Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

231Bileam droeg Balak op om daar zeven altaren te bouwen, en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. 2Balak deed wat Bileam had gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram. 3Daarna zei Bileam tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers wachten, terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen. Alles wat hij me laat zien zal ik u meedelen.’ Hij ging een kale heuvel op, 4waar God bij hem kwam. ‘Ik heb zeven altaren laten oprichten,’ zei Bileam, ‘en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.’ 5De HEER droeg Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 6Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. 7Bileam hief een orakelspreuk aan en zei:

‘Balak liet mij uit Aram komen,

uit het bergland in het oosten riep Moabs koning mij.

“Kom Jakob voor mij vervloeken,

kom Israël verwensen!”

8Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt?

Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst?

9Ik zie hen vanaf de top van de rotsen,

ik neem hen waar vanaf de heuvels,

een volk dat afgezonderd leeft,

zich niet verbindt met andere naties.

10Wie kan Jakob tellen, wie telt Israël?

Wie stelt de omvang van die stofwolk vast?

Moge ik sterven als die rechtvaardigen,

moge ik heengaan zoals zij.’

11Balak zei tegen Bileam: ‘Wat hebt u nu gedaan! Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, en nu zegent u ze.’ 12Bileam antwoordde: ‘Ik zeg niets anders dan wat de HEER mij in de mond legt.’

13‘Komt u mee naar een andere plek van waar u hen kunt zien,’ zei Balak, ‘niet het hele volk, maar wel een deel ervan. Spreek vanaf daar voor mij een vloek over hen uit.’ 14En hij nam hem mee naar de top van de Pisga, in de Sofimvlakte, bouwde zeven altaren en offerde op elk ervan een stier en een ram. 15Bileam zei tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers, ik zal daarginds wachten tot de HEER naar mij toe komt.’ 16De HEER kwam bij Bileam, hij droeg hem op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 17Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. ‘Wat heeft de HEER gezegd?’ vroeg Balak. 18Daarop hief Bileam deze orakelspreuk aan:

‘Let goed op, Balak, en luister,

zoon van Sippor, leen mij uw oor.

19

23:19
1 Sam. 15:29
Job 9:32
Rom. 11:29
Tit. 1:2
God is geen mens, dat hij zijn woord zou breken

of terug zou komen op zijn besluit.

Zou hij beloven en niet vervullen,

zijn woord geven en het niet gestand doen?

20Hij droeg mij op te zegenen.

Hij heeft gezegend – kan ik dat keren?

21Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen,

voor Israël laat zich geen rampspoed zien.

De HEER, hun God, is in hun midden,

gejubel klinkt op rond hun koning.

22

23:22
Num. 24:8
God, die hen uit Egypte leidde,

is voor hen als de horens van een wilde stier.

23

23:23
Num. 14:1
Voortekens lezen is Jakob vreemd,

van waarzeggerij houdt Israël zich ver;

God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd,

God zelf zegt tegen Israël wat hij bewerken zal.

24

23:24
Gen. 49:9
Zie, een volk richt zich op als een leeuw.

Vol majesteit verheft het zich.

Het rust pas als het zijn prooi heeft verslonden

en het bloed van zijn buit heeft gedronken.’

25Balak zei tegen Bileam: ‘Als u dan blijft weigeren hen te vervloeken, zegen hen dan tenminste niet.’ 26Bileam antwoordde hem: ‘Ik heb u toch gezegd dat ik alleen doe wat de HEER mij opdraagt?’

27Daarop zei Balak: ‘Kom met mij mee, ik zal u ergens anders naartoe brengen. Misschien dat het in Gods ogen goed is als u vanaf daar voor mij een vloek over hen uitspreekt.’ 28En hij nam hem mee naar de top van de Peor; van daar kijkt men uit over de Jesimon. 29Bileam droeg Balak op om er zeven altaren te bouwen en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. 30Balak deed wat Bileam had gezegd. Op elk altaar offerde hij een stier en een ram.

24

241Bileam begreep dat het in de ogen van de HEER goed was als hij Israël zou zegenen. Daarom ging hij niet, zoals de keren daarvoor, op zoek naar voortekens, maar keerde hij zijn gezicht naar de woestijn. 2Toen hij zijn blik liet rondgaan en Israël daar gelegerd zag, stam bij stam, werd hij door de geest van God gegrepen 3en hief hij deze orakelspreuk aan:

‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor,

zo spreekt de man wiens oog geopend is,

4zo spreekt hij die Gods woorden hoort

en ziet wat de Ontzagwekkende toont,

in vervoering, met ontsloten ogen:

5Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob,

hoe mooi uw woningen, Israël,

6als palmbomen, overal verspreid,

als tuinen langs een rivier,

als aloë’s door de HEER geplant,

als ceders langs het water.

7Israëls emmers lopen over,

zijn zaad krijgt water in overvloed.

Zijn koning wordt groter dan Agag,

zeer machtig zijn koningschap.

8

24:8
Num. 23:22
God, die hem uit Egypte leidde,

is voor hem als de horens van een wilde stier.

Vijandige volken verslindt hij,

hun botten verbrijzelt hij,

hij valt aan en vermorzelt hen.

9

24:9
Gen. 12:3
49:9
Hij gaat liggen als een leeuw,

majesteitelijk vlijt hij zich neer –

wie zou hem durven wekken?

Gezegend wie u zegent, vervloekt wie u vervloekt!’

10Toen werd Balak woedend op Bileam. Hij balde zijn vuisten en zei: ‘Ik heb u laten roepen om een vloek over mijn vijanden uit te spreken, maar u hebt hen nu al drie keer gezegend. 11Verdwijn, ga terug naar waar u vandaan komt. Ik had beloofd dat ik u rijk zou belonen, maar u loopt die beloning mis – door toedoen van de HEER.’ 12Bileam antwoordde: ‘Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: 13“Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de HEER. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de HEER zegt, zal ik zeggen.” 14Goed, ik ga terug naar mijn eigen land. Maar eerst zal ik u laten weten wat dit volk uw volk in de toekomst zal aandoen.’ 15Daarop hief hij deze orakelspreuk aan:

‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor,

zo spreekt de man wiens oog geopend is,

16zo spreekt hij die Gods woorden hoort,

die weet wat de Allerhoogste weet

en ziet wat de Ontzagwekkende toont,

in vervoering, met ontsloten ogen:

17

24:17
Gen. 49:10
Wat ik zie is niet in het heden,

wat ik waarneem is niet nabij.

Een ster komt op uit Jakob,

een scepter uit Israël.

Hij verbrijzelt Moab de slapen,

de kinderen van Set slaat hij neer.

18Het land van zijn vijand verovert hij,

het land van Edom en Seïr.

Israël wordt machtig en sterk,

19uit Jakob staat een heerser op.

Wie ontkomt uit de stad brengt hij om.’

20
24:20
Ex. 17:14
1 Sam. 15:3
Toen zag Bileam Amalek en hief hij deze orakelspreuk aan:

‘Amalek, vooraanstaand onder de volken,

zal ten slotte volledig te gronde gaan.’

21
24:21
1 Sam. 15:6
Toen zag hij de Kenieten en hief hij deze orakelspreuk aan:

‘Vast staat uw woning, Kaïn,

op een rots is uw nest gebouwd.

22Toch zult u worden weggevaagd,

weldra voert Assur u weg.’

23Ook hief hij deze orakelspreuk aan:

‘Wee! Wie blijft in leven als God dit alles uitvoert?

24

24:24
Dan. 11:30
Van de kust der Kittiërs komen schepen.

Assur en Eber onderdrukken zij,

maar ooit gaan ook zij te gronde.’

25Hierna keerde Bileam naar zijn woonplaats terug, en ook Balak ging naar huis.
25

Israël vereert de Baäl van de Peor

251

25:1-18
Num. 31:1-16
Deut. 4:3
Ps. 106:28-31
Toen de Israëlieten in Sittim verbleven, begonnen ze zich in te laten met Moabitische vrouwen. 2Deze vrouwen nodigden hen uit voor de offerplechtigheden ter ere van hun goden, en het volk at van de offers en boog zich voor die goden neer. 3
25:3
Hos. 9:10
Zo gaf Israël zich af met de Baäl van de Peor. Daarom ontstak de HEER in woede tegen Israël. 4‘Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van de HEER,’ zei hij tegen Mozes. ‘Dan zal de HEER zijn brandende toorn tegen Israël laten varen.’ 5
25:5
Ex. 18:25-26
Hierop droeg Mozes de rechters van Israël op om allen die onder hun bevoegdheid vielen en zich hadden afgegeven met de Baäl van de Peor te doden.

6Terwijl Mozes en heel Israël bij de ingang van de ontmoetingstent aan het weeklagen waren, bracht een van de Israëlitische mannen voor hun ogen toch nog een Midjanitische vrouw naar zijn tent. 7

25:7
Ex. 6:25
Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag, stond hij op, greep een speer, 8volgde de Israëliet tot in zijn slaapvertrek en doorstak hem en de vrouw, dwars door hun onderbuik. Op hetzelfde moment werden de Israëlieten van de plaag verlost. 9
25:9
1 Kor. 10:8
Aan vierentwintigduizend mensen had de plaag het leven gekost. 10De HEER zei tegen Mozes: 11‘Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht. 12
25:12-13
Ex. 32:25-29
25:12
Mal. 2:5
Sir. 45:23-26
Maak daarom bekend dat ik een vriendschapsverbond met hem sluit: 13ik beloof dat hij en zijn nakomelingen voor altijd het priesterschap zullen bekleden, omdat hij voor zijn God is opgekomen en verzoening voor de Israëlieten bewerkt heeft.’ 14De Israëliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood was, heette Zimri. Hij was een zoon van Salu, die aan het hoofd van een Simeonitische familie stond. 15De Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi. Zij was een dochter van Sur, een Midjanitisch stamhoofd. 16De HEER zei tegen Mozes: 17‘Behandel de Midjanieten als jullie vijanden en dood hen, 18want zij hebben jullie als hun vijanden behandeld door sluwe plannen tegen jullie te smeden; dat is gebleken uit de gebeurtenissen bij de Peor en ook uit wat er is voorgevallen met Kozbi, de dochter van een Midjanitische leider, iemand van hun eigen volk, die gedood werd tijdens de plaag die op de gebeurtenissen bij de Peor volgde.’

De Israëlieten opnieuw geteld

19Na de plaag

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]