Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101Waarom, HEER, bent u zo ver

en verbergt u zich in tijden van nood?

2In hun hoogmoed vervolgen zondaars de zwakken –

maak hen gevangenen van hun eigen plannen!

3De mens zonder God prijst wat hij najaagt,

en als hij rijk is, vervloekt en veracht hij de HEER.

4

10:4
Ps. 14:1
Hij denkt in zijn waan: Niemand vraagt mij rekenschap.

Er is geen God, maakt hij zich wijs.

5Het gaat hem goed, wat hij ook onderneemt,

maar uw verheven oordelen raken hem niet.

Zijn tegenstanders beticht hij van leugens.

6Hij denkt bij zichzelf: Ik kom niet ten val,

nooit kan het kwaad mij deren.

7

10:7
Rom. 3:14
Zijn mond vloekt en liegt, dreigt met geweld,

zijn tong brengt misdaad en onrecht voort.

8Op stille plaatsen ligt hij in hinderlaag,

op verborgen plekken doodt hij onschuldigen,

zijn ogen spieden naar weerloze mensen.

9

10:9
Ps. 17:12
Hij loert, verborgen als een leeuw in het struikgewas,

hij loert naar een prooi en tracht hem te vangen,

hij vangt zijn prooi in een net en sleurt hem mee –

10die buigt, krimpt ineen,

en valt in zijn klauwen, weerloos.

11

10:11
Ps. 94:7
Ezech. 9:9
Hij denkt bij zichzelf: God vergeet het,

wendt zijn blik af, ziet het niet.

12Sta op, HEER, hef uw hand, God,

vergeet de armen niet.

13Hoe kan de zondaar u verachten

en denken: God vraagt geen rekenschap.

14Toch ziet u de pijn en het verdriet,

u merkt het op en weegt het in uw hand.

Op u vertrouwen weerloze mensen,

de wezen, u komt hun te hulp.

15Breek de macht van de goddelozen,

eis rekenschap en ban het kwade uit.

16

10:16
Ps. 145:13
Jer. 10:10
De HEER is koning voor eeuwig en altijd:

vijandige volken verdwijnen uit zijn land.

17U, HEER, verhoort de wens van de nederigen,

u bemoedigt hen en luistert met aandacht,

18

10:18
Deut. 10:18
u doet recht aan wezen en verdrukten.

Geen mens kan hen nog uit het land verjagen.

11

111Voor de koorleider. Van David.

Schuilen doe ik bij de HEER.

Hoe kunnen jullie dan zeggen:

‘Vogel, vlieg weg naar de bergen!

2

11:2
Ps. 7:13
37:14
64:4
Zondaars spannen de boog

en leggen hun pijlen al op de pees

om de oprechte in het duister te treffen.

3Wat kan een rechtvaardige anders doen,

als de grond onder alles wegzinkt?’

4

11:4
Deut. 26:15
Jes. 66:1
Hab. 2:20
Mat. 5:34
De HEER in zijn heilig paleis,

de HEER op zijn troon in de hemel,

met aandacht beziet hij

en fronsend keurt hij

de mensen op aarde.

5De HEER keurt rechtvaardigen en zondaars.

Wie het geweld liefhebben, haat hij.

6

11:6
Gen. 19:24
Ezech. 38:22
Vuur en zwavel stort hij over hen uit,

storm drinken zij uit de beker die hij aanreikt.

7Rechtvaardig is de HEER, hij heeft rechtvaardigheid lief.

De oprechte zal zijn gelaat aanschouwen.

12

121Voor de koorleider. Op de wijs van De achtste. Een psalm van David.

2

12:2-3
Jes. 59:15
Jer. 9:7
Grijp in, HEER! Niemand is nog trouw,

geen mens spreekt nog waarheid.

3Ze beliegen elkaar allemaal,

vals en verraderlijk is hun woord.

4HEER, snijd hun valse tongen af,

snoer de monden vol grootspraak

5die zeggen: ‘Met onze tong zijn we sterk,

onze mond helpt ons, wie kan ons aan?’

6

12:6
Jes. 33:10
Zwakken en armen zuchten onder het geweld –

‘Om hen sta ik op,’ zegt de HEER,

‘ik breng de redding die zij verlangen.’

7

12:7
Ps. 18:31
De woorden van de HEER zijn zuiver

als zilver, gesmolten in de smeltkuil,

gelouterd tot zevenmaal toe.

8Behoed hen, HEER,

bescherm hen steeds tegen dat volk.

9Overal sluipen verraders rond

en onder de mensen verbreidt zich het kwaad.