Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Voorschriften bij onreinheid en ontrouw

51

5:1-3
Deut. 23:10-15
De HEER zei tegen Mozes: 2
5:2
Lev. 13:45-46
15:2-3
Num. 19:11-16
‘Geef de Israëlieten opdracht om iedereen die aan huidvraat lijdt of onrein vocht verliest en iedereen die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, het kamp uit te sturen. 3Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Stuur hen weg, want anders verontreinigen ze het kamp, waarin ik te midden van het volk woon.’ 4De Israëlieten deden wat de HEER tegen Mozes gezegd had en stuurden hen het kamp uit.

5De HEER zei tegen Mozes: 6

5:6
Lev. 5:15-26
‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een ander iets misdaan heeft en daarmee ontrouw is geworden aan de HEER en schuld op zich geladen heeft, 7moet zo iemand openlijk uitspreken wat hij heeft misdaan en een volledige schadevergoeding, vermeerderd met een vijfde, betalen aan degene die hij heeft benadeeld. 8Is er niemand aan wie de schuld vergoed kan worden, dan valt het verschuldigde toe aan de HEER en komt het de priester ten goede, net als de ram waarmee hij de verzoeningsrite voor de schuldige voltrekt. 9Ook krijgt de priester van de heilige gaven van de Israëlieten het deel dat ze aan hem afstaan. 10De heilige gaven blijven het eigendom van wie ze aanbiedt, maar geeft iemand er iets van aan de priester, dan is dat voor hem.”’

11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Zeg tegen de Israëlieten: “Stel dat iemands vrouw hem ontrouw is geweest door overspel te plegen, 13dat een ander gemeenschap met haar heeft gehad; haar man weet er niet van, het is niet aan het licht gekomen dat ze zich verontreinigd heeft, omdat ze niet betrapt is en door niemand is aangeklaagd. 14Wanneer zo’n man zijn vrouw, die zich verontreinigd heeft, in een vlaag van jaloezie wantrouwt, of wanneer iemand uit jaloezie zijn vrouw wantrouwt zonder dat ze zich verontreinigd heeft, 15dan moet die man met zijn vrouw naar de priester gaan en als offergave voor haar een tiende efa gerstemeel meenemen. Hij mag er geen olijfolie over gieten en er geen wierook op leggen, want het is een graanoffer dat uit jaloezie voortkomt, een graanoffer dat een zonde in herinnering brengt. 16De priester laat de vrouw naar voren komen en brengt haar voor de HEER. 17Hij vult een kom met heilig water en vermengt dat met stof dat op de vloer van de tabernakel ligt. 18Nadat de priester de vrouw voor de HEER heeft gebracht, maakt hij haar hoofdhaar los en legt hij het herinneringsoffer, het graanoffer van de jaloezie, op haar handpalmen. Zelf heeft hij het bittere, vloekbrengende water in zijn hand. 19Dan spreekt de priester deze bezwering over de vrouw uit: ‘Als niemand anders dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, als u zich als gehuwde vrouw niet verontreinigd hebt door overspel te plegen, dan zal dit bittere, vloekbrengende water u niet deren. 20Maar als u zich als gehuwde vrouw verontreinigd hebt door overspel te plegen, als een ander dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, dan’ 21– zo spreekt de priester de bezwering en vervloeking over de vrouw uit – ‘zal de HEER maken dat uw naam genoemd wordt in de vervloekingen die er bij uw volk worden uitgesproken: hij zal uw schoot laten verschrompelen en uw buik laten opzwellen. 22Wanneer dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zwelt uw buik op en verschrompelt uw schoot.’ De vrouw zegt hierop: ‘Amen, amen.’ 23Dan schrijft de priester deze vervloeking op een blad en lost hij het geschrevene op in het bittere water. 24Dat bittere, vloekbrengende water moet hij de vrouw te drinken geven, zodat het in haar lichaam komt en zijn bittere uitwerking heeft. 25De priester neemt het graanoffer van de jaloezie van haar handen, biedt het de HEER als offergave aan en brengt het naar het altaar. 26Hij neemt er een handvol van af en verbrandt dat als teken van de hele offergave op het altaar. Vervolgens geeft hij de vrouw het water te drinken. 27Als ze zich verontreinigd heeft en ontrouw is geweest aan haar man, zal het vloekbrengende water dat hij haar te drinken geeft in haar lichaam zijn bittere uitwerking hebben. Haar buik zal opzwellen en haar schoot verschrompelen, en de naam van die vrouw zal bij haar volk genoemd worden wanneer men iemand vervloekt. 28Maar als de vrouw zich niet verontreinigd heeft, als ze rein is, blijft ze ongedeerd en kan ze nog zwanger worden.

29Dit is het voorschrift voor gevallen van jaloezie, als een gehuwde vrouw zich verontreinigt door overspel te plegen, 30of als een man zijn vrouw in een vlaag van jaloezie wantrouwt. De man moet de vrouw voor de HEER brengen en de priester moet dit voorschrift nauwgezet volgen. 31De man gaat vrijuit, de vrouw moet boeten voor wat ze misdaan heeft.”’

6

Voorschriften voor nazireeërs

61De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een bijzondere gelofte aflegt om zich als nazireeër aan de HEER te wijden, 3

6:3
Luc. 1:15
moet zo iemand zich onthouden van wijn en andere drank. Hij mag ook geen verzuurde wijn drinken, geen andere verzuurde drank en geen druivensap, en hij mag geen verse of gedroogde druiven eten. 4Zolang zijn nazireeërschap duurt, mag hij niets eten dat van de wijnstok afkomstig is, zelfs niet iets dat van de pitten en velletjes gemaakt wordt. 5
6:5
Recht. 13:3-5
16:17
1 Sam. 1:11
Ook mag, zolang zijn nazireeërgelofte geldt, zijn hoofd niet door een scheermes worden aangeraakt; gedurende de hele periode dat hij aan de HEER gewijd is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. 6En zolang hij aan de HEER gewijd is, mag hij niet in de buurt van een dode komen. 7Zelfs als zijn vader of moeder of zijn broer of zuster sterft, mag hij zich niet verontreinigen door bij hen te komen, want op zijn hoofd draagt hij het teken dat hij aan God gewijd is. 8Zolang zijn nazireeërschap duurt, is hij aan de HEER gewijd. 9Maar wanneer zijn hoofdhaar verontreinigd wordt doordat er geheel onverwachts in zijn nabijheid iemand sterft, moet hij zich op de zevende dag reinigen door zijn hoofdhaar af te scheren. 10Op de achtste dag moet hij de priester, bij de ingang van de ontmoetingstent, twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven brengen. 11De priester moet dan de ene duif als reinigingsoffer opdragen en de andere als brandoffer en zo verzoening voor hem bewerken, omdat hij schuld op zich heeft geladen door in de nabijheid van de dode te komen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen, 12zich opnieuw voor eenzelfde tijdsduur als nazireeër aan de HEER wijden, en een eenjarige ram als hersteloffer aanbieden. De vorige periode telt niet meer, vanwege de ontwijding van zijn nazireeërschap.

13Wanneer de periode van het nazireeërschap voorbij is, gelden de volgende voorschriften: De nazireeër moet naar de ingang van de ontmoetingstent gebracht worden, 14en daar moet hij de HEER een offergave aanbieden: een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer, een eenjarige ooi zonder enig gebrek als reinigingsoffer en een volwassen ram zonder enig gebrek als vredeoffer, 15verder een mand met ongedesemd tarwebrood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en de bijbehorende graan- en wijnoffers. 16De priester biedt dit aan de HEER aan en draagt het reinigingsoffer en het brandoffer voor de nazireeër op. 17De volwassen ram bereidt hij als vredeoffer ter ere van de HEER en hij biedt daarbij de mand met ongedesemd brood en het bijbehorende graanoffer en wijnoffer aan. 18De nazireeër scheert voor de ingang van de ontmoetingstent zijn hoofdhaar af, het teken van zijn nazireeërschap, en gooit dat in het vuur onder het vredeoffer. 19Nadat de nazireeër zijn haar afgeschoren heeft, neemt de priester een gekookt schouderstuk van de ram en een dik en een dun ongedesemd brood uit de mand, en legt dit alles op de handpalmen van de nazireeër. 20

6:20
Lev. 7:34
10:14
De priester biedt het de HEER als offergave aan. Het is heilig en bestemd voor de priester, evenals het borststuk en de rechterachterbout. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken.

21Dit zijn de voorschriften voor de nazireeër, die op grond van zijn wijding de HEER een offergave verschuldigd is. Volgens de voorschriften met betrekking tot het nazireeërschap moet hij de belofte die hij gedaan heeft nauwkeurig nakomen. Als hij het zich veroorloven kan, mag hij nog meer geven.”’

De priesterzegen

22De HEER zei tegen Mozes: 23‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen:

24

6:24
Ps. 121:7-8
“Moge de HEER u zegenen en u beschermen,

25

6:25
Ps. 4:7
31:17
moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,

26

6:26
Ps. 121:6-7
moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.”

27Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen.’
7

De inwijdingsgeschenken

71

7:1
Ex. 40:9-15,17-33
Op de dag waarop Mozes de laatste hand legde aan het opbouwen van de tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het altaar en het altaargerei; zo heiligde hij alles. 2Daarna brachten de leiders van de Israëlieten, de familiehoofden die aan het hoofd van de stammen stonden en de leiding hadden bij de inschrijving, 3de HEER geschenken: zes overhuifde wagens en twaalf ossen – elk tweetal leiders gaf gezamenlijk een wagen en ieder van hen afzonderlijk gaf een os. Toen ze die voor de tabernakel hadden gezet, 4zei de HEER tegen Mozes: 5‘Neem deze geschenken van hen aan en gebruik ze ten behoeve van de ontmoetingstent. Stel ze ter beschikking van de Levieten, afhankelijk van de taak die ieder heeft.’ 6Daarop gaf Mozes de wagens en de ossen aan de Levieten. 7
7:7
Num. 4:24-28
Aan de Gersonieten gaf hij twee wagens en vier ossen, rekening houdend met hun taken, 8
7:8
Num. 4:29-33
en aan de Merarieten gaf hij vier wagens en acht ossen, in overeenstemming met de taken die zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron, zouden verrichten. 9
7:9
Num. 4:2-15
Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij de zorg hadden gekregen voor de heiligste voorwerpen, die op de schouders gedragen moesten worden.

10De leiders van Israël brachten ook geschenken voor de inwijding van het altaar. Toen ze op de dag waarop het gezalfd werd met hun geschenken bij het altaar kwamen, 11zei de HEER tegen Mozes: ‘Laat elke dag een van hen zijn geschenken voor de inwijding van het altaar aanbieden.’

12

7:12
Num. 2:3
Degene die op de eerste dag zijn geschenken aanbood was Nachson, de zoon van Amminadab, uit de stam Juda. 13Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 14een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 15een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 16een bok als reinigingsoffer, 17en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Nachson, de zoon van Amminadab.

18

7:18
Num. 2:5
De tweede dag bood Netanel, de zoon van Suar, het hoofd van de stam Issachar, zijn geschenken aan. 19Hij schonk een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 20een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 21een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 22een bok als reinigingsoffer, 23en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Netanel, de zoon van Suar.

24

7:24
Num. 2:7
De derde dag kwam het hoofd van de Zebulonieten, Eliab, de zoon van Chelon. 25Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 26een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 27een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 28een bok als reinigingsoffer, 29en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eliab, de zoon van Chelon.

30

7:30
Num. 2:10
De vierde dag kwam het hoofd van de Rubenieten, Elisur, de zoon van Sedeür. 31Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 32een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 33een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 34een bok als reinigingsoffer, 35en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisur, de zoon van Sedeür.

36

7:36
Num. 2:12
De vijfde dag kwam het hoofd van de Simeonieten, Selumiël, de zoon van Surisaddai. 37Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 38een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 39een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 40een bok als reinigingsoffer, 41en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Selumiël, de zoon van Surisaddai.

42

7:42
Num. 2:14
De zesde dag kwam het hoofd van de Gadieten, Eljasaf, de zoon van Deüel. 43Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 44een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 45een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 46een bok als reinigingsoffer, 47en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eljasaf, de zoon van Deüel.

48

7:48
Num. 2:18
De zevende dag kwam het hoofd van de Efraïmieten, Elisama, de zoon van Ammihud. 49Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 50een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 51een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 52een bok als reinigingsoffer, 53en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisama, de zoon van Ammihud.

54

7:54
Num. 2:20
De achtste dag kwam het hoofd van de Manassieten, Gamliël, de zoon van Pedasur. 55Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 56een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 57een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 58een bok als reinigingsoffer, 59en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Gamliël, de zoon van Pedasur.

60

7:60
Num. 2:22
De negende dag kwam het hoofd van de Benjaminieten, Abidan, de zoon van Gidoni. 61Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 62een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 63een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 64een bok als reinigingsoffer, 65en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Abidan, de zoon van Gidoni.

66

7:66
Num. 2:25
De tiende dag kwam het hoofd van de Danieten, Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. 67Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 68een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 69een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 70een bok als reinigingsoffer, 71en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achiëzer, de zoon van Ammisaddai.

72

7:72
Num. 2:27
De elfde dag kwam het hoofd van de Aserieten, Pagiël, de zoon van Ochran. 73Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 74een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 75een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 76een bok als reinigingsoffer, 77en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Pagiël, de zoon van Ochran.

78

7:78
Num. 2:29
De twaalfde dag kwam het hoofd van de Naftalieten, Achira, de zoon van Enan. 79Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 80een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 81een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 82een bok als reinigingsoffer, 83en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achira, de zoon van Enan.

84Dit waren de geschenken die de leiders van de Israëlieten voor de inwijding van het altaar aanboden op de dag dat het gezalfd werd: allereerst twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren offerschalen en twaalf gouden schalen. 85Gewicht per zilveren schotel: honderddertig sjekel; gewicht per offerschaal: zeventig; in totaal wogen deze zilveren voorwerpen vierentwintighonderd sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. 86Gewicht van elk van de twaalf met reukwerk gevulde gouden schalen: tien sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom; in totaal wogen deze gouden schalen honderdtwintig sjekel. 87Verder in totaal twaalf jonge stieren, twaalf volwassen rammen en twaalf eenjarige rammen als dieren voor de brandoffers, met de bijbehorende graanoffers; twaalf bokken voor de reinigingsoffers, 88en in totaal vierentwintig jonge stieren, zestig volwassen rammen, zestig bokken en zestig eenjarige rammen als dieren voor de vredeoffers. Dat waren de geschenken die voor de inwijding van het altaar werden aangeboden, nadat het gezalfd was.

89

7:89
Ex. 25:22
33:9-11
Telkens als Mozes de ontmoetingstent binnenging om met de HEER te spreken, hoorde hij een stem die tot hem sprak vanaf een plaats boven de verzoeningsplaat op de ark met de verbondstekst, tussen de twee cherubs. Zo sprak de HEER tot hem.