Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
104

1041

104:1-35
Gen. 1:1-2:4
Prijs de HEER, mijn ziel.

HEER, mijn God, hoe groot bent u.

Met glans en glorie bent u bekleed,

2

104:2
Ps. 19:2
in een mantel van licht gehuld.

U spant de hemel uit als een tentdoek

3

104:3
Amos 9:6
en bouwt op de wateren uw hoge zalen,

u maakt van de wolken uw wagen

en beweegt u op de vleugels van de wind,

4

104:4
Hebr. 1:7
u maakt van de winden uw boden,

van vlammend vuur uw dienaren.

5U hebt de aarde op pijlers vastgezet,

tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

6De oerzee bedekte haar als een kleed,104:6 De oerzee bedekte haar als een kleed – Volgens sommige oude vertalingen. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘Met de oerzee bedekte u hem als met een kleed’.

tot boven de bergen stonden de wateren.

7Toen u dreigde, vluchtten zij weg,

toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:

8naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,

naar de plaatsen die u had bepaald.

9

104:9
Gen. 9:11-15
Job 38:8-11
U stelde een grens die zij niet overschrijden,

nooit weer zullen zij de aarde bedekken.

10U leidt het water van de bronnen door beken,

tussen de bergen beweegt het zich voort.

11Het drenkt alles wat leeft in het veld,

de wilde ezels lessen er hun dorst.

12

104:12
Ezech. 31:6
Daarboven wonen de vogels van de hemel,

uit het dichte groen klinkt hun gezang.

13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,

de aarde wordt verzadigd en vruchtbaar:

14gras laat u groeien voor het vee

en gewassen die de mens moet verbouwen.

Zo zal hij brood winnen uit de aarde

15

104:15
Recht. 9:13
Sir. 31:27
en wijn die het mensenhart verheugt,

geurige olie die het gelaat doet stralen,

ja, brood dat het mensenhart versterkt.

16De bomen van de HEER zuigen zich vol,

de ceders van de Libanon, door hemzelf geplant.

17De vogels bouwen daar hun nesten,

in hun kronen104:17 hun kronen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘de cipressen’. huizen de ooievaars.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,

in de kloven schuilen de klipdassen.

19U hebt de maan gemaakt voor de tijden,

de zon weet wanneer zij moet ondergaan.

20Als u het duister spreidt, valt de nacht,

en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.

21

104:21
Job 38:39
De jonge leeuwen gaan uit op roof,

brullend vragen zij God om voedsel.

22Bij zonsopgang trekken zij zich terug

en leggen zich neer in hun legers.

23De mensen gaan aan het werk

en arbeiden door tot de avond.

24Hoe talrijk zijn uw werken, HEER.

Alles hebt u met wijsheid gemaakt,

vol van uw schepselen is de aarde.

25Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt.

Daar wemelt het, zonder tal,

van dieren, klein en groot.

26Daar bewegen de schepen zich voort,

daar gaat Leviatan, door u gemaakt om ermee te spelen.104:26 ermee te spelen – Ook mogelijk is de vertaling: ‘er te spelen’.

27En allen zien ernaar uit

dat u voedsel geeft, op de juiste tijd.

28Geeft u het, dan doen zij zich te goed,

opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd.

29

104:29
Gen. 2:7
3:19
Job 34:14-15
Ps. 90:3
Pred. 12:7
Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst,

ontneem hun de adem en het is met hen gedaan,

dan keren zij terug tot het stof dat zij waren.

30Zend uw adem en zij worden geschapen,

zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.

31De luister van de HEER moge eeuwig duren,

laat de HEER zich verheugen in zijn werken.

32

104:32
Ps. 144:5
Hab. 3:6
Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft,

hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit.

33

104:33
Ps. 7:18
146:2
Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef,

een lied voor mijn God zolang ik besta.

34Moge mijn lofzang de HEER behagen,

zoals ik mijn vreugde vind in hem.

35Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen,

onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan.

Prijs de HEER, mijn ziel.

Halleluja!

105

1051

105:1-45
Ps. 78:1-72
105:1-15
1 Kron. 16:8-22
105:1
Ps. 96:3
Jes. 12:4-5
Loof de HEER, roep luid zijn naam,

maak zijn daden bekend onder de volken,

2

105:2
Ps. 18:50
145:5
zing en speel voor hem,

spreek vol lof over zijn wonderen,

3beroem u op zijn heilige naam.

Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.

4

105:4
Ps. 27:8
Zie uit naar de HEER en zijn macht,

zoek voortdurend zijn nabijheid.

5Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan,

de oordelen die hij heeft uitgesproken,

6

105:6
Jes. 45:4
nageslacht van Abraham, zijn dienaar,

kinderen van Jakob, door hem verkozen.

7Hij is de HEER, onze God,

zijn besluiten gelden over de hele aarde.

8

105:8
Gen. 6:18
Tot in eeuwigheid zal hij gedenken

zijn belofte aan duizend geslachten,

9

105:9
Gen. 12:7
17:8
26:3
het verbond dat hij sloot met Abraham

en voor Isaak bevestigde met een eed.

10Voor Jakob verhief hij het tot wet,

voor Israël tot een eeuwig verbond,

11

105:11
Gen. 28:13
toen hij zei: ‘Ik zal jou Kanaän geven,

dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’

12Toen zij daar nog maar korte tijd waren,

een handjevol vreemdelingen,

13zwierven zij van volk naar volk,

van het ene koninkrijk naar het andere.

14

105:14
Gen. 12:10-20
20:3-7
26:1-11
Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte,

ter wille van hen strafte hij koningen:

15‘Raak mijn gezalfden niet aan,

doe mijn profeten geen kwaad.’

16

105:16
Gen. 41:53-57
Hij riep een hongersnood over het land af

en vernietigde elke voorraad brood.

17

105:17
Gen. 37:28
45:5
Hij stuurde een van hen vooruit:

Jozef die als slaaf werd verkocht.

18

105:18-21
Gen. 41:9-14
Ze klonken zijn voeten in ketenen,

sloten zijn hals in ringen van ijzer,

19

105:19
Gen. 39:20-40:23
totdat zijn voorspelling uitkwam

en het woord van de HEER hem vrijsprak.

20De koning beval hem los te laten,

de heerser der volken liet hem vrij.

21

105:21
Gen. 41:39-41
Hij stelde hem aan als heer van zijn huis,

als beheerder van heel zijn bezit,

22om zijn prinsen aan banden te leggen

en zijn oudsten wijsheid te leren.

23

105:23
Gen. 46:6
47:11
Israël trok weg naar Egypte,

Jakob verbleef als vreemde in het land van Cham.

24

105:24-25
Ex. 1:7-14
God maakte zijn volk zeer vruchtbaar,

machtiger dan wie het belaagden.

25Hij veranderde hun hart: ze gingen zijn volk haten

en spanden samen tegen zijn dienaren.

26

105:26
Ex. 3:1-4:17
4:27
Hij stuurde Mozes, zijn dienaar,

en Aäron, de man van zijn keuze.

27Zij kondigden zijn wondertekenen aan,

machtige daden in het land van Cham.

28

105:28
Ex. 10:21-23
Hij stuurde duisternis en het werd duister –

waren ze niet doof voor zijn woorden?

29

105:29
Ex. 7:17-21
Hij veranderde hun waterstromen in bloed

en liet al hun vissen sterven.

30

105:30
Ex. 7:26-8:2
Hun land krioelde van kikkers,

tot in de kamers van hun koningen.

31

105:31
Ex. 8:12-13,16-20
Hij sprak en er kwamen steekvliegen

en muggen in heel hun gebied.

32

105:32
Ex. 9:22-25
In plaats van regen gaf hij hagel,

hevige branden ontstak hij in hun land,

33hij trof hun wijnstok en vijgenboom

en verwoestte de bomen in hun gebied.

34

105:34
Ex. 10:12-15
Hij sprak en de sprinkhaan kwam

met zijn larven, niet te tellen,

35die vrat al het groen van de velden,

die vrat het gewas van hun akkers.

36

105:36
Ex. 12:29
Hij trof de eerstgeborenen in hun land,

hun sterke oudste zonen.

37Hij liet zijn volk vertrekken met zilver en goud,

niemand in hun stammen ging strompelend weg.

38

105:38
Ex. 12:33-36
Egypte was vervuld van angst

en zag hen met vreugde gaan.

39

105:39
Ex. 13:21-22
Hij hing een wolk op als gordijn

en ontstak vuur om de nacht te verlichten.

40

105:40
Ex. 16:2-15
Op hun vraag liet hij kwartels komen,

met brood uit de hemel stilde hij hun honger,

41

105:41
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
hij sloeg de rots open en er vloeide water,

een rivier stromend in uitgedroogd land.

42Hij dacht aan zijn heilig woord,

gegeven aan Abraham, zijn dienaar,

43hij liet zijn volk in vreugde vertrekken,

zijn uitverkoren volk jubelend gaan.

44

105:44-45
Deut. 4:37-40
6:20-25
7:8-11
105:44
Joz. 11:16-23
Hij gaf hun het land van andere volken,

het bezit van vreemde naties viel hun ten deel.

45Zij moesten daar zijn geboden naleven

en zich houden aan zijn wet.

Halleluja!

106

1061

106:1-48
Ps. 78:1-72
105:1-45
106:1
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 107:1
136:1
Jer. 33:11
Halleluja!

Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

2Wie kan zijn machtige daden verwoorden,

wie de roem van de HEER laten klinken?

3

106:3
Jes. 56:1-2
Gelukkig wie zich houden aan het recht

en doen wat rechtvaardig is, telkens weer.

4

106:4
Neh. 5:19
13:14,22,31
Denk aan mij, HEER, uit liefde voor uw volk,

zie naar mij om wanneer u het komt redden,

5dan zal ik uw uitverkorenen gelukkig zien,

vreugde vinden in de vreugde van uw volk,

vervuld zijn van trots op uw liefste bezit.

6

106:6
Lev. 26:40
1 Kon. 8:47
Dan. 9:5
Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,

wij hebben gefaald en kwaad bedreven.

7

106:7
Ex. 14:9-12
Toen onze voorouders in Egypte waren,

sloegen zij geen acht op uw wonderen,

dachten zij niet aan uw tekenen van trouw,

en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.

8

106:8
Ezech. 20:13-14
36:20-22
39:25
Toch redde hij hen, tot eer van zijn naam,

om hun zijn macht te tonen.

9

106:9
Ex. 14:21-22
Jes. 63:11-14
Nah. 1:4
Op zijn dreigen viel de Rietzee droog,

hij leidde hen door de diepte als door een woestijn.

10Hij redde hen uit de greep van hun haters,

verloste hen uit de greep van de vijand.

11Het water bedekte hun belagers,

niet één van hen bleef in leven.

12

106:12
Ex. 15:1-21
Toen hadden zij vertrouwen in zijn woorden

en bezongen ze zijn roem,

13

106:13
Klaagl. 3:26
maar snel vergaten zij wat hij gedaan had,

ze wachtten niet geduldig zijn plannen af.

14

106:14
Ex. 16:2-3
Num. 11:4-6
Onverzadigbaar was hun eetlust in de woestijn,

ze daagden God uit in het dorre land.

15

106:15
Num. 11:33
Hij gaf hun wat zij verlangden,

zo veel dat ze erin stikten.

16

106:16-18
Num. 16:1-35
In het kamp werden zij afgunstig op Mozes,

en op Aäron, de heilige dienaar van de HEER.

17

106:17
Deut. 11:6
De aarde opende zich: verzwolgen werd Datan

en bedolven de bende van Abiram.

18Vuur verbrandde hun aanhang,

een felle vlam heeft de schuldigen verteerd.

19

106:19-23
Ex. 32:1-14
Deut. 9:8-29
Zij maakten een stierkalf bij de Horeb

en bogen zich voor een stuk metaal.

20

106:20
Jer. 2:11
Rom. 1:23
God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld

van een dier dat gras eet.

21

106:21
Deut. 32:18
Jer. 2:32
Vergeten waren zij God, hun redder,

die iets groots had verricht in Egypte,

22wonderen in het land van Cham,

geduchte daden bij de Rietzee.

23Hij besloot hen uit te roeien,

maar Mozes, de man die hij had gekozen,

verdedigde hen, ging voor hem staan

en wendde zijn dodelijke woede af.

24

106:24
Num. 13:25-14:37
Deut. 1:24-36
Zij weigerden het begeerlijke land

en stelden geen vertrouwen in zijn woord.

25Ze bleven klagend in hun tenten

en wilden niet luisteren naar de HEER.

26

106:26-27
Lev. 26:33
Ezech. 20:15,23
Hij hief zijn hand en zwoer

hen te doden in de woestijn,

27hun nazaten te verspreiden106:27 te verspreiden – Volgens de Pesjitta. MT: ‘te doden’. onder de volken,

te verstrooien over alle landen.

28

106:28-31
Num. 25:1-13
106:28
Tob. 4:17
Zij verbonden zich aan de Baäl van de Peor

en aten van offers voor de doden.

29Ze griefden hem met hun gedrag,

en onder hen brak een plaag uit.

30

106:30
Sir. 45:23-24
Pinechas stond op en kwam tussenbeide,

en de plaag werd bedwongen.

31Het is hem toegerekend als een rechtvaardige daad,

van geslacht op geslacht, tot in eeuwigheid.

32

106:32
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Ps. 95:8-9
Zij wekten zijn toorn bij het water van Meriba

en brachten Mozes in moeilijkheden,

33want toen zij zich verzetten tegen Gods geest,

sprak hij overhaast en onbezonnen.

34Zij roeiden de volken niet uit

die de HEER hun had aangewezen,

35

106:35
Lev. 18:3
Recht. 2:1-5
vermengden zich zelfs met hen

en spiegelden zich aan hun daden,

36

106:36
Recht. 2:11-13
3:5-6
vereerden hun godenbeelden

en raakten verstrikt in hun netten.

37

106:37
Lev. 18:21
2 Kon. 17:17
Bar. 4:7
Zij brachten hun zonen en dochters

ten offer aan de demonen

38

106:38
Num. 35:33
en vergoten het bloed van onschuldigen,

het bloed van hun zonen en dochters,

geofferd aan de beelden van Kanaän.

Een stroom van bloed ontheiligde het land.

39Zij werden onrein door hun daden,

overspelig was hun gedrag.

40Toen ontstak de HEER in toorn,

hij gruwde van zijn volk, zijn liefste bezit.

41

106:41
Recht. 2:14-23
Hij gaf het in de macht van vreemde volken,

zij werden overheerst door hun haters,

42onderdrukt door hun vijanden,

en moesten zwichten voor hun macht.

43Vele malen kwam hij hen bevrijden,

maar zij volhardden in opstandig gedrag

en zonken weg door eigen schuld.

44Toch zag hij naar hen om, telkens

als hij hen hoorde klagen in hun nood.

45

106:45
Lev. 26:42
Hij dacht weer aan zijn verbond met hen,

zo trouw was hij dat hij deernis voelde

46

106:46
1 Kon. 8:50
2 Kon. 25:11
Ezra 9:9
en medelijden wekte bij allen

die hen hadden weggevoerd.

47

106:47-48
1 Kron. 16:35-36
Red ons, HEER, onze God,

breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

48

106:48
Ps. 41:14
89:53
Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Laat het hele volk antwoorden: ‘Amen!’

Halleluja!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]