Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
Hand. 16:1,12
Van Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan alle heiligen in Filippi die één zijn in Christus Jezus, en aan hun opzieners en dienaren. 2Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

3Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, 4telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, 5omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. 6

1:6
Filip. 1:10
2:16
Ik ben ervan overtuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus.

7Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is, of ik nu gevangenzit of de waarheid van het evangelie verdedig. 8

1:8
Rom. 1:9
God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus. 9En ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fijnzinnigheid, 10zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, 11
1:11
Jak. 3:18
vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God.

Gevangen omwille van Christus Jezus

12U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is overkomen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt verspreid. 13Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit omwille van Christus. 14Bovendien durven de meeste broeders en zusters, omdat ze door mijn gevangenschap vertrouwen in de Heer hebben gekregen, de boodschap nu nog onbevreesder te verkondigen. 15Sommigen doen het weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen Christus met goede bedoelingen. 16Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen. 17Maar de eersten verkondigen Christus uit geldingsdrang, met onzuivere bedoelingen, om mijn gevangenschap te verzwaren.

18Maar wat doet het er eigenlijk toe! Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt verheugt me. En mijn vreugde is blijvend, 19

1:19
2 Kor. 1:11
omdat ik weet dat dit alles door uw gebed en de hulp van de Geest van Jezus Christus tot mijn redding leidt. 20Het is mijn stellige hoop en verwachting dat ik mij nergens voor zal hoeven te schamen, maar dat Christus bij alles wat mij overkomt in alle openheid geëerd zal worden, of ik nu in leven blijf of moet sterven. 21
1:21-23
2 Kor. 5:8
Want voor mij is leven Christus en sterven winst. 22Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik moet kiezen. 23Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; 24anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven. 25Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt. 26Wanneer ik bij u terugkeer, hebt u des te meer reden om u op Christus Jezus te laten voorstaan.

Aansporing tot volharding en eensgezindheid

27

1:27
1 Tes. 2:12
Leef in overeenstemming met het evangelie van Christus, zodat ik kan horen, of straks zelf kan zien, dat u één van geest bent en samen voor het geloof in het evangelie strijdt. 28Laat u op geen enkele manier door uw tegenstanders angst aanjagen, want dat is een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered. 29Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van hem te lijden. 30U voert dezelfde strijd die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer.

2

21Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zo veel ontferming en medelijden, 2

2:2
1 Kor. 1:10
maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. 3
2:3
Rom. 12:10
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf. 4Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. 5Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6
2:6-11
Kol. 1:15-20
Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, 7
2:7
Jes. 53:3
Mat. 20:28
2 Kor. 8:9
maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, 8heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. 9
2:9
Ef. 1:22
Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10
2:10-11
Jes. 45:23
Rom. 14:11
opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.

12Geliefde broeders en zusters, u bent altijd gehoorzaam geweest toen ik bij u was. Wees het des te meer nu ik niet bij u ben. Blijf u inspannen voor uw redding, en doe dat in diep ontzag voor God, 13want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het hem behaagt. 14Doe alles zonder morren en tegenspreken, 15

2:15
Deut. 32:5
Dan. 12:3
Mat. 5:14-16
17:17
opdat u zuiver en smetteloos bent, onberispelijke kinderen van God te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen u schittert als sterren aan de hemel. 16
2:16
2 Kor. 1:14
Gal. 4:11
Filip. 1:6
Houd daarbij vast aan het woord dat leven brengt. Dan kan ik op de dag van Christus trots zijn omdat ik me niet voor niets heb ingespannen en afgemat. 17
2:17
2 Tim. 4:6
Ook al zou mijn bloed als een offer worden uitgegoten, samen met het offer dat u brengt door de dienst van uw geloof, toch ben ik vol vreugde, samen met u allen. 18Wees dus ook vol vreugde, samen met mij.

Timoteüs en Epafroditus naar Filippi

19In vertrouwen op de Heer Jezus hoop ik dat ik Timoteüs snel naar u toe kan sturen; het zal mij goeddoen te weten hoe het met u gaat. 20Er is verder niemand die zich net zo oprecht als ik om u bekommert, 21

2:21
Filip. 1:15-17
want alle anderen jagen alleen hun eigen belangen na in plaats van die van Jezus Christus. 22U weet dat hij betrouwbaar is en dat hij zich samen met mij, als een kind met zijn vader, voor het evangelie heeft ingezet. 23Hem hoop ik dus te sturen, zodra het duidelijk is wat er met me zal gebeuren. 24
2:24
Filip. 1:25-26
De Heer geeft mij het vertrouwen dat ik zelf ook spoedig kan komen.

25Ik vind het nodig Epafroditus naar u terug te sturen. Hij is mijn broeder, medewerker en medestrijder geweest, en heeft mij namens u bijgestaan in mijn nood. 26Maar hij verlangt ernaar u allen weer te zien en maakt zich grote zorgen, omdat u van zijn ziekte hebt gehoord. 27Hij was inderdaad ziek en is bijna gestorven, maar God heeft zich over hem ontfermd. En niet alleen over hem, ook over mij: hij heeft me nog meer verdriet bespaard. 28Ik stuur hem nu zo snel mogelijk; dan kunt u weer verheugd zijn wanneer u hem terugziet en heb ik minder zorgen. 29Verwelkom hem vol vreugde als iemand die één is met de Heer. Houd mensen zoals hij in ere; 30hij heeft immers door zijn werk voor Christus oog in oog met de dood gestaan. Hij heeft zijn leven op het spel gezet om mij de hulp te geven die u niet kon bieden.

3

Laat de Heer uw vreugde blijven

31

3:1
Filip. 4:4
Voor het overige, broeders en zusters, laat de Heer uw vreugde blijven. Ik heb er geen moeite mee te herhalen wat ik u al geschreven heb; het is voor uw eigen bestwil. 2Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze! 3
3:3
Kol. 2:11
Wij zijn het die besneden zijn, wij verrichten onze dienst door de Geest van God en laten ons voorstaan op Christus Jezus, niet op onszelf, 4
3:4-6
2 Kor. 11:22-23
3:4
2 Kor. 11:18
hoewel ik redenen genoeg zou hebben om op mezelf te vertrouwen. Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker. 5
3:5-6
Gal. 1:13
3:5
Hand. 23:6
26:5
Rom. 11:1
Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een farizeeër 6
3:6
Hand. 8:3
1 Kor. 15:9
en heb de gemeente fanatiek vervolgd. Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig. 7Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 8Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen 9en één met hem zijn – niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus. 10
3:10-11
Rom. 6:5
Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.

12Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft. 13Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. 14Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept. 15Hierop moeten wij ons allen als volmaakte mensen richten. Mocht u er op enig punt anders over denken, dan zal God het u wel duidelijk maken. 16In ieder geval, laten we op de ingeslagen weg voortgaan.

17

3:17
1 Kor. 4:16
11:1
2 Tes. 3:7
1 Petr. 5:3
Volg mij na, broeders en zusters, en kijk naar hen die leven volgens het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. 18
3:18-19
Rom. 16:18
Ik heb u al vaak gezegd, en zeg nu zelfs met tranen in mijn ogen: velen leven als vijand van het kruis van Christus 19en gaan hun ondergang tegemoet. Hun god is hun buik, hun eer is schaamteloosheid en hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken. 20Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21
3:21
Rom. 8:29
1 Kor. 15:49
Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.