Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

161Een mens stelt zich veel vragen,

de HEER geeft het antwoord.

2

16:2
Spr. 21:2
Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg,

de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.

3

16:3
Spr. 3:6
Vertrouw bij je werk op de HEER,

en je plannen zullen slagen.

4De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven,

de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd.

5De HEER verafschuwt hooghartige mensen,

ze worden hoe dan ook gestraft.

6Zonden worden toegedekt door liefde en trouw,

wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad.

7Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt,

doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten.

8

16:8
Tob. 12:8
Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven,

dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht.

9

16:9
Spr. 19:21
Een mens stippelt zijn weg uit,

de HEER bepaalt de richting die hij gaat.

10De koning spreekt Gods oordeel uit,

wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet.

11De HEER bepaalt de maatstaf van het recht,

hij stelt de gewichten en balans vast.

12

16:12
Spr. 25:5
Koningen verfoeien goddeloosheid,

rechtvaardigheid schraagt hun troon.

13

16:13
Spr. 22:11
Een koning schept behagen in oprechte woorden,

wie de waarheid spreekt, is hem dierbaar.

14

16:14-15
Spr. 19:12
16:14
Spr. 20:2
De woede van de koning is een bode van de dood,

een wijze brengt hem tot bedaren.

15Het stralende gezicht van de koning brengt leven,

als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs.

16

16:16
Spr. 3:14
8:10
Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud,

hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver.

17Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad,

wie zijn weg in het oog houdt, beschermt zijn leven.

18

16:18
Spr. 11:2
Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende,

hoogmoed komt voor de val.

19Beter in eenvoud leven met de armen

dan de buit verdelen met hoogmoedigen.

20

16:20
Ps. 40:5
Wie goed luistert, zal het goed vergaan,

wie op de HEER vertrouwt, is gelukkig.

21Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd,

wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht.

22Inzicht is een bron van leven,

dwazen worden met dwaasheid gestraft.

23

16:23
Pred. 10:12
Wie een wijs hart heeft, spreekt verstandige woorden,

en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen.

24Een vriendelijke uitspraak is een korf vol honing,

zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.

25

16:25
Spr. 14:12
Een mens denkt de juiste weg te gaan,

terwijl hij eindigt bij de dood.

26Een mens zwoegt omdat hij moet eten,

het is de honger die hem dwingt.

27

16:27
Jak. 3:6
Een nietsnut roept het kwaad op,

wat hij zegt is een verzengend vuur.

28

16:28
Sir. 28:9
Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht,

een lasteraar drijft vrienden uit elkaar.

29Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend,

hij lokt hem op het slechte pad.

30Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin,

wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan.

31

16:31
Sir. 25:4-6
De ouderdom is een prachtige kroon,

je vindt hem op de weg van de rechtvaardigheid.

32Beter een geduldig mens dan een vechtjas,

beter zelfbeheersing dan een stad veroveren.

33Men werpt het lot in een mantel,

de HEER bepaalt hoe het valt.

17

171

17:1
Spr. 15:17
Beter een stuk droog brood en vrede

dan een huis vol met voedsel en ruzie.

2Een verstandige slaaf verdrijft een onwaardige zoon,

hij deelt samen met de broers in de erfenis.

3

17:3
Spr. 27:21
De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud,

de HEER toetst het hart.

4Een boosdoener is gespitst op kwaadaardige woorden,

een bedrieger luistert graag naar verderfelijke taal.

5

17:5
Spr. 14:31
Wie een verschoppeling bespot, beledigt zijn schepper,

wie zich over iemands ongeluk verheugt, blijft niet ongestraft.

6Kleinkinderen zijn voor grootouders de kroon op hun leven,

kinderen zijn trots op hun voorouders.

7Verheven woorden passen niet bij een dwaas,

leugens des te minder bij een edel mens.

8

17:8
Spr. 17:23
Wie steekpenningen uitdeelt, denkt edelstenen uit te delen,

zo hoopt hij overal succes te hebben.

9Wie vriendschap zoekt, dekt fouten toe,

wie ze telkens oprakelt, verliest zijn vrienden.

10Een verstandig mens wordt meer geraakt door een verwijt

dan een dwaas door honderd slagen.

11Een kwaadaardig mens is alleen op ruzie uit,

er wordt een onheilsbode op hem afgestuurd.

12Beter dat je een berin ontmoet die beroofd is van haar jongen

dan een dwaas met al zijn dwaasheid.

13Als je telkens goed met kwaad vergeldt,

verdwijnt het kwaad nooit uit je huis.

14Wie een ruzie begint, ontketent een stortvloed;

staak de strijd voordat hij losbarst.

15

17:15
Ex. 23:7
Deut. 16:18-20
Wie een goddeloze vrijspreekt

en wie een rechtvaardige beschuldigt,

beiden zijn de HEER een gruwel.

16Welk nut heeft geld in de hand van een dwaas?

Dom als hij is, kan hij toch geen wijsheid kopen.

17

17:17
Sir. 6:16
Een vriend is je altijd toegedaan,

je broer is geboren om te helpen in tijden van nood.

18

17:18
Spr. 6:1
11:15
22:26-27
Sir. 29:14-20
Wie al te makkelijk een handslag geeft,

wie zomaar borg staat voor een ander,

ontbreekt het aan verstand.

19Wie van ruzie houdt, doet een ander graag geweld aan,

wie een grote mond opzet, zoekt zijn eigen ondergang.

20Wie onbetrouwbaar is, vindt geen geluk,

wie een valse tong heeft, stort zichzelf in het verderf.

21

17:21
Spr. 10:1
Wie een dwaas verwekt, zal verdriet ervaren,

er is geen vreugde voor de vader van een dwaas.

22

17:22
Spr. 14:30
Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid,

een sombere geest verzwakt het lichaam.

23

17:23
Ex. 23:8
Deut. 16:19
Een goddeloze haalt een buidel geld tevoorschijn,

hij koopt om en kromt de paden van het recht.

24

17:24
Pred. 2:14
Een verstandig mens heeft wijsheid op het oog,

een dwaas staart weg in wazige verten.

25

17:25
Spr. 10:1
Een dwaze zoon is een groot verdriet voor zijn vader,

bitterheid voor haar die hem heeft gebaard.

26Het is verwerpelijk om een onschuldige een boete op te leggen,

een edel mens zweepslagen geven is in strijd met het recht.

27

17:27
Spr. 10:19
Een verstandig mens is karig met zijn woorden,

iemand met inzicht is bezonnen.

28

17:28
Sir. 20:5
Een zwijgende dwaas wordt beschouwd als verstandig,

men denkt dat hij wijs is als hij zijn mond houdt.

18

181Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil,

hij gaat de strijd met alle wijsheid aan.

2

18:2
Spr. 12:23
Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht,

hij wil alleen zijn eigen mening kwijt.

3Waar goddeloosheid is, is verachting,

een schanddaad gaat gepaard met smaad.

4

18:4
Spr. 20:5
Sir. 21:13
De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren,

ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid.

5Het is niet goed een goddeloze te bevoorrechten

en het recht van een rechtvaardige te schenden.

6De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,

wat hij zegt leidt tot een vechtpartij.

7

18:7
Spr. 10:14
12:13
13:3
Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf,

hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt.

8

18:8
Spr. 26:22
De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op,

als een lekkernij die de buik verzadigt.

9Wie lui is in zijn werk,

werkt aan zijn eigen ondergang.

10

18:10
Ps. 61:4
De naam van de HEER is een sterke toren,

de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig.

11

18:11
Spr. 10:15
Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is,

achter een muur waant hij zich veilig.

12

18:12
Spr. 15:33
16:18
Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val,

bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

13

18:13
Sir. 11:8
Wie antwoordt zonder eerst te luisteren,

handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk.

14Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte,

maar wie geneest een zieke geest?

15

18:15
Spr. 15:14
Een verstandig mens verwerft kennis,

een wijze is gespitst op inzicht.

16

18:16
Spr. 17:8
Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf,

hij verschaft zich toegang tot de machtigen.

17Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen,

maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan.

18Het lot kan een geschil beslechten,

het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden.

19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting,

ruzie is als een vergrendelde toren.

20

18:20
Spr. 12:14
13:2
Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen,

hij voedt zich met de vruchten van zijn mond.

21

18:21
Spr. 21:23
Jak. 3:2-12
Woorden hebben macht over leven en dood,

wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.

22Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden,

hij ontvangt de gunst van de HEER.

23Een verschoppeling bidt en smeekt,

de rijkaard antwoordt hem hooghartig.

24

18:24
Spr. 27:10
Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd,

een echte vriend is meer waard dan een broer.