Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
99

991

99:1-2
Ps. 48:2
80:2
99:1
Ex. 25:22
De HEER is koning – volken, beef!

Hij troont op de cherubs – aarde, sidder!

2Groot is de HEER op de Sion,

verheven is hij boven alle volken.

3Uw naam moeten zij loven,

zo groot en geducht.

Heilig is hij.

4Machtige koning, die het recht bemint:

u stelde rechtvaardige wetten vast.

Recht en gerechtigheid in Jakob:

ze zijn uw werk.

5Breng hulde aan de HEER, onze God,

en buig u neer aan zijn voeten.

Heilig is hij.

6Mozes en Aäron waren zijn priesters,

ook Samuel riep zijn naam.

Riepen zij tot de HEER, hij antwoordde;

7

99:7
Ex. 33:9
Num. 12:5
in de wolkkolom sprak hij hen toe

en zij onderhielden zijn geboden,

de wet die hij hun gaf.

8HEER, onze God, u hebt hun geantwoord.

U was voor hen een God van vergeving

en een God die hun misdaden strafte.

9Breng hulde aan de HEER, onze God,

en buig u neer voor zijn heilige berg.

Heilig is de HEER, onze God.

100

1001Een psalm voor het dankoffer.

Juich de HEER toe, heel de aarde,

2dien de HEER met vreugde,

kom tot hem met jubelzang.

3

100:3
Ps. 95:7
Jes. 64:7
Erken het: de HEER is God,

hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe,

zijn volk zijn wij, de kudde die hij weidt.

4Kom zijn poorten binnen met een loflied,

hef in zijn voorhoven een lofzang aan,

breng hem hulde, prijs zijn naam:

5

100:5
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 106:1
107:1
118:1
136:1
138:8
Jer. 33:11
de HEER is goed,

zijn liefde duurt eeuwig,

zijn trouw van geslacht op geslacht.

101

1011Van David, een psalm.

Ik wil zingen over trouw en recht

in een lied voor u, o HEER,

2nadenken over de volmaakte weg –

wanneer zult u bij mij komen?

Ik handel met een zuiver hart,

ook in mijn paleis,

3niets staat mij voor ogen

wat boosaardig is.

Gedraai, ik haat het,

ik laat mij er niet mee in,

4sluwheid houd ik ver van mij,

het kwaad wil ik niet kennen.

5

101:5
Spr. 21:4
Wie heimelijk een vriend belastert,

leg ik het zwijgen op,

een trotse blik, een aanmatigend hart

verdraag ik niet.

6

101:6
Spr. 20:7
Mijn oog zoekt de getrouwen in het land,

met hen wil ik mijn woning delen.

Wie de volmaakte weg bewandelt,

mag mij dienen.

7In mijn paleis is geen plaats

voor wie liegt en bedriegt,

wie onwaarheid spreekt

komt mij niet onder ogen.

8De schuldigen in het land

breng ik elke morgen tot zwijgen,

uit de stad van de HEER verdrijf ik

allen die onrecht begaan.