Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Heb ontzag voor de HEER

31

3:1-3
Deut. 6:6-9
3:1-2
Spr. 4:10
Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet,

houd in je hart mijn richtlijnen vast.

2

3:2
Spr. 9:11
Sir. 1:20
Ze vermeerderen de dagen van je leven,

geven je vele jaren van geluk.

3

3:3
Spr. 6:21
7:3
Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,

wind ze om je hals,

schrijf ze in je hart.

4God en de mensen zullen je genegen zijn

en je zult waardering ondervinden.

5

3:5
Ps. 37:5
Spr. 28:26
Sir. 2:6
Vertrouw op de HEER met heel je hart,

steun niet op eigen inzicht.

6

3:6
Spr. 16:3
Denk aan hem bij alles wat je doet,

dan baant hij voor jou de weg.

7

3:7
Ps. 34:10,15
Rom. 12:16
Wees niet eigenzinnig,

maar heb ontzag voor de HEER

en ga het kwaad uit de weg.

8Het zal je sterken als een medicijn,

het verkwikt je lichaam.

9

3:9-10
Mal. 3:10-12
Eer de HEER met al je rijkdom,

met het beste van de oogst.

10

3:10
Deut. 28:8
Graan zal je voorraadschuren vullen,

je kuipen lopen over van wijn.

11

3:11-12
Hebr. 12:5-6
3:11
Job 5:17
Mijn zoon, een berisping van de HEER

mag je nooit terzijde schuiven,

zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan,

12

3:12
Deut. 8:5
Op. 3:19
want de HEER straft wie hij liefheeft,

zoals een vader die houdt van zijn zoon.

13Gelukkig is een mens die wijsheid heeft gevonden,

een mens die inzicht wint.

14

3:14
Spr. 2:4
Wijsheid levert meer op dan zilver,

geeft meer profijt dan goud,

15is kostbaarder dan edelstenen.

Alles wat je ooit zou kunnen wensen

valt bij de wijsheid in het niet.

16

3:16
Spr. 8:18
Sir. 4:12
Met haar ene hand schenkt ze een lang leven,

eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand.

17Haar wegen zijn lieflijk,

haar paden vredig.

18

3:18
Spr. 11:30
Ze is een levensboom voor wie haar omhelst,

wie haar omarmt mag zich gelukkig prijzen.

19

3:19
Spr. 8:22-31
De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,

de hemel met inzicht gevestigd.

20Door zijn kennis brak het water los uit de diepte

en druppelt er dauw uit de wolken.

21Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en wijs beraad,

verlies die nooit uit het oog.

22

3:22
Spr. 1:9
Ze zullen een bron van leven voor je zijn,

een sieraad om je hals.

23

3:23
Spr. 4:12
Je zult veilig je weg kunnen gaan,

nergens zul je struikelen.

24

3:24
Ps. 3:6
Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat,

je slaap zal vredig zijn.

25

3:25
Ps. 91:5
Je hoeft geen angst te hebben plotseling te worden opgeschrikt

door onheil dat van goddelozen komt.

26

3:26
Job 5:19-27
Je kunt vertrouwen op de HEER,

hij beschermt je tegen hinderlagen.

27

3:27
Sir. 4:3
Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft,

terwijl je het hem geven kunt.

28Zeg nooit tegen je medemens:

‘Ga weg, kom morgen maar terug,’

terwijl je hebt wat je hem schuldig bent.

29Behandel hem niet zo schandalig

terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld.

30Maak geen ruzie met iemand

die je geen kwaad berokkend heeft.

31

3:31
Ps. 37:1
Spr. 23:17
Sir. 11:21
Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt,

kies niet de weg die hij gaat,

32want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat,

maar wie rechtschapen is, geeft hij zijn vertrouwen.

33De HEER vervloekt het huis van goddelozen,

maar de woning van rechtvaardigen zegent hij.

34

3:34
Jak. 4:6
1 Petr. 5:5
Met spotters drijft hij de spot,

maar verschoppelingen schenkt hij zijn gunst.

35Wijzen verwerven eer,

dwazen torsen schande.

4

Laat je beschermen door de wijsheid

41Zonen, luister naar de lessen van je vader,

wees vol aandacht en kom tot begrip.

2Wat ik je leer is waardevol,

sla dus mijn onderricht niet in de wind.

3Ik was mijn vaders beminde zoon,

mijn moeders lieveling.

4Mijn vader leerde mij:

‘Laat je hart mijn woorden bewaren,

handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed.

5Streef naar wijsheid, zoek naar kennis,

wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet.

6Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je,

heb haar lief, dan behoedt ze je.

7Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt,

aan alles wat je hebt verworven, inzicht toevoegt.

8Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien,

ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst.

9

4:9
Spr. 1:9
Ze legt een sierlijke krans om je hoofd,

schenkt je een luisterrijke kroon.’

10

4:10
Spr. 3:1-2
9:11
Sir. 1:12
Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan,

ze vermeerderen de jaren van je leven.

11Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen,

op rechte paden heb ik je gevoerd.

12

4:12
Spr. 3:23
Je zult onbelemmerd voortgaan,

nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel.

13Laat mijn onderricht niet los, houd het vast,

vergeet het nooit, het is je leven.

14

4:14
Ps. 1:1
Ga niet het pad van goddelozen,

bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn.

15Mijd hun weg, betreed hem niet,

ga eraan voorbij, loop door.

16Ze gaan niet slapen voor ze kwaad hebben gedaan;

wanneer ze anderen niet ten val brengen,

worden ze van hun rust beroofd.

17Ze doen zich te goed aan het brood van goddeloosheid,

zwelgen in de wijn van het geweld.

18De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon,

die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt.

19De weg van goddelozen is alleen maar duisternis,

ze struikelen, en weten niet waarover.

20Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden,

geef aan mijn uitspraken gehoor.

21

4:21
Spr. 3:21
Houd ze steeds voor ogen,

bewaar ze in het diepste van je hart.

22Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden,

sterken heel het lichaam als een medicijn.

23Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart,

het is de bron van je leven.

24Neem nooit leugens in de mond,

laat geen bedrog over je lippen komen.

25Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien,

nooit je ogen hoeven neerslaan.

26Effen de weg waarover je gaat,

dan loop je met vaste tred.

27

4:27
Deut. 5:32
Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links,

wijk alleen uit voor het kwaad.

5

Mijd lichtzinnige vrouwen

51Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid,

schenk mijn inzicht een aandachtig oor,

2-3opdat bezonnenheid je blijft behoeden,

kennis over je waakt bij wat je zegt tegen een lichtzinnige vrouw.

Van haar lippen komen gladde praatjes,

haar mond spreekt honingzoete woorden,

4

5:4
Pred. 7:26
maar uiteindelijk zijn ze als gif zo bitter,

zo scherp als een tweesnijdend zwaard.

5

5:5
Spr. 7:27
Haar pad voert naar het graf,

haar voeten dalen af in het dodenrijk.

6Ze wil dat je de weg die naar het leven leidt niet inslaat,

haar valse sporen volg je zonder dat je het beseft.

7Daarom, mijn zonen, luister naar mij,

wijk nooit af van wat ik zeg.

8Blijf bij zo’n vrouw vandaan,

houd afstand van haar woning.

9Want je zult bij anderen je eer verkwanselen,

je verspeelt je leven aan die wrede vrouw.

10

5:10
Spr. 29:3
Van wat jij zo moeizaam hebt verworven,

genieten vreemde mannen in de woning van die afgedwaalde.

11En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is,

schreeuw je het uit:

12‘Waarom heb ik wat mij is geleerd verworpen?

Elke waarschuwing heb ik veracht.

13Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren?

Ik sloot mijn oren voor hun raad.

14Nu ben ik bijna te gronde gegaan,

voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’

15Drink water uit je eigen bekken,

ga naar de stromen van je eigen bron.

16Je wilt toch niet dat ze de vrije loop krijgen

en de pleinen overstromen?

17Ze zijn van jou, van jou alleen,

laat niemand anders ervan drinken.

18

5:18
Pred. 9:9
Moge je bron gezegend zijn,

moge de geliefde van je jeugd je vreugde geven.

19Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree.

Ze laat je altijd van haar borsten drinken,

je kunt eindeloos verzinken in haar liefde.

20Waarom, mijn zoon, zou je dan dwalen bij een lichtzinnige vrouw,

je vlijen aan de borsten van zo’n afgedwaalde?

21De HEER ziet alle wegen die een mens bewandelt,

al zijn stappen slaat hij gade.

22Wie kwaad doet, zet voor zichzelf een val,

hij raakt verstrikt in de koorden van zijn zonde.

23Omdat hij weigerde te luisteren naar een wijze les,

verdwaalt hij in zijn eigen dwaasheid

en wacht hem de dood.