Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
20

201

20:1
Spr. 23:29-35
Van wijn word je een spotter, van drank een braller,

wie zich bedrinkt, verliest zijn verstand.

2

20:2
Spr. 19:12
Als het brullen van een leeuw, zo zijn de dreigementen van een koning,

wie ze in de wind slaat, brengt zijn leven in gevaar.

3Het strekt een mens tot eer om ruzie te vermijden,

een dwaas stort zich in een woordenstrijd.

4Een luiaard ploegt niet in de herfst,

en vraagt zich in de zomer af waarom hij niet kan oogsten.

5

20:5
Spr. 18:4
Wat omgaat in een mensenhart is als diep verborgen water,

iemand met inzicht brengt het naar boven.

6

20:6
Spr. 27:2
Velen roemen hun eigen trouw,

maar wie vindt een mens die werkelijk betrouwbaar is?

7Wie rechtvaardig is bewandelt de juiste weg,

zijn kinderen zullen gelukkig zijn.

8Als het recht de troon van een koning schraagt,

verjaagt hij met zijn blik elke boosdoener.

9

20:9
Job 4:17
1 Joh. 1:8-10
Wie zou kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd,

ik ben vrij van zonden’?

10

20:10
Lev. 19:35-36
Deut. 25:13-16
Spr. 11:1
Ezech. 45:10
Twee gewichten om te wegen, twee maten om te meten,

beide zijn de HEER een gruwel.

11Reeds een kind laat zich kennen door zijn daden,

door wat het doet, zie je of het eerlijk en oprecht is.

12

20:12
Ps. 94:9
Een oor dat hoort, een oog dat ziet,

de HEER heeft beide gemaakt.

13Slaap niet al te graag, dan word je niet arm,

sta vroeg op, dan heb je genoeg te eten.

14‘Niets waard! Niets waard!’ zegt de koper,

maar als hij weggaat, wrijft hij zich in de handen.

15

20:15
Spr. 3:13-15
Goud en edelstenen zijn er genoeg,

maar wijze woorden zijn een zeldzaamheid.

16

20:16
Spr. 27:13
Stond iemand borg voor een lichtzinnig mens,

neem dan gerust zijn mantel,

en verpand die maar aan een ander die lichtzinnig is.

17Gestolen voedsel smaakt aanvankelijk goed,

maar later lijkt je mond gevuld met kiezels.

18Een plan komt tot stand door overleg,

bereid een oorlog dus goed voor.

19

20:19
Spr. 11:13
Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,

laat je niet in met een loslippig mens.

20Als je je vader en moeder vervloekt,

wordt je levenslicht gedoofd in de diepste duisternis.

21

20:21
Spr. 13:11
Rijkdom die in korte tijd verworven is,

brengt geen zegen voor later.

22

20:22
Rom. 12:17
1 Tes. 5:15
Zeg niet: ‘Ik zal dat kwaad vergelden,’

wacht op de HEER, hij zal je helpen.

23

20:23
Spr. 11:1
Twee gewichten om te wegen, het is de HEER een gruwel,

een valse weegschaal is een slechte zaak.

24

20:24
Spr. 16:9
19:21
De weg van een mens wordt bepaald door de HEER,

wie weet zelf welke richting hij gaat?

25

20:25
Deut. 23:22
Pred. 5:3-5
Wie God ondoordacht een belofte doet

en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden,

zet een valstrik voor zichzelf.

26Een wijze koning zift de goddelozen uit,

hij laat het rad over hen heen gaan.

27Het licht van de HEER beschijnt de geest van de mens,

het dringt door tot in zijn diepste gedachten.

28Liefde en trouw beschermen de koning,

liefde schraagt zijn troon.

29De pracht van jonge mensen is hun kracht,

de sier van oude mensen is hun grijze haar.

30Bloedige striemen doen het kwaad verdwijnen,

slagen zuiveren het innerlijk.

21

211De gedachten van de koning zijn als waterstromen in de macht van de HEER,

hij leidt ze waarheen hij maar wil.

2

21:2
Spr. 16:2
Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de rechte weg,

de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.

3De HEER heeft liever dat je eerlijk en rechtvaardig handelt

dan dat je een offer brengt.

4Een hooghartige blik, een aanmatigend hart,

wat een goddeloze uitstraalt is zondig.

5

21:5
Spr. 19:2
De plannen van een vlijtig mens strekken hem tot voordeel,

wie overijld te werk gaat, zal gebrek lijden.

6Rijkdom verworven door bedrog

is als een vluchtige adem op zoek naar de dood.

7Het geweld van goddelozen sleurt hen naar de ondergang,

ze weigeren het recht in acht te nemen.

8Een bedrieger volgt slinkse wegen,

een eerlijk mens handelt oprecht.

9

21:9
Spr. 21:19
25:24
Sir. 25:16
Je kunt beter in een hoekje op het dak wonen

dan in één huis met een vrouw die ruzie zoekt.

10Een goddeloze is uit op het kwaad,

hij toont geen medelijden met zijn medemens.

11Als je een spotter terechtwijst, trekt die onervarene daar lering uit,

als je een wijze berispt, vermeerdert zijn wijsheid.

12De rechtvaardige God slaat de goddelozen gade,

hij stort ze in het verderf.

13Wie zijn oren sluit voor het gejammer van de arme

zal ooit zelf om hulp schreeuwen, en geen antwoord krijgen.

14Een heimelijke gift doet woede bedaren,

onderhands gegeven geld temt razernij.

15De rechtvaardige geniet ervan het recht in acht te nemen,

wie onrecht doet, wacht ellende.

16Wie afdwaalt van de weg van het verstand

zal belanden in het rijk van de schimmen.

17

21:17
Spr. 23:20-21
Wie te vaak feestviert, zal gebrek lijden,

wie te veel van eten en drinken houdt, wordt nooit rijk.

18Goddelozen zijn het losgeld voor rechtvaardigen,

oprechten worden vrijgekocht, trouwelozen niet.

19

21:19
Spr. 21:9
Je kunt beter in de woestijn wonen

dan samenleven met een humeurige vrouw die ruzie zoekt.

20Een wijze heeft een kostbare schat aan olie in huis,

een dwaas verkwanselt hem.

21

21:21
Mat. 5:6
Wie rechtvaardigheid en trouw nastreeft,

ontvangt leven, rechtvaardigheid en eer.

22

21:22
Pred. 9:13-15
Een wijze overwint een stad vol keurtroepen,

hij verlamt de kracht waarop ze vertrouwen.

23

21:23
Spr. 13:3
Wie zijn tong in toom houdt,

bespaart zich in zijn leven allerlei ellende.

24Een spotter is verwaand en onbeschoft,

hij is grenzeloos hooghartig.

25

21:25
Spr. 13:4
De verlangens van een luiaard leiden tot zijn dood,

hij weigert zijn handen te gebruiken.

26Velen willen almaar meer bezit,

maar de rechtvaardige geeft, hij houdt niets voor zichzelf.

27

21:27
Spr. 15:8
Sir. 7:9
Het offer van de goddelozen is een gruwel,

vooral als de bedoeling slecht is.

28

21:28
Spr. 19:5,9
Een onbetrouwbare getuige moet de mond worden gesnoerd,

maar wie vertelt wat hij weet, mag uitspreken.

29Een goddeloze zet een trots gezicht,

de oprechte gaat de weg die hij moet gaan.

30Wijsheid, inzicht, plannen,

niets houdt stand tegen de HEER.

31

21:31
Ps. 20:8
Hos. 1:7
Het paard wordt gereedgemaakt voor de strijd,

de overwinning hangt af van de HEER.

22

221

22:1
Pred. 7:1
Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom,

waardering boven zilver en goud.

2

22:2
Job 31:15
Spr. 29:13
Een arme en een rijke hebben dit gemeen:

de HEER heeft hen beiden gemaakt.

3

22:3
Spr. 27:12
Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor,

wie onverstandig is, gaat eraan voorbij en wordt gestraft.

4Wie bescheiden is en ontzag heeft voor de HEER,

wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.

5Wie de verkeerde weg gaat, treft dorens en valstrikken aan,

wie zijn leven liefheeft, blijft er verre van.

6

22:6
Sir. 6:18
Leer een kind van jongs af aan de juiste weg,

en het zal er niet van afwijken wanneer het oud geworden is.

7Een rijke heeft macht over armen,

wie leent, is de slaaf van wie uitleent.

8

22:8
Job 4:8
Wie onheil zaait, zal onheil oogsten,

de stok waarmee hij slaat, zal hem te gronde richten.

9

22:9
Ps. 112:9
Spr. 19:17
28:27
Een goedhartig mens wordt gezegend,

hij deelt zijn voedsel met de armen.

10

22:10
Spr. 26:20
Jaag een spotter weg, en de ruzie is voorbij,

twistgesprekken en beledigingen houden op.

11

22:11
Spr. 16:13
Wie een zuiver hart heeft en beminnelijk spreekt,

heeft de koning als vriend.

12De HEER behoedt de waarheid,

hij logenstraft de woorden van bedriegers.

13

22:13
Spr. 26:13
Een luiaard zegt: ‘Buiten loopt een leeuw,

die zal me verscheuren.’

14De mond van een lichtzinnige vrouw is als een diepe put,

wie door de HEER is vervloekt, valt daarin.

15

22:15
Spr. 13:24
29:15
Een kind is geneigd tot dwaasheid,

de stok wijst het terecht en weerhoudt het ervan.

16Wie een arme onderdrukt, maakt hem enkel rijk,

wie een rijke geld geeft, zorgt ervoor dat hij gebrek lijdt.

Spreuken van wijzen

17Schenk mijn kennis een aandachtig oor,

luister naar de woorden van de wijzen.

18Het is goed ze vast te houden,

zodat je ze altijd op je lippen hebt.

19Jou laat ik ze horen, nu,

opdat je op de HEER vertrouwt.

20Heb ik niet dertig spreuken voor je opgeschreven,

vol kennis en goede raad?

21Het is om je de waarheid te leren, waarachtige woorden,

om een betrouwbaar antwoord te geven aan wie je heeft gestuurd.

22Beroof een arme niet, hij is al arm genoeg.

Vertrap een verschoppeling niet als hij terechtstaat in de poort.

23

22:23
Spr. 23:11
Want de HEER verdedigt hun rechten,

wie hen bedreigen, jaagt hij de dood in.

24

22:24
Sir. 8:15
Ga niet om met een heethoofd,

houd je niet op met een driftkop,

25opdat je niet dezelfde weg gaat als hij

en voor jezelf een valstrik zet.

26

22:26-27
Spr. 6:1-5
11:15
17:18
Sir. 29:14-20
Geef niet zomaar een handslag,

sta niet zomaar borg voor een schuld.

27Als je die niet kunt voldoen,

halen ze je bed onder je vandaan.

28

22:28
Deut. 19:14
Spr. 23:10
Verplaats geen oude grenzen,

je voorouders hebben ze vastgesteld.

29Zie je iemand die bekwaam is?

Hij komt in dienst van de koning,

onaanzienlijken zal hij niet dienen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]