Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
112

1121

112:1
Ps. 1:1-2
Halleluja!

Gelukkig de mens met ontzag voor de HEER

en met liefde voor zijn geboden.112:1-10 Psalm 112 is een acrostichon: de versregels beginnen steeds met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.

2Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,

de oprechten worden gezegend.

3

112:3
Ps. 111:3
Rijkdom en weelde bewonen zijn huis,

en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.

4

112:4
Ps. 37:6
Jes. 58:10
Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister,

genadig, liefdevol en rechtvaardig.

5Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,

wie zijn zaken eerlijk behartigt.

6De rechtvaardige komt nooit ten val,

men zal hem eeuwig gedenken.

7Voor een vals gerucht zal hij niet vrezen,

hij is standvastig en vertrouwt op de HEER.

8Standvastig is zijn hart en zonder vrees.

Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen.

9

112:9
Ps. 89:18
2 Kor. 9:9
Gul deelt hij uit aan de armen,

zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd,

hij zal stijgen in aanzien en eer.

10Kwaadwilligen zien het met ergernis aan,

ze verbijten zich en verliezen de moed,

al hun plannen gaan op in rook.

113

1131Halleluja!

Loof, dienaars van de HEER,

loof de naam van de HEER.

2De naam van de HEER zij geprezen

van nu tot in eeuwigheid.

3Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat,

zij geloofd de naam van de HEER.

4Verheven boven alle volken is de HEER,

verheven boven de hemel zijn luister.

5

113:5
Ps. 89:7-9
Wie is gelijk aan de HEER, onze God,

die hoog daar boven zijn woning heeft,

6die zijn oog richt naar beneden,

wie in de hemel en op de aarde?

7

113:7
1 Sam. 2:8
Hij verheft uit het stof wie berooid is,

uit het vuil tilt hij op wie alles ontbeert.

8Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten,

bij de hoogsten van zijn volk.

9

113:9
1 Sam. 2:5
De onvruchtbare vrouw laat hij wonen in het huis,

een vrolijke moeder van kinderen.

Halleluja!

114

1141

114:1
Ex. 12:51
Toen Israël wegtrok uit Egypte,

het volk van Jakob dat vreemdtalige land verliet,

2werd Juda zijn heiligdom,

Israël zijn koninkrijk.

3

114:3
Ex. 14:21
Joz. 3:16
Ps. 66:6
74:14-15
77:17
De zee zag en vluchtte,

de Jordaan trok zich terug,

4

114:4
Ps. 29:6
68:9
de bergen schrokken op als rammen,

als lammeren sprongen de heuvels op.

5Waarvoor, zee, neem je de vlucht,

Jordaan, trek jij je terug?

6Waarvoor, bergen, schrikken jullie op als rammen,

springen jullie, heuvels, als lammeren op?

7‘Voor het aanschijn van de Heer, – beef, aarde! –

voor het aanschijn van de God van Jakob.

8

114:8
Ex. 17:6
Num. 20:11
Hij verandert de rots in een bron,

hard gesteente in een stroom van water.’