Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
22

221

22:1
Pred. 7:1
Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom,

waardering boven zilver en goud.

2

22:2
Job 31:15
Spr. 29:13
Een arme en een rijke hebben dit gemeen:

de HEER heeft hen beiden gemaakt.

3

22:3
Spr. 27:12
Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor,

wie onverstandig is, gaat eraan voorbij en wordt gestraft.

4Wie bescheiden is en ontzag heeft voor de HEER,

wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.

5Wie de verkeerde weg gaat, treft dorens en valstrikken aan,

wie zijn leven liefheeft, blijft er verre van.

6

22:6
Sir. 6:18
Leer een kind van jongs af aan de juiste weg,

en het zal er niet van afwijken wanneer het oud geworden is.

7Een rijke heeft macht over armen,

wie leent, is de slaaf van wie uitleent.

8

22:8
Job 4:8
Wie onheil zaait, zal onheil oogsten,

de stok waarmee hij slaat, zal hem te gronde richten.

9

22:9
Ps. 112:9
Spr. 19:17
28:27
Een goedhartig mens wordt gezegend,

hij deelt zijn voedsel met de armen.

10

22:10
Spr. 26:20
Jaag een spotter weg, en de ruzie is voorbij,

twistgesprekken en beledigingen houden op.

11

22:11
Spr. 16:13
Wie een zuiver hart heeft en beminnelijk spreekt,

heeft de koning als vriend.

12De HEER behoedt de waarheid,

hij logenstraft de woorden van bedriegers.

13

22:13
Spr. 26:13
Een luiaard zegt: ‘Buiten loopt een leeuw,

die zal me verscheuren.’

14De mond van een lichtzinnige vrouw is als een diepe put,

wie door de HEER is vervloekt, valt daarin.

15

22:15
Spr. 13:24
29:15
Een kind is geneigd tot dwaasheid,

de stok wijst het terecht en weerhoudt het ervan.

16Wie een arme onderdrukt, maakt hem enkel rijk,

wie een rijke geld geeft, zorgt ervoor dat hij gebrek lijdt.

Spreuken van wijzen

17Schenk mijn kennis een aandachtig oor,

luister naar de woorden van de wijzen.

18Het is goed ze vast te houden,

zodat je ze altijd op je lippen hebt.

19Jou laat ik ze horen, nu,

opdat je op de HEER vertrouwt.

20Heb ik niet dertig spreuken voor je opgeschreven,

vol kennis en goede raad?

21Het is om je de waarheid te leren, waarachtige woorden,

om een betrouwbaar antwoord te geven aan wie je heeft gestuurd.

22Beroof een arme niet, hij is al arm genoeg.

Vertrap een verschoppeling niet als hij terechtstaat in de poort.

23

22:23
Spr. 23:11
Want de HEER verdedigt hun rechten,

wie hen bedreigen, jaagt hij de dood in.

24

22:24
Sir. 8:15
Ga niet om met een heethoofd,

houd je niet op met een driftkop,

25opdat je niet dezelfde weg gaat als hij

en voor jezelf een valstrik zet.

26

22:26-27
Spr. 6:1-5
11:15
17:18
Sir. 29:14-20
Geef niet zomaar een handslag,

sta niet zomaar borg voor een schuld.

27Als je die niet kunt voldoen,

halen ze je bed onder je vandaan.

28

22:28
Deut. 19:14
Spr. 23:10
Verplaats geen oude grenzen,

je voorouders hebben ze vastgesteld.

29Zie je iemand die bekwaam is?

Hij komt in dienst van de koning,

onaanzienlijken zal hij niet dienen.

23

231Als je bij een machtig man aan tafel zit,

vergeet dan niet wie je voor je hebt.

2Bedwing je gulzigheid,

ook al houd je van een goede maaltijd.

3Laat je niet verleiden door zijn lekkernijen,

want je wordt erdoor misleid.

4Tob jezelf niet af om rijk te worden,

zet dat plan opzij.

5Zodra je op rijkdom afvliegt,

is die al verdwenen.

Hij krijgt vleugels, plotseling,

en vliegt als een arend weg.

6Ga niet aan tafel bij een gierigaard,

laat je niet verleiden door zijn lekkernijen.

7Hij is door en door berekenend.

Zegt hij: ‘Tast toe,’ dan meent hij er niets van.

8Wat hij je voorzet, braak je uit,

je vriendelijke woorden zijn aan hem verspild.

9Spreek niet tegen een dwaas,

hij veracht je verstandige woorden.

10

23:10
Spr. 22:28
Verleg geen oude grenzen,

schend de akkers van wezen niet.

11

23:11
Ex. 22:21-23
Spr. 22:23
Want hun beschermer is sterk,

hij zal hun rechten tegen je verdedigen.

12Heb een open oor voor onderricht,

en een open geest voor kennis.

13

23:13
Spr. 19:18
Onthoud een kind geen onderricht,

van stokslagen gaat het niet dood.

14Sla het met de stok,

en je redt het van het dodenrijk.

15Mijn zoon, als je je verstand gebruikt,

loopt mijn hart over van vreugde.

16Ik word vervuld van blijdschap

als je een bedachtzaam oordeel hebt.

17

23:17
Ps. 37:1-4
73:3
Wees niet jaloers op zondaars,

heb altijd ontzag voor de HEER.

18

23:18
Spr. 24:14
Dan heb je een toekomst,

je hoop gaat niet verloren.

19Luister, mijn zoon, en word wijs,

kies de juiste weg.

20Ga niet om met dronkenlappen,

blijf bij gulzigaards vandaan.

21

23:21
Spr. 21:17
Want wie slempt en brast, wordt arm,

wie altijd zijn roes ligt uit te slapen,

gaat ten slotte in lompen gehuld.

22

23:22
Spr. 17:25
19:26
Luister naar je vader, hij die je verwekt heeft,

veracht je moeder niet wanneer ze oud is.

23Verwerf de waarheid en verkwansel haar niet,

laat je onderrichten, verwerf inzicht en wijsheid.

24

23:24
Spr. 10:1
De vader van een wijze is vol blijdschap,

wie een rechtvaardige verwekt, is vol vreugde over hem.

25Mogen je vader en je moeder zich verblijden,

zij die je gebaard heeft zich verheugen.

26Mijn zoon, geef me je vertrouwen,

vind vreugde in de weg die ik je wijs.

27

23:27
Spr. 22:14
Want een hoer is een valkuil,

een lichtzinnige vrouw een nauwe put.

28

23:28
Spr. 7:5-12
Ze legt hinderlagen als een rover,

door haar neemt ontrouw toe.

29Wie roept altijd ach en wee,

wie maakt altijd ruzie?

Wie heeft altijd wat te klagen,

wie raakt altijd nodeloos gewond?

Wie heeft altijd troebele ogen?

30Een dronkaard, die tot in de vroege morgen drinkt,

die blijft proeven van de wijn.

31Laat je niet verleiden door de glans van wijn,

wanneer hij fonkelt in de beker.

Hij glijdt zo makkelijk over de tong,

32maar later bijt hij als een slang,

spuit hij gif als een adder.

33Dan zie je vreemde dingen

en begin je wartaal uit te slaan.

34

23:34
Ps. 107:26-27
Je voelt je heen en weer geslingerd door de golven,

alsof je vastzit boven in het want.

35‘Ik ben geslagen, maar heb niets gevoeld,

ik ben afgerost, maar heb niets gemerkt.

Laat ik maar eens opstaan,

eerst een beker wijn.’

24

241

24:1
Spr. 23:17
Wees niet jaloers op kwaadaardige mensen,

zoek hun gezelschap niet,

2want ze hebben kwaad in de zin

en spreken onheilspellende woorden.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd,

door inzicht houdt het stand,

4door kennis worden de kamers gevuld

met rijke en kostbare pracht.

5Alleen een wijze heeft kracht,

inzicht maakt hem sterker.

6

24:6
Spr. 11:14
Voer een oorlog met beleid,

je zegeviert dankzij een keur van raadgevers.

7Voor een dwaas is wijsheid onbereikbaar,

als de oudsten in de poort bijeen zijn, weet hij niets te zeggen.

8Wie altijd kwaad in de zin heeft,

wordt een boosdoener genoemd.

9Het wangedrag van een dwaas is zondig,

een spotter wordt door iedereen verafschuwd.

10

24:10
Job 4:5
Ben je moedeloos wanneer je in het nauw zit,

dan schiet je kracht tekort.

11Bevrijd hen die ter dood veroordeeld zijn,

doe alles om hun leven te redden.

12

24:12
Ps. 62:13
Rom. 2:6
Zeg niet: ‘Ik wist het niet,’

want hij die de harten doorgrondt,

het innerlijk doorziet,

weet of je de waarheid spreekt.

Hij vergeldt elk mens naar zijn daden.

13Mijn zoon, eet honing, dat is goed voor je,

zoete honing streelt de tong.

14Zie wijsheid als de honing voor je leven.

Als je wijsheid vindt, heb je een toekomst,

je hoop gaat niet verloren.

15Jij, goddeloze, belaag niet het huis van een rechtvaardige,

verwoest zijn woning niet.

16

24:16
Job 5:19
Een rechtvaardige komt zevenmaal ten val,

maar telkens staat hij op.

Een goddeloze struikelt door zijn slechte daden,

en komt voorgoed ten val.

17

24:17
Job 31:29
Verheug je niet over de val van je vijand,

juich niet als hij ten onder gaat.

18Want de HEER ziet het en keurt het af,

en laat zijn woede op je vijand varen.

19

24:19
Ps. 37:1-2
Wind je niet op over kwaadaardige mensen,

wees niet jaloers op goddelozen.

20Want wie kwaad doet, heeft geen toekomst,

het licht van goddelozen wordt gedoofd.

21

24:21
1 Petr. 2:17
Mijn zoon, heb ontzag voor de HEER en de koning,

ga niet om met wie zich tegen hen verzetten.

22Ze gaan plotseling ten onder,

en wie weet hoe zwaar de ramp is die hen treft?

Meer spreuken

23

24:23
Spr. 28:21
Ook deze spreuken zijn afkomstig van de wijzen.

Een partijdig oordeel in een rechtszaak is verkeerd.

24Wie tegen een schuldige zegt: ‘Je bent onschuldig,’

wordt door alle volken verwenst,

wordt door alle naties vervloekt.

25Wie de schuldigen veroordeelt, zal het goed gaan,

hij wordt gezegend met voorspoed.

26Wie een eerlijk antwoord geeft,

is als iemand die een kus op je lippen drukt.

27Doe eerst je werk op het land,

maak eerst je akker gereed,

bouw daarna pas je huis.

28Leg over een ander geen vals getuigenis af,

waarom zou je liegen?

29Zeg niet: ‘Wat hij mij heeft aangedaan, doe ik hem aan.

Ik betaal hem met gelijke munt.’

30

24:30-34
Spr. 26:13-16
Ik liep over het veld van een luiaard,

door de wijngaard van een dwaas.

31Alles was overwoekerd door onkruid,

zijn hele terrein was met distels bedekt,

de muur lag in puin.

32Ik zag het, en nam het ter harte,

ik nam het in mij op, en trok er lering uit.

33

24:33-34
Spr. 6:10-11
Nog even dan? Nog even slapen, nog een beetje rusten,

een ogenblik nog blijven liggen?

34Armoede overvalt je als een struikrover,

als een bandiet slaat gebrek je neer.