Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Wijsheid en Dwaasheid

91

9:1
Spr. 14:1
Wijsheid heeft haar huis gebouwd,

zeven zuilen heeft ze uitgekapt.

2Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd,

haar tafel heeft ze gedekt.

3Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd,

zelf roept zij vanaf de hoogste plaats:

4‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’

Wie geen verstand heeft roept ze toe:

5

9:5
Sir. 24:19-21
‘Kom, eet het brood dat ik je geef,

drink de wijn die ik heb gemengd.

6Wees niet langer zo onnozel,

leef, en betreed de weg van het inzicht.’

7Wie een spotter terechtwijst, wordt bespot,

wie een goddeloze de les leest, wordt belachelijk gemaakt.

8

9:8
Spr. 15:12
19:25
Wijs een spotter niet terecht, hij zou je haten,

berisp een wijze, en hij mag je graag.

9Een wijze wordt nog wijzer als je hem berispt,

een rechtvaardige vergroot zijn inzicht door wat je hem leert.

10

9:10
Job 28:28
Ps. 111:10
Spr. 1:7
Wijsheid begint met ontzag voor de HEER,

inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.

11

9:11
Spr. 3:1-2
Sir. 1:20
Door mij, Wijsheid, vermeerderen de dagen van je leven,

je levensjaren nemen door mij toe.

12Als je wijs bent, heb je er zelf voordeel van,

als je spot, benadeel je jezelf.

13Vrouwe Dwaasheid bazelt maar,

door haar domheid heeft ze nergens weet van.

14Ze zit bij de deur van haar huis,

in een zetel, hoog in de stad.

15Ze roept naar de voorbijgangers,

naar hen die rechtdoor willen gaan:

16‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’

Wie geen verstand heeft roept ze toe:

17‘Gestolen water smaakt verrukkelijk,

geroofd brood is een lekkernij.’

18Maar wie zij naar zich toe lokt

weet niet dat hij afdaalt naar de schimmen,

hij daalt af tot in het dodenrijk.

10

Spreuken van Salomo

101

10:1
1 Kon. 5:12
Spr. 15:20
17:25
19:13
Hier volgen spreuken van Salomo.

Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde,

een dwaze zoon bezorgt zijn moeder verdriet.

2

10:2
Spr. 11:4
12:28
Sir. 5:8
Oneerlijk verkregen rijkdom baat je niet,

rechtvaardigheid redt van de dood.

3

10:3
Ps. 34:10
Spr. 10:16
De HEER laat een rechtvaardige geen honger lijden,

hij geeft niet toe aan de begeerte van een goddeloze.

4

10:4
Spr. 15:19
19:15
Luie handen maken arm,

ijverige handen brengen rijkdom.

5Een zoon die in de zomer oogst, is verstandig,

slaapt hij in de oogsttijd, dan maakt hij zijn ouders te schande.

6

10:6
Spr. 11:18
Een rechtvaardige wordt rijk gezegend,

de woorden van een goddeloze verhullen geweld.

7

10:7
Ps. 112:6
Spr. 12:7
14:11
De herinnering aan een rechtvaardige strekt tot zegen,

de naam van goddelozen vergaat.

8Een wijze doet wat hem geboden wordt,

een bedrieger komt ten val.

9

10:9
Spr. 28:18
Wie onberispelijk leeft, gaat een veilige weg,

wie op kronkelpaden gaat, wordt ontmaskerd.

10

10:10
Spr. 6:13
Sir. 27:22
Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, veroorzaakt ellende,

zo’n bedrieger komt ook zelf ten val.

11De uitspraken van een rechtvaardige zijn een bron van leven,

de woorden van een goddeloze verhullen geweld.

12

10:12
Spr. 17:9
1 Petr. 4:8
Haat brengt ruzie voort,

liefde dekt alle fouten toe.

13

10:13
Spr. 19:29
26:3
Een verstandig mens spreekt wijze woorden,

een dwaas verdient de stok.

14

10:14
Spr. 18:7
Een wijze loopt niet met zijn kennis te koop,

het gebazel van een dwaas leidt tot een ramp.

15

10:15
Spr. 18:11
Sir. 8:2
Het bezit van een rijkaard is zijn vesting,

de armoede van een arme een ruïne.

16Het loon van een rechtvaardige is een gelukkig leven,

goddeloosheid leidt alleen tot zonde.

17

10:17
Spr. 15:32
Wie zich laat terechtwijzen, is op weg naar een gelukkig leven,

wie zich niet berispen laat, bevindt zich op een dwaalspoor.

18Wie heimelijk haat is een huichelaar,

wie openlijk lastert een dwaas.

19

10:19
Spr. 13:3
17:27
Pred. 5:1
Een veelprater begaat al snel een misstap,

wie zijn tong in toom houdt is verstandig.

20De uitspraken van een rechtvaardige zijn als zuiver zilver,

de gedachten van een goddeloze zijn niets waard.

21De woorden van een rechtvaardige zijn voedsel voor velen,

dwazen sterven door gebrek aan verstand.

22Alleen de zegen van de HEER maakt rijk,

zwoegen voegt daar niets aan toe.

23

10:23
Spr. 2:14
Zoals een dwaas vermaak schept in zijn slechte daden,

zo geniet een wijze van zijn inzicht.

24

10:24
Ps. 37:4
Wat een goddeloze vreest, overkomt hem,

een rechtvaardige ontvangt wat hij verlangt.

25

10:25
Spr. 12:3
Als de storm is uitgewoed, zijn de goddelozen weggevaagd,

wie rechtvaardig zijn, staan voor altijd overeind.

26

10:26
Spr. 26:6
Als azijn voor de tanden, als rook voor de ogen,

zo is een luiaard voor zijn meester.

27Wie ontzag heeft voor de HEER leeft vele jaren langer,

het leven van een goddeloze wordt bekort.

28Een rechtvaardige heeft vreugde te verwachten,

een goddeloze hoeft op niets te hopen.

29

10:29
Job 8:13
Ps. 112:10
Voor wie onberispelijk zijn weg gaat, is de HEER een vesting,

wie onrecht doet, vernietigt hij.

30

10:30
Spr. 2:21-22
Wie rechtvaardig is, zal nooit wankelen,

de goddelozen worden van de aarde weggevaagd.

31

10:31
Ps. 37:30
Een rechtvaardige spreekt wijze woorden,

de tong van leugenaars wordt uitgerukt.

32

10:32
Pred. 10:12
Wie rechtvaardig is, kiest het juiste woord,

een goddeloze neemt slechts leugens in de mond.

11

111

11:1
Deut. 25:13-16
Spr. 20:10,23
Micha 6:10-11
Een valse weegschaal is de HEER een gruwel,

zuivere gewichten zijn hem welgevallig.

2Hoogmoed leidt tot schande,

wijsheid kenmerkt wie bescheiden is.

3Wie eerlijk leeft, heeft zijn onkreukbaarheid als gids,

wie onbetrouwbaar is, gaat aan zijn oneerlijkheid ten onder.

4

11:4
Ps. 49:7-9
Spr. 10:2
Rijkdom helpt je niet op de dag dat God straft,

rechtvaardigheid redt van de dood.

5Wie rechtvaardig leeft, baant zich een rechte weg,

een goddeloze legt voor zichzelf een hinderlaag.

6Wie eerlijk leeft, wordt door zijn rechtvaardigheid gered,

wie onbetrouwbaar is, raakt verstrikt in zijn begeerte.

7

11:7
Spr. 10:28
Wanneer een goddeloze sterft, gaat al zijn hoop verloren,

van zijn rijkdom hoeft hij niets te verwachten.

8Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende,

zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze.

9Een kwaadaardig iemand richt met zijn woorden anderen te gronde,

een rechtvaardige wordt door inzicht gered.

10Als het rechtvaardigen goed gaat, is heel de stad verheugd,

als goddelozen ten onder gaan, klinkt overal gejuich.

11Door de zegen van oprechte mensen komt een stad tot bloei,

de uitspraken van goddelozen zijn haar ondergang.

12

11:12
Spr. 14:21
Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand,

iemand met inzicht zwijgt.

13

11:13
Spr. 10:19
17:27
Bij een roddelaar is een geheim niet veilig,

wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen.

14

11:14
Spr. 24:6
Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder,

een keur van raadgevers brengt het tot bloei.

15

11:15
Spr. 6:1-5
11:15
17:18
22:26-27
Sir. 29:14-20
Wie borg staat voor een vreemde brengt zichzelf veel schade toe,

wie zo’n handslag wantrouwt, weet zich veilig.

16Een vrouw verwerft haar eer door haar bevalligheid,

een man zijn rijkdom door zijn kracht.

17Wie liefdevol is, bewijst zichzelf een weldaad,

wie wreed is, schaadt zichzelf.

18De winst van een goddeloze is bedrieglijk,

het loon van een rechtvaardige is duurzaam.

19Wie werkelijk rechtvaardig is vindt het leven,

wie uit is op het kwaad de dood.

20

11:20
Spr. 12:22
15:9
De HEER verfoeit bedriegers,

wie eerlijk leven, zijn hem welgevallig.

21

11:21
Spr. 12:21
Zo zeker als een onrechtvaardige gestraft wordt,

zo zeker gaat het nageslacht van een rechtvaardige vrijuit.

22Schoonheid bij een vrouw zonder verstand

is een gouden ring in de snuit van een varken.

23Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds,

wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed.

24Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker,

wie gierig is, wordt arm.

25

11:25
Jes. 58:7-11
Een gulle gever zal gedijen,

wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen.

26Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt,

wie het verkoopt, wordt gezegend.

27

11:27
Spr. 5:22
12:2
Wie het goede zoekt, zal waardering vinden,

wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen.

28

11:28
Ps. 1:3
52:9-10
Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt,

een rechtvaardige komt tot bloei.

29Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug,

zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze.

30Een rechtvaardig mens plant een levensboom,

wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in.

31

11:31
1 Petr. 4:18
Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon,

zondaars en goddelozen niet minder.