wie de HEER vrezen, vertrouw op de HEER

– hun hulp is hij, hun schild.

12De HEER gedenkt en zegent ons,

zegenen zal hij het volk van Israël,

zegenen het huis van Aäron,

13zegenen wie de HEER vrezen,

van klein tot groot.

14

115:14
Deut. 1:10-11
Moge de HEER u talrijk maken,

u en uw kinderen.

15Moge de HEER u zegenen,

hij die hemel en aarde gemaakt heeft.

16

115:16
Gen. 1:28
De hemel is de hemel van de HEER,

de aarde heeft hij aan de mensen gegeven.

17

115:17
Ps. 6:6
Jes. 38:18-19
Niet de doden loven de HEER,

niet wie zijn afgedaald in de stilte,

18wij zijn het, wij zegenen de HEER,

van nu tot in eeuwigheid.

Halleluja!

116

1161De HEER heb ik lief, hij hoort

mijn stem, mijn smeken,

2hij luistert naar mij,

ik roep hem aan, mijn leven lang.

3

116:3
Ps. 18:5-7
Jona 2:3
Banden van de dood omknelden mij,

angsten van het dodenrijk grepen mij aan,

ik voelde angst en pijn.

4Toen riep ik de naam van de HEER:

HEER, red toch mijn leven!’

5

116:5
Ex. 34:6
De HEER is genadig en rechtvaardig,

onze God is een God van ontferming,

6de HEER beschermt de eenvoudigen,

machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.

7

116:7
Ps. 13:6
Kom weer tot rust, mijn ziel,

de HEER is je te hulp gekomen.

8

116:8
Ps. 56:14
66:6
Jes. 25:8
Op. 21:4
Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood,

mijn ogen gedroogd van tranen,

mijn voeten voor struikelen behoed.

9

116:9
Ps. 27:13
142:6
Ik mag wandelen in het land van de levenden

onder het oog van de HEER.

10

116:10
2 Kor. 4:13
Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik:

‘Ik ben diep ongelukkig.’

11

116:11
Ps. 12:3
Al te snel dacht ik:

Geen mens die zijn woord houdt.

12Hoe kan ik de HEER vergoeden

wat hij voor mij heeft gedaan?

13Ik zal de beker van bevrijding heffen,

de naam aanroepen van de HEER

14en mijn geloften aan de HEER inlossen

in het bijzijn van heel zijn volk.

15

116:15
Jes. 43:4
Met pijn ziet de HEER

de dood van zijn getrouwen.

16

116:16
Ps. 86:16
Ach, HEER, ik ben uw dienaar,

uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:

u hebt mijn boeien verbroken.

17U wil ik een dankoffer brengen.

Ik zal de naam aanroepen van de HEER

18

116:18
Jona 2:10
en mijn geloften aan de HEER inlossen

in het bijzijn van heel zijn volk,

19in de voorhoven van het huis van de HEER,

binnen uw muren, Jeruzalem.

Halleluja!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]