Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
18

181Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil,

hij gaat de strijd met alle wijsheid aan.

2

18:2
Spr. 12:23
Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht,

hij wil alleen zijn eigen mening kwijt.

3Waar goddeloosheid is, is verachting,

een schanddaad gaat gepaard met smaad.

4

18:4
Spr. 20:5
Sir. 21:13
De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren,

ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.

5Het is niet goed een goddeloze te bevoorrechten

en het recht van een rechtvaardige te schenden.

6De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,

wat hij zegt leidt tot een vechtpartij.

7

18:7
Spr. 10:14
12:13
13:3
Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf,

hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt.

8

18:8
Spr. 26:22
De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op,

als een lekkernij die de buik verzadigt.

9Wie lui is in zijn werk,

werkt aan zijn eigen ondergang.

10

18:10
Ps. 61:4
De naam van de HEER is een sterke toren,

de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig.

11

18:11
Spr. 10:15
Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is,

achter een muur waant hij zich veilig.

12

18:12
Spr. 15:33
16:18
Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val,

bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

13

18:13
Sir. 11:8
Wie antwoordt zonder eerst te luisteren,

handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk.

14Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte,

maar wie geneest een zieke geest?

15

18:15
Spr. 15:14
Een verstandig mens verwerft kennis,

een wijze is gespitst op inzicht.

16

18:16
Spr. 17:8
Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf,

hij verschaft zich toegang tot de machtigen.

17Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen,

maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan.

18Het lot kan een geschil beslechten,

het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden.

19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting,

ruzie is als een vergrendelde toren.

20

18:20
Spr. 12:14
13:2
Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen,

hij voedt zich met de vruchten van zijn mond.

21

18:21
Spr. 21:23
Jak. 3:2-12
Woorden hebben macht over leven en dood,

wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.

22Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden,

hij ontvangt de gunst van de HEER.

23Een verschoppeling bidt en smeekt,

de rijkaard antwoordt hem hooghartig.

24

18:24
Spr. 27:10
Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd,

een echte vriend is meer waard dan een broer.

19

191

19:1
Spr. 28:6
Beter een arme die onberispelijk leeft

dan een slinkse leugenaar – die is dwaas.

2

19:2
Spr. 21:5
IJver zonder kennis leidt tot niets,

wie overijld te werk gaat, maakt al snel een blunder.

3Dwaasheid brengt een mens op de verkeerde weg,

dan keert hij zich verbitterd tegen de HEER.

4

19:4
Spr. 14:20
Sir. 6:8-12
Rijkdom maakt veel vrienden,

een arme komt alleen te staan.

5

19:5
Spr. 19:9
Een valse getuige blijft niet ongestraft,

wie leugens verkondigt, gaat niet vrijuit.

6

19:6
Pred. 5:10
Sir. 13:5-6
Velen dingen naar de gunst van een voornaam persoon,

ieder is de vriend van een vrijgevig mens.

7

19:7
Sir. 13:21
Een arme wordt door al zijn broers gehaat,

meer nog door zijn vrienden, ze gaan hem uit de weg;

als hij een beroep op ze doet, is dat tevergeefs.

8Wie zijn verstand gebruikt, heeft zijn leven lief,

wie zich laat leiden door inzicht, is geluk op het spoor.

9

19:9
Spr. 19:5
Een valse getuige blijft niet ongestraft,

wie leugens verkondigt, gaat te gronde.

10

19:10
Spr. 30:22
Pred. 10:6-7
Weelde past niet bij een dwaas,

nog minder past het dat een slaaf heerst over vorsten.

11Een verstandig mens houdt zijn woede in toom,

het siert hem als hij fouten door de vingers ziet.

12

19:12
Spr. 16:14-15
20:2
Als het brullen van een leeuw, zo is de woede van een koning,

als dauw op het gras, zo is zijn goedgunstigheid.

13

19:13
Spr. 17:25
27:15
Een dwaze zoon is voor zijn vader een ramp,

het geruzie van een vrouw is als een dak dat altijd lekt.

14

19:14
Spr. 18:22
Je huis en rijkdom erf je van je voorouders,

maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER.

15

19:15
Spr. 10:4
Als je lui bent, verslaap je je tijd,

als je laks bent, zul je honger lijden.

16Wie de geboden naleeft, behoudt zijn leven,

wie de weg van de HEER veracht, zal sterven.

17Wie barmhartig is voor een arme leent aan de HEER,

die zal hem zijn weldaad vergoeden.

18Tuchtig je zoon, dan is er hoop,

zorg ervoor dat hij niet sterft.

19Wie doldriftig is, zal moeten boeten,

als je hem zijn woede toestaat, neemt die enkel toe.

20

19:20
Spr. 15:32
Luister naar raad, laat je onderwijzen,

uiteindelijk maakt het je wijs.

21Een mens maakt allerlei plannen,

wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER.

22Een mens heeft het verlangen goed te doen,

je kunt beter arm dan onbetrouwbaar zijn.

23

19:23
Spr. 14:27
Ontzag voor de HEER beschermt je leven,

je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets.

24

19:24
Spr. 26:15
Een luiaard laat zijn hand in de schaal rusten,

hij brengt hem zelfs niet naar zijn mond.

25Sla je een spotter, dan wordt die onervarene verstandig,

kastijd je een verstandig mens, dan groeien zijn kennis en inzicht.

26

19:26
Ex. 21:17
Spr. 20:20
23:22
30:17
Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt,

is een slechte zoon die zich misdraagt.

27Mijn zoon, luister maar niet langer naar mijn onderricht

als je mijn wijze woorden in de wind wilt slaan.

28Een onbetrouwbare getuige spot met het recht,

een goddeloze zwelgt in onrecht.

29

19:29
Spr. 10:13
Voor spotters staat de straf al vast,

voor de rug van dwazen ligt de stok al klaar.

20

201

20:1
Spr. 23:29-35
Van wijn word je een spotter, van drank een braller,

wie zich bedrinkt, verliest zijn verstand.

2

20:2
Spr. 19:12
Als het brullen van een leeuw, zo zijn de dreigementen van een koning,

wie ze in de wind slaat, brengt zijn leven in gevaar.

3Het strekt een mens tot eer om ruzie te vermijden,

een dwaas stort zich in een woordenstrijd.

4Een luiaard ploegt niet in de herfst,

en vraagt zich in de zomer af waarom hij niet kan oogsten.

5

20:5
Spr. 18:4
Wat omgaat in een mensenhart is als diep verborgen water,

iemand met inzicht brengt het naar boven.

6

20:6
Spr. 27:2
Velen roemen hun eigen trouw,

maar wie vindt een mens die werkelijk betrouwbaar is?

7Wie rechtvaardig is bewandelt de juiste weg,

zijn kinderen zullen gelukkig zijn.

8Als het recht de troon van een koning schraagt,

verjaagt hij met zijn blik elke boosdoener.

9

20:9
Job 4:17
1 Joh. 1:8-10
Wie zou kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd,

ik ben vrij van zonden’?

10

20:10
Lev. 19:35-36
Deut. 25:13-16
Spr. 11:1
Ezech. 45:10
Twee gewichten om te wegen, twee maten om te meten,

beide zijn de HEER een gruwel.

11Reeds een kind laat zich kennen door zijn daden,

door wat het doet, zie je of het eerlijk en oprecht is.

12

20:12
Ps. 94:9
Een oor dat hoort, een oog dat ziet,

de HEER heeft beide gemaakt.

13Slaap niet al te graag, dan word je niet arm,

sta vroeg op, dan heb je genoeg te eten.

14‘Niets waard! Niets waard!’ zegt de koper,

maar als hij weggaat, wrijft hij zich in de handen.

15

20:15
Spr. 3:13-15
Goud en edelstenen zijn er genoeg,

maar wijze woorden zijn een zeldzaamheid.

16

20:16
Spr. 27:13
Stond iemand borg voor een lichtzinnig mens,

neem dan gerust zijn mantel,

en verpand die maar aan een ander die lichtzinnig is.

17Gestolen voedsel smaakt aanvankelijk goed,

maar later lijkt je mond gevuld met kiezels.

18Een plan komt tot stand door overleg,

bereid een oorlog dus goed voor.

19

20:19
Spr. 11:13
Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,

laat je niet in met een loslippig mens.

20Als je je vader en moeder vervloekt,

wordt je levenslicht gedoofd in de diepste duisternis.

21

20:21
Spr. 13:11
Rijkdom die in korte tijd verworven is,

brengt geen zegen voor later.

22

20:22
Rom. 12:17
1 Tes. 5:15
Zeg niet: ‘Ik zal dat kwaad vergelden,’

wacht op de HEER, hij zal je helpen.

23

20:23
Spr. 11:1
Twee gewichten om te wegen, het is de HEER een gruwel,

een valse weegschaal is een slechte zaak.

24

20:24
Spr. 16:9
19:21
De weg van een mens wordt bepaald door de HEER,

wie weet zelf welke richting hij gaat?

25

20:25
Deut. 23:22
Pred. 5:3-5
Wie God ondoordacht een belofte doet

en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden,

zet een valstrik voor zichzelf.

26Een wijze koning zift de goddelozen uit,

hij laat het rad over hen heen gaan.

27Het licht van de HEER beschijnt de geest van de mens,

het dringt door tot in zijn diepste gedachten.

28Liefde en trouw beschermen de koning,

liefde schraagt zijn troon.

29De pracht van jonge mensen is hun kracht,

de sier van oude mensen is hun grijze haar.

30Bloedige striemen doen het kwaad verdwijnen,

slagen zuiveren het innerlijk.