Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
24

241

24:1
Spr. 23:17
Wees niet jaloers op kwaadaardige mensen,

zoek hun gezelschap niet,

2want ze hebben kwaad in de zin

en spreken onheilspellende woorden.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd,

door inzicht houdt het stand,

4door kennis worden de kamers gevuld

met rijke en kostbare pracht.

5Alleen een wijze heeft kracht,

inzicht maakt hem sterker.

6

24:6
Spr. 11:14
Voer een oorlog met beleid,

je zegeviert dankzij een keur van raadgevers.

7Voor een dwaas is wijsheid onbereikbaar,

als de oudsten in de poort bijeen zijn, weet hij niets te zeggen.

8Wie altijd kwaad in de zin heeft,

wordt een boosdoener genoemd.

9Het wangedrag van een dwaas is zondig,

een spotter wordt door iedereen verafschuwd.

10

24:10
Job 4:5
Ben je moedeloos wanneer je in het nauw zit,

dan schiet je kracht tekort.

11Bevrijd hen die ter dood veroordeeld zijn,

doe alles om hun leven te redden.

12

24:12
Ps. 62:13
Rom. 2:6
Zeg niet: ‘Ik wist het niet,’

want hij die de harten doorgrondt,

het innerlijk doorziet,

weet of je de waarheid spreekt.

Hij vergeldt elk mens naar zijn daden.

13Mijn zoon, eet honing, dat is goed voor je,

zoete honing streelt de tong.

14Zie wijsheid als de honing voor je leven.

Als je wijsheid vindt, heb je een toekomst,

je hoop gaat niet verloren.

15Jij, goddeloze, belaag niet het huis van een rechtvaardige,

verwoest zijn woning niet.

16

24:16
Job 5:19
Een rechtvaardige komt zevenmaal ten val,

maar telkens staat hij op.

Een goddeloze struikelt door zijn slechte daden,

en komt voorgoed ten val.

17

24:17
Job 31:29
Verheug je niet over de val van je vijand,

juich niet als hij ten onder gaat.

18Want de HEER ziet het en keurt het af,

en laat zijn woede op je vijand varen.

19

24:19
Ps. 37:1-2
Wind je niet op over kwaadaardige mensen,

wees niet jaloers op goddelozen.

20Want wie kwaad doet, heeft geen toekomst,

het licht van goddelozen wordt gedoofd.

21

24:21
1 Petr. 2:17
Mijn zoon, heb ontzag voor de HEER en de koning,

ga niet om met wie zich tegen hen verzetten.

22Ze gaan plotseling ten onder,

en wie weet hoe zwaar de ramp is die hen treft?

Meer spreuken

23

24:23
Spr. 28:21
Ook deze spreuken zijn afkomstig van de wijzen.

Een partijdig oordeel in een rechtszaak is verkeerd.

24Wie tegen een schuldige zegt: ‘Je bent onschuldig,’

wordt door alle volken verwenst,

wordt door alle naties vervloekt.

25Wie de schuldigen veroordeelt, zal het goed gaan,

hij wordt gezegend met voorspoed.

26Wie een eerlijk antwoord geeft,

is als iemand die een kus op je lippen drukt.

27Doe eerst je werk op het land,

maak eerst je akker gereed,

bouw daarna pas je huis.

28Leg over een ander geen vals getuigenis af,

waarom zou je liegen?

29Zeg niet: ‘Wat hij mij heeft aangedaan, doe ik hem aan.

Ik betaal hem met gelijke munt.’

30

24:30-34
Spr. 26:13-16
Ik liep over het veld van een luiaard,

door de wijngaard van een dwaas.

31Alles was overwoekerd door onkruid,

zijn hele terrein was met distels bedekt,

de muur lag in puin.

32Ik zag het, en nam het ter harte,

ik nam het in mij op, en trok er lering uit.

33

24:33-34
Spr. 6:10-11
Nog even dan? Nog even slapen, nog een beetje rusten,

een ogenblik nog blijven liggen?

34Armoede overvalt je als een struikrover,

als een bandiet slaat gebrek je neer.

25

Andere spreuken van Salomo

251

25:1
1 Kon. 5:12
Hier volgen andere spreuken van Salomo, die de dienaren van koning Hizkia van Juda hebben gekopieerd.

2

25:2
Deut. 29:28
Eer aan God, omdat hij dingen verbergt,

eer aan de koning, omdat hij dingen onderzoekt.

3Zo peilloos hoog als de hemel, zo peilloos diep als de aarde,

zo peilloos is het hart van een koning.

4Als het zilver van onzuiverheden is ontdaan,

maakt de edelsmid een prachtige vaas.

5Als de koning zich ontdoet van goddelozen,

schraagt gerechtigheid zijn troon.

6

25:6-7
Luc. 14:8-10
25:6
Sir. 7:4
13:9-10
Gedraag je niet aanmatigend in aanwezigheid van de koning,

ga niet op de plaats van een voornaam persoon staan.

7Het is beter dat de koning je naar voren roept

dan dat hij je plaats laat maken voor een edelman.

Als je denkt dat iemand iets misdaan heeft,

8sleep hem dan niet overijld voor het gerecht.

Wat zou je moeten doen

als hij je te schande maakt?

9Als je een rechtsgeding met iemand hebt,

onthul dan geen geheimen van een ander.

10Als hij dat te weten komt, word je zelf het slachtoffer:

hij maakt je te schande.

11Het juiste woord op de juiste tijd

is als een gouden appel op een zilveren schaal.

12

25:12
Spr. 15:31
Een wijze vermaning voor een luisterend oor

is als een gouden ring, een sieraad van het zuiverste goud.

13

25:13
Spr. 13:17
25:25
Een betrouwbare bode is voor zijn opdrachtgever

als een koele dronk tijdens de oogst: hij beurt hem op.

14Wie prat gaat op een geschenk zonder waarde,

is als wind en wolken zonder regen.

15Een heerser laat zich overtuigen door geduld,

kalme woorden breken krachtige tegenstand.

16

25:16
Spr. 25:27
Als je honing hebt gevonden, eet dan niet meer dan goed voor je is,

spaar je maag, anders braak je het uit.

17Bezoek een vriend alleen zo nu en dan,

anders word je hem te veel en gaat hij je haten.

18Wie een vals getuigenis tegen een ander aflegt,

is als een bijl, een zwaard, een scherpe pijl.

19Vertrouwen op een onbetrouwbaar mens in tijden van nood

is als eten met een rottend gebit, lopen met een verzwikte enkel.

20Als je zingt voor iemand die bedroefd is,

is het of je je ontkleedt op een koude dag,

of azijn op loog giet.

21

25:21-22
Rom. 12:20
25:21
Mat. 5:44
Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten,

als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken.

22Dan stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd,

en de HEER zal je belonen.

23Zoals de noordenwind een striemende regen brengt,

zo brengt geroddel woedende blikken.

24

25:24
Spr. 21:9
Je kunt beter in een hoekje op het dak wonen

dan in één huis met een vrouw die ruzie zoekt.

25

25:25
Spr. 25:13
Een goed bericht uit een ver land

is als koel water voor een dorstige keel.

26Een rechtvaardige die een goddeloze niet weerstaat,

is als een troebele bron, een vergiftigde put.

27

25:27
Spr. 25:16
Overmatig honing eten is niet goed,

overmatig eer zoeken al evenmin.

28Iemand zonder zelfbeheersing

is als een stad waarvan de muur is geslecht.

26

261Zoals sneeuw niet bij de zomer past,

en regen niet bij de oogst,

zo past eer niet bij een dwaas.

2Zoals een vogel wegvliegt, zoals een zwaluw wegwiekt,

zo vervliegt een ongegronde vloek.

3

26:3
Spr. 10:13
19:29
Een zweep voor het paard, een teugel voor de ezel,

een stok voor de rug van een dwaas.

4Antwoord een dwaas niet met dwaasheid,

word niet als hij.

5Antwoord hem naar zijn dwaasheid,

hij moet niet denken dat hij wijs is.

6Wie een dwaas een boodschap laat bezorgen,

brengt zichzelf veel schade toe,

hij is als iemand die zijn eigen voeten afhakt.

7Een spreuk in de mond van een dwaas

is even slap als de benen van een lamme.

8Wie eer geeft aan een dwaas

is als iemand die de slinger om de steen knoopt.

9Een spreuk in de mond van een dwaas

prikt even weinig als een doorn in de hand van een dronkaard.

10Wie een dwaas in dienst neemt, of een onbekende,

is als een boogschutter die blindelings schiet.

11

26:11
2 Petr. 2:22
Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel,

zo herkauwt een dwaas zijn dwaasheid.

12

26:12
Spr. 29:20
Ken je iemand die zichzelf veel wijsheid toedicht?

Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

13

26:13
Spr. 22:13
Een luiaard zegt: ‘Er is een leeuw op de weg,

er sluipt een leeuw in de straten.’

14Zoals een deur in zijn scharnieren draait,

zo draait een luiaard zich om in zijn bed.

15

26:15
Spr. 19:24
Al heeft een luiaard zijn hand in de schaal,

hij vindt het te vermoeiend om hem naar zijn mond te brengen.

16Een luiaard vindt zichzelf veel wijzer

dan zeven mensen met een afgewogen oordeel.

17Wie zich met een woordenstrijd bemoeit die hem niet aangaat,

trekt aan de oren van een hond die rustig voorbijloopt.

18Zoals een dolleman maar in het wilde weg schiet,

met brandende pijlen dood en verderf zaait,

19zo is iemand die zijn vriend bedriegt, en zegt:

‘Het was maar voor de grap.’

20

26:20
Spr. 22:10
Als er geen hout meer is, dooft het vuur,

als de lasteraar verdwijnt, eindigt de ruzie.

21Kolen laten gloeien, hout doet vlammen,

een ruziemaker laat een woordenstrijd ontbranden.

22

26:22
Spr. 18:8
De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op,

ze zijn een lekkernij die de buik verzadigt.

23

26:23
Mat. 23:25-28
Zilverglazuur verbergt een aarden pot,

warme woorden een kwaadaardig hart.

24Al verbloemt iemand zijn haat met mooie woorden,

hij is een en al bedrog.

25

26:25
Sir. 27:23
Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet,

zijn hart is door en door vals.

26Al verhult hij zijn haat met leugens,

zijn kwaadaardigheid komt toch aan het licht.

27

26:27
Ps. 7:16
Pred. 10:8
Sir. 27:25-27
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in,

wie een steen op iemand afrolt, komt er zelf onder.

28Wie kwaadspreekt haat zijn slachtoffers,

een vleier wil hun ondergang.