Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
29

291Wie vaak terechtgewezen wordt en toch hardnekkig blijft,

wordt plotseling geveld, zonder kans op redding.

2

29:2
Spr. 28:12
Als rechtvaardigen heersen, is het volk verheugd,

als een goddeloze aan de macht is, jammert het volk.

3

29:3
Spr. 10:1
Sir. 9:6
Wie wijsheid liefheeft, geeft zijn vader vreugde,

wie met hoeren omgaat, verkwanselt diens vermogen.

4

29:4
Spr. 14:34
Een koning die het recht handhaaft, houdt zijn land in stand,

een uitzuiger richt het te gronde.

5Wie een ander vleit,

lokt hem in de val.

6

29:6
Job 18:7-10
Een boosdoener verstrikt zich in zijn kwade daden,

een rechtvaardige jubelt en juicht.

7Een rechtvaardige erkent de rechten van de armen,

een goddeloze is daar blind voor.

8Protsers brengen onrust in een stad,

wijzen doen woede bedaren.

9Als een wijze en een dwaas voor het gerecht staan,

laat de dwaas met zijn geraaskal en gesneer alles in het honderd lopen.

10Moordenaars haten een mens die onberispelijk leeft,

oprechten respecteren zijn leven.

11

29:11
Spr. 12:16
Een dwaas geeft uiting aan al zijn gevoelens,

een wijze houdt ze in toom.

12Als een heerser toegeeft aan bedrog,

wordt ieder die hem dient een goddeloze.

13

29:13
Spr. 22:2
Een arme en een onderdrukker hebben dit gemeen:

de HEER gaf hun beiden het licht in de ogen.

14Een koning die een eerlijk oordeel velt over verschoppelingen,

zal nooit zijn troon zien wankelen.

15

29:15
Spr. 10:1
13:24
22:15
De stok en berispingen zorgen voor wijsheid,

een kind dat niet wordt opgevoed, maakt zijn moeder te schande.

16Als goddelozen aan de macht zijn, neemt de misdaad toe,

maar eens zullen de rechtvaardigen getuige zijn van hun val.

17

29:17
Spr. 19:18
Tuchtig je zoon, en je hebt geen zorgen over hem,

hij zal je vreugde geven.

18Zonder profetie vervalt het volk tot bandeloosheid,

wie de wet in acht neemt, is gelukkig.

19

29:19
Sir. 33:25-30
Je brengt een slaaf geen discipline bij met woorden,

hij begrijpt ze wel, maar stoort zich er niet aan.

20

29:20
Spr. 26:12
Heb je wel eens iemand gezien die altijd met zijn woorden klaarstaat?

Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

21Wie zijn slaaf vanaf zijn jeugd verwent,

krijgt uiteindelijk met een rebel te doen.

22Een driftkop maakt snel ruzie,

een heethoofd gaat vaak over de schreef.

23De hoogmoed van een mens brengt hem ten val,

eer is weggelegd voor wie bescheiden is.

24Een heler doet zichzelf veel kwaad,

hij weet dat hij vervloekt wordt, toch geeft hij de dief niet aan.

25Angst voor mensen is een valstrik,

wie op de HEER vertrouwt, wordt beschermd.

26Velen zoeken de gunst van een heerser,

maar alleen bij de HEER vindt een mens zijn recht.

27Een rechtvaardige verfoeit een onrechtvaardige,

een goddeloze wie de rechte weg gaat.

30

De uitspraken van Agur

301Hier volgen de woorden van Agur, de zoon van Jake,

dit zijn de uitspraken die hij heeft gedaan.

Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer.30:1 dit zijn de uitspraken die hij heeft gedaan./‍/ Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘uit Massa: zijn uitspraken voor Itiël, voor Itiël en Uchal’.

2Ik ben dommer dan ieder ander,

elk menselijk inzicht ontbreekt mij.

3Ik heb geen wijsheid opgedaan,

van de Heilige weet ik niets.

4

30:4
Job 38:2-39:12
Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald?

Wie heeft de wind met zijn handen gevangen?

Wie heeft het water in zijn mantel gebonden?

Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald?

Noem mij zijn naam, en de naam van zijn zoon,

als je die kent.

5

30:5
2 Sam. 22:31
Ps. 18:31
Elk woord van God is getoetst,

hij is een schild voor wie bij hem hun toevlucht zoeken.

6Voeg niets aan zijn woorden toe,

anders straft hij je en blijk je een leugenaar.

7Twee dingen vraag ik u,

gun ze me zolang ik leef:

8

30:8
Ps. 119:29
Houd me ver van leugen en bedrog.

Maak me niet arm, maar ook niet rijk,

voed me slechts met wat ik nodig heb.

9Want als ik rijk zou zijn, zou ik u wellicht verloochenen,

zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de HEER?’

En als ik arm zou zijn, zou ik stelen

en de naam van mijn God te schande maken.

Nog enkele spreuken

10Spreek geen kwaad van een slaaf tegenover zijn meester,

hij zou je vervloeken en je laten boeten.

11Er zijn mensen die hun vader vervloeken

en hun moeder hun zegen onthouden.

12Er zijn mensen die denken zuiver te leven,

maar vol vuiligheid zijn.

13Er zijn mensen met een hooghartige blik,

met van die misprijzende ogen.

14Er zijn mensen met tanden als zwaarden

en kaken als messen,

die de armen op aarde verscheuren,

de verschoppelingen onder de mensen verslinden.

Getalsspreuken

15Er zijn twee soorten bloedzuigers:

de eerste zegt ‘Geef!’, de andere ‘Geef!’

Drie dingen worden nooit verzadigd,

vier dingen zeggen nooit ‘Het is genoeg’:

16

30:16
Spr. 27:20
het dodenrijk, een onvruchtbare schoot,

een uitgedroogd stuk land en het vuur,

dat ook nooit zegt ‘Het is genoeg.’

17Wie spottend neerkijkt op zijn vader

en zijn moeder ongehoorzaam is,

hem zullen de raven bij de beek de ogen uitpikken,

de gieren zullen zijn ogen opschrokken.

18Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij,

vier dingen kan ik niet bevatten:

19

30:19
Wijsh. 5:10-12
de vlucht van een arend hoog aan de hemel,

het glijden van een slang over de rots,

de vaart van een schip op volle zee,

de weg van een man naar een meisje.

20Ziehier de houding van een overspelige vrouw:

ze doet alsof ze eet en haar mond afveegt,

en ze zegt: ‘Ik heb niets verkeerds gedaan.’

21Van drie dingen beeft de aarde,

tegen vier dingen is ze niet bestand:

22

30:22
Spr. 19:10
een slaaf die koning wordt,

een zot die genoeg te eten heeft,

23een onuitstaanbare vrouw die een man vindt,

een slavin die haar meesteres verdringt.

24Vier dieren zijn de kleinste op aarde,

maar ze zijn buitengewoon wijs:

25

30:25
Spr. 6:6-8
de mieren – sterk zijn ze niet,

maar al in de zomer leggen ze een voorraad aan;

26de klipdassen – machtig zijn ze niet,

maar ze maken holen in de rotsen;

27de sprinkhanen – een koning hebben ze niet,

maar ze rukken in slagorde op;

28de hagedissen – je kunt ze met je handen vangen,

maar ze dringen door tot in het paleis van de koning.

29Drie hebben een voorname tred,

vier schrijden statig voort:

30de leeuw – hij is de koning der dieren

en deinst voor niets terug;

31de trotse haan, de bok,

en een koning aan het hoofd van zijn leger.

32Als je zo dwaas bent jezelf op de borst te slaan,

denk dan eerst na en houd je hand voor je mond.

33Want als je melk slaat, komt er boter,

als je iemand op zijn neus slaat, vloeit er bloed,

als je iemand slaat die woedend is, komt er strijd.

31

Raadgevingen voor koning Lemuel

311Hier volgt onderricht voor koning Lemuel,

de raad die zijn moeder hem gaf.

2

31:2-3
Spr. 5:1-14
Mijn zoon, die ik gedragen heb,

mijn zoon, voor wie ik geloften heb gedaan,

wat zal ik je zeggen?

3

31:3
Sir. 9:2
Verspil je krachten niet aan vrouwen,

je woorden niet aan hen die koningen te gronde richten.

4

31:4
Pred. 10:16-17
En, Lemuel, een koning mag zich evenmin te buiten gaan aan wijn,

dat past hem niet,

een leider mag niet hunkeren naar drank.

5Hij mag niet drinken en zijn plicht vergeten,

de rechten van verschoppelingen schenden.

6Geef drank aan wie een kommervol bestaan leiden,

geef wijn aan wie diep ongelukkig zijn.

7Laat ze maar drinken en hun armoede vergeten,

moge hun gezwoeg uit hun herinnering verdwijnen.

8

31:8
Ps. 72:4
Spreek voor hen die weerloos zijn,

bescherm het recht van de vertrapten.

9Spreek, oordeel rechtvaardig,

geef de armen en behoeftigen hun recht.

Loflied op de sterke vrouw

10

31:10
Spr. 12:4
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?

Zij is meer waard dan edelstenen.31:10-31 De verzen 10 tot en met 31 vormen een acrostichon: elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.

11Haar man vertrouwt op haar

en zal daar rijkelijk bij winnen.

12Ze brengt hem voorspoed, geen ellende,

alle dagen van haar leven.

13Ze zoekt wol en linnen uit,

en spint en weeft met vreugde.

14Zoals een koopmansschip naar verre streken vaart,

zo haalt zij van verre wat ze nodig heeft.

15Ze staat al op als het nog donker is,

regelt het werk in huis, draagt haar slavinnen taken op.

16Als zij haar zinnen op een akker zet, koopt ze hem,

van wat ze heeft verdiend, plant ze een wijngaard.

17Zij is vol daadkracht,

onvermoeibaar is ze in de weer.

18Handeldrijven gaat haar heel goed af,

’s nachts gaat haar lamp niet uit.

19Haar handen zijn voortdurend aan het spinrok,

ze houdt altijd de weefspoel vast.

20Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen,

ze geeft de armen hulp.

21Niemand in haar huis hoeft sneeuw te vrezen,

zij heeft hen allen warm31:21 warm – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘in scharlaken’. gekleed.

22Ze maakt de mooiste dekens,

ze gaat gekleed in linnen en purperen wol.

23Haar man geniet bekendheid in de stad,

hij vergadert met de oudsten in de poort.

24Zij vervaardigt kleding en gordels,

en levert die aan kooplui.

25Uit haar verschijning spreken kracht en waardigheid,

de dag van morgen ziet ze lachend tegemoet.

26Ze spreekt wijze woorden,

wat ze zegt, zijn liefdevolle lessen.

27Ze waakt over haar huishouding,

nietsdoen is haar onbekend.

28Haar kinderen prijzen haar,

haar man bejubelt haar:

29‘Er zijn veel sterke vrouwen,

maar jij overtreft ze allemaal.’

30Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat,

maar een vrouw met ontzag voor de HEER moet worden geprezen.

31Moge zij de vruchten plukken van haar werk,

mogen haar daden worden geprezen in de poorten.