Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
106

1061

106:1-48
Ps. 78:1-72
105:1-45
106:1
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 107:1
136:1
Jer. 33:11
Halleluja!

Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

2Wie kan zijn machtige daden verwoorden,

wie de roem van de HEER laten klinken?

3

106:3
Jes. 56:1-2
Gelukkig wie zich houden aan het recht

en doen wat rechtvaardig is, telkens weer.

4

106:4
Neh. 5:19
13:14,22,31
Denk aan mij, HEER, uit liefde voor uw volk,

zie naar mij om wanneer u het komt redden,

5dan zal ik uw uitverkorenen gelukkig zien,

vreugde vinden in de vreugde van uw volk,

vervuld zijn van trots op uw liefste bezit.

6

106:6
Lev. 26:40
1 Kon. 8:47
Dan. 9:5
Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,

wij hebben gefaald en kwaad bedreven.

7

106:7
Ex. 14:9-12
Toen onze voorouders in Egypte waren,

sloegen zij geen acht op uw wonderen,

dachten zij niet aan uw tekenen van trouw,

en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.

8

106:8
Ezech. 20:13-14
36:20-22
39:25
Toch redde hij hen, tot eer van zijn naam,

om hun zijn macht te tonen.

9

106:9
Ex. 14:21-22
Jes. 63:11-14
Nah. 1:4
Op zijn dreigen viel de Rietzee droog,

hij leidde hen door de diepte als door een woestijn.

10Hij redde hen uit de greep van hun haters,

verloste hen uit de greep van de vijand.

11Het water bedekte hun belagers,

niet één van hen bleef in leven.

12

106:12
Ex. 15:1-21
Toen hadden zij vertrouwen in zijn woorden

en bezongen ze zijn roem,

13

106:13
Klaagl. 3:26
maar snel vergaten zij wat hij gedaan had,

ze wachtten niet geduldig zijn plannen af.

14

106:14
Ex. 16:2-3
Num. 11:4-6
Onverzadigbaar was hun eetlust in de woestijn,

ze daagden God uit in het dorre land.

15

106:15
Num. 11:33
Hij gaf hun wat zij verlangden,

zo veel dat ze erin stikten.

16

106:16-18
Num. 16:1-35
In het kamp werden zij afgunstig op Mozes,

en op Aäron, de heilige dienaar van de HEER.

17

106:17
Deut. 11:6
De aarde opende zich: verzwolgen werd Datan

en bedolven de bende van Abiram.

18Vuur verbrandde hun aanhang,

een felle vlam heeft de schuldigen verteerd.

19

106:19-23
Ex. 32:1-14
Deut. 9:8-29
Zij maakten een stierkalf bij de Horeb

en bogen zich voor een stuk metaal.

20

106:20
Jer. 2:11
Rom. 1:23
God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld

van een dier dat gras eet.

21

106:21
Deut. 32:18
Jer. 2:32
Vergeten waren zij God, hun redder,

die iets groots had verricht in Egypte,

22wonderen in het land van Cham,

geduchte daden bij de Rietzee.

23Hij besloot hen uit te roeien,

maar Mozes, de man die hij had gekozen,

verdedigde hen, ging voor hem staan

en wendde zijn dodelijke woede af.

24

106:24
Num. 13:25-14:37
Deut. 1:24-36
Zij weigerden het begeerlijke land

en stelden geen vertrouwen in zijn woord.

25Ze bleven klagend in hun tenten

en wilden niet luisteren naar de HEER.

26

106:26-27
Lev. 26:33
Ezech. 20:15,23
Hij hief zijn hand en zwoer

hen te doden in de woestijn,

27hun nazaten te verspreiden106:27 te verspreiden – Volgens de Pesjitta. MT: ‘te doden’. onder de volken,

te verstrooien over alle landen.

28

106:28-31
Num. 25:1-13
106:28
Tob. 4:17
Zij verbonden zich aan de Baäl van de Peor

en aten van offers voor de doden.

29Ze griefden hem met hun gedrag,

en onder hen brak een plaag uit.

30

106:30
Sir. 45:23-24
Pinechas stond op en kwam tussenbeide,

en de plaag werd bedwongen.

31Het is hem toegerekend als een rechtvaardige daad,

van geslacht op geslacht, tot in eeuwigheid.

32

106:32
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Ps. 95:8-9
Zij wekten zijn toorn bij het water van Meriba

en brachten Mozes in moeilijkheden,

33want toen zij zich verzetten tegen Gods geest,

sprak hij overhaast en onbezonnen.

34Zij roeiden de volken niet uit

die de HEER hun had aangewezen,

35

106:35
Lev. 18:3
Recht. 2:1-5
vermengden zich zelfs met hen

en spiegelden zich aan hun daden,

36

106:36
Recht. 2:11-13
3:5-6
vereerden hun godenbeelden

en raakten verstrikt in hun netten.

37

106:37
Lev. 18:21
2 Kon. 17:17
Bar. 4:7
Zij brachten hun zonen en dochters

ten offer aan de demonen

38

106:38
Num. 35:33
en vergoten het bloed van onschuldigen,

het bloed van hun zonen en dochters,

geofferd aan de beelden van Kanaän.

Een stroom van bloed ontheiligde het land.

39Zij werden onrein door hun daden,

overspelig was hun gedrag.

40Toen ontstak de HEER in toorn,

hij gruwde van zijn volk, zijn liefste bezit.

41

106:41
Recht. 2:14-23
Hij gaf het in de macht van vreemde volken,

zij werden overheerst door hun haters,

42onderdrukt door hun vijanden,

en moesten zwichten voor hun macht.

43Vele malen kwam hij hen bevrijden,

maar zij volhardden in opstandig gedrag

en zonken weg door eigen schuld.

44Toch zag hij naar hen om, telkens

als hij hen hoorde klagen in hun nood.

45

106:45
Lev. 26:42
Hij dacht weer aan zijn verbond met hen,

zo trouw was hij dat hij deernis voelde

46

106:46
1 Kon. 8:50
2 Kon. 25:11
Ezra 9:9
en medelijden wekte bij allen

die hen hadden weggevoerd.

47

106:47-48
1 Kron. 16:35-36
Red ons, HEER, onze God,

breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

48

106:48
Ps. 41:14
89:53
Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Laat het hele volk antwoorden: ‘Amen!’

Halleluja!

107

1071

107:1
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 106:1
136:1
Jer. 33:11
‘Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.’

2Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost,

die hij verloste uit de greep van de angst,

3

107:3
Jes. 43:5-6
49:12
Zach. 8:7-8
bijeenbracht uit alle landen,

uit het oosten en het westen,

uit het noorden en het zuiden.107:3 het zuiden – Voorgestelde lezing. MT: ‘de zee’.

4

107:4
Deut. 32:10
Soms doolden zij door de woestijn,

maar een weg in de wildernis,

een stad, een woonplaats vonden ze niet.

5Ze kregen honger en dorst

en kwijnden van uitputting weg.

6

107:6
Hos. 5:15
Ze riepen in hun angst tot de HEER

hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren,

7

107:7
Deut. 6:10
Jes. 43:19
hij wees hun de rechte weg,

de weg naar een stad, een woonplaats.

8Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

9

107:9
Jes. 49:10
wie dorst had, gaf hij te drinken,

wie honger had, volop te eten.

10Soms woonden zij in donkere krochten

als slaven met ijzeren boeien,

11want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet,

de raad van de Allerhoogste verworpen,

12

107:12
Ps. 106:43
hij liet hen buigen onder een zware last,

ze vielen, en er was niemand die hielp.

13Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

hij heeft hen gered uit vele gevaren,

14

107:14
Jes. 42:7
49:9
51:14
61:1
haalde hen weg uit donkere holen

en brak hun boeien aan stukken.

15Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

16

107:16
Jes. 45:2
bronzen deuren heeft hij verbrijzeld,

ijzeren grendels verbroken.

17Soms leidden zij een lichtzinnig leven

en gingen onder hun zonden gebukt,

18ze gruwden van elk voedsel

en waren de poorten van de dood nabij.

19Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

hij heeft hen gered uit vele gevaren,

20

107:20
Wijsh. 16:12
Mat. 8:8
hij zond zijn woord en genas hen,

ontrukte hen aan het graf.

21Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

22laten zij hem dankoffers brengen,

juichend zijn daden bezingen.

23Soms daalden zij af naar zee,

gingen scheep en bevoeren het wijde water,

24ze zagen de daden van de HEER,

zijn wonderen op de oceaan.

25

107:25
Jona 1:4
Hij sprak en ontketende storm,

hoog zweepte hij de golven op.

26Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte,

hun maag keerde om van ellende,

27ze tolden en tuimelden als dronkaards,

alle kennis baatte hun niets.

28

107:28
Jona 1:14
Ze riepen in hun angst tot de HEER

hij leidde hen weg uit vele gevaren,

29

107:29
Ps. 65:8
89:10
Mat. 8:26
hij bracht de storm tot zwijgen,

de golven gingen liggen.

30Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam,

hij bracht hen naar een veilige haven.

31Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

32hem hoog verheffen als het volk bijeen is,

hem loven in de kring van de oudsten.

33

107:33
Jes. 42:15
Hij maakt van rivieren woestijn,

van waterbronnen dorstig land,

34

107:34
Gen. 19:23-28
Deut. 29:22
Sir. 39:23
van vruchtbaar land een zoutzee

vanwege het kwaad van de bewoners.

35

107:35
Ps. 114:8
Jes. 41:18
Hij maakt van woestijnen waterland,

van dor gebied een bronrijke streek.

36Hij laat daar wonen wie honger leden,

zij stichten een stad, een woonplaats,

37

107:37
Jes. 65:21
Jer. 31:5
zaaien akkers in, planten wijngaarden,

met een rijke oogst aan vruchten.

38

107:38
Deut. 7:13
Zegent hij hen, zij worden zeer talrijk

en ook hun vee breidt zich uit,

39zegent hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen

onder de last van onheil en verdriet.

40

107:40
Job 12:21,24
Hij stort schande uit over de aanzienlijken,

hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg;

41

107:41
Ps. 113:7-9
de armen behoedt hij voor slavernij,

hun families maakt hij talrijk als kudden.

42

107:42
Job 22:19
Ps. 63:12
Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap,

wie onrecht doet, moet zwijgen.

43

107:43
Hos. 14:10
De wijze neemt dit ter harte

en kent de trouw van de HEER.

108

1081Een lied, een psalm van David.

2

108:2-6
Ps. 57:8-12
Mijn hart is gerust, o God,

ik wil zingen en spelen. Mijn ziel,

3ontwaak met harp en lier,

ik wil het morgenrood wekken.

4U, HEER, zal ik loven in heel de wereld,

over u zingen voor alle volken.

5Hemelhoog is uw liefde,

tot aan de wolken reikt uw trouw.

6Verhef u boven de hemelen, God,

laat uw glorie heel de aarde vervullen.

7

108:7-14
Ps. 60:7-14
Bevrijd uw geliefde volk,

help het met uw machtige hand, verhoor mij.

8God heeft gesproken in zijn heiligdom:

‘Juichend zal ik Sichem verdelen,

het dal van Sukkot uitmeten.

9Van mij is Gilead, van mij is Manasse,

Efraïm is de helm op mijn hoofd,

Juda de scepter in mijn hand.

10Moab is mijn wasbekken,

op Edom zet ik mijn voet.

Over Filistea klinkt mijn juichkreet.’

11Wie voert mij de vesting binnen,

wie zal mij naar Edom leiden?

12Bent u het niet, God, u die ons verstoten had,

voert u niet, God, onze legers aan?

13Sta ons bij tegen de vijand,

de hulp van mensen is vergeefs.

14Met God zullen wij triomferen,

hij zal onze vijanden vertrappen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]