Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

71Toen de muur was opgebouwd liet ik de deuren in de poorten plaatsen. Er werden poortwachters aangesteld en de tempelzangers en de Levieten kregen hun taken toegewezen. 2De verdediging van Jeruzalem droeg ik op aan mijn broer Chanani, en ook aan Chananja, de commandant van de burcht, want hij was meer dan wie ook een betrouwbaar en godvrezend man. 3Ik zei tegen hen: ‘Op het heetst van de dag mogen de poorten van Jeruzalem niet opengedaan worden, en nog tijdens hun dienst moeten de poortwachters de deuren sluiten. Vergrendel ze dan, en laat de inwoners van Jeruzalem wachtlopen, ieder op zijn post, ieder bij zijn eigen huis.’ 4De stad was weliswaar zeer uitgestrekt, maar er waren weinig inwoners en ook waren er nog nauwelijks huizen herbouwd. 5Mijn God gaf mij in om de vooraanstaande burgers, het stadsbestuur en het volk bijeen te roepen om in de registers te worden ingeschreven, en toen ontdekte ik het register van hen die destijds uit Babel waren weggetrokken. Het volgende was daarin opgetekend:

Lijst van teruggekeerde ballingen

6-7

7:6-72
Ezra 2:1-70
‘Hier volgt een lijst van inwoners van de provincie Juda die zijn teruggekeerd uit de ballingschap in Babylonië, waarheen zij eerder waren weggevoerd door koning Nebukadnessar. Zij zijn teruggekeerd met Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamani, Mordechai, Bilsan, Misperet, Bigwai, Nechum en Baäna, en vestigden zich in Jeruzalem en Juda, in hun eigen steden.

De aantallen:

Israëlitische mannen:

82172 afstammelingen van Paros

9372 afstammelingen van Sefatja

10652 afstammelingen van Arach

112818 afstammelingen van Pachat-Moab, en wel de nakomelingen van Jesua en Joab

121254 afstammelingen van Elam

13845 afstammelingen van Zattu

14760 afstammelingen van Zakkai

15648 afstammelingen van Binnuï

16628 afstammelingen van Bebai

172322 afstammelingen van Azgad

18667 afstammelingen van Adonikam

192067 afstammelingen van Bigwai

20655 afstammelingen van Adin

2198 afstammelingen van Ater, en wel de nakomelingen van Chizkia

22328 afstammelingen van Chasum

23324 afstammelingen van Besai

24112 afstammelingen van Charif

2595 afstammelingen van Gibeon

26188 inwoners van Betlehem en Netofa

27128 inwoners van Anatot

2842 inwoners van Bet-Azmawet

29743 inwoners van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot

30621 inwoners van Rama en Geba

31122 inwoners van Michmas

32123 inwoners van Betel en Ai

3352 inwoners van het andere Nebo

341254 inwoners van het andere Elam

35320 inwoners van Charim

36345 inwoners van Jericho

37721 inwoners van Lod, Chadid en Ono

383930 inwoners van Senaä.

39Priesters:

973 afstammelingen van Jedaja, en wel het geslacht van Jesua

401052 afstammelingen van Immer

411247 afstammelingen van Paschur

421017 afstammelingen van Charim.

43Levieten:

74 afstammelingen van Jesua, namelijk van Kadmiël, en wel van de nakomelingen van Hodewa.

44Tempelzangers:

148 afstammelingen van Asaf.

45Poortwachters:

138 afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai.

46Tempelknechten:

afstammelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot,

47Keros, Sia, Padon,

48Lebana, Chagaba, Salmai,

49Chanan, Giddel, Gachar,

50Reaja, Resin, Nekoda,

51Gazzam, Uzza, Paseach,

52Besai, Meünim, Nefusim,

53Bakbuk, Chakufa, Charchur,

54Baslit, Mechida, Charsa,

55Barkos, Sisera, Temach,

56Nesiach en Chatifa.

57Afstammelingen van de slaven van Salomo:

afstammelingen van Sotai, Soferet, Perida,

58Jaäla, Darkon, Giddel,

59Sefatja, Chattil, Pocheret-Hassebaïm en Amon,

60in totaal 392 tempelknechten en afstammelingen van de slaven van Salomo.

61-62Verder nog zij die kwamen uit Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addon en Immer, 642 afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. Zij konden echter niet aantonen dat de families waartoe zij behoorden Israëlitisch waren. 63Dat gold ook voor de priesterfamilies Chobaja, Hakkos en Barzillai (zij heetten zo sinds hun stamvader een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had). 64Zij zochten naar het schriftelijke bewijs dat ze in de geslachtsregisters waren ingeschreven, maar ze vonden het niet. Op grond daarvan werden ze onrein verklaard en van het priesterschap uitgesloten. 65

7:65
Ex. 28:30
Num. 27:21
Deut. 33:8
De landvoogd liet hun weten dat ze niet van de allerheiligste offergaven mochten eten totdat er een priester was die met behulp van de orakelstenen uitspraak kon doen.

66De hele gemeenschap telde in totaal 42.360 personen. 67Daarbij kwamen nog 7337 slaven en slavinnen, 245 zangers en zangeressen, 68435 kamelen en 6720 ezels.

69Een aantal familiehoofden stond een bijdrage af voor de tempeldienst, en de landvoogd gaf 1000 gouden drachmen, 50 offerschalen, 30 priestergewaden en 500 zilveren minen7:69 en 500 zilveren minen – Voorgestelde lezing. MT: ‘en 500’. voor de tempelschat. 70Enkele familiehoofden brachten voor de tempeldienst 20.000 gouden drachmen en 2200 zilveren minen bijeen, 71en de overige teruggekeerde ballingen gaven 20.000 gouden drachmen, 2000 zilveren minen en 67 priestergewaden.

72

7:72
1 Kron. 9:2
Neh. 11:3
De priesters, de Levieten, de poortwachters, de tempelzangers, een deel van het volk, de tempelknechten en alle andere Israëlieten vestigden zich in hun steden.’

Voorlezing uit de wet

Aan7:72b-8:18 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 8:1-19. het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd,

8

81verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mozes, de wet die de HEER aan Israël had opgelegd. 2Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. 3Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het kon begrijpen hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.

4Ezra, de schrijver, stond op een houten verhoging die voor deze gelegenheid was vervaardigd. Naast hem, aan zijn rechterhand, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja, en aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zecharja en Mesullam. 5Ezra stond hoger dan het volk, zodat iedereen kon zien hoe hij het boek opende, en op dat moment ging heel het volk staan. 6Ezra prees de HEER, de grote God, en heel het volk antwoordde ‘Amen, amen,’ en ze hieven hun handen op, knielden neer en bogen diep voor de HEER. 7Vervolgens legden de Levieten Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja de wet uit aan het volk, dat weer was gaan staan. 8De Levieten lazen het boek met de wet van God duidelijk voor en gaven er uitleg bij; zo verschaften ze inzicht in het gelezene. 9Nehemia – hij was de landvoogd –, Ezra, de priester en schrijver, en de Levieten die het volk uitleg gaven, zeiden tegen iedereen: ‘Deze dag is gewijd aan de HEER, uw God; rouw dus niet, en huil niet!’ Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. 10Ezra zei tegen hen: ‘Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de HEER u geeft, is uw kracht.’ 11De Levieten maanden het volk tot stilte. Ze zeiden: ‘Wees stil, dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.’ 12Toen ging iedereen eten en drinken. Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.

13De volgende dag kwamen de priesters en de Levieten en alle familiehoofden van het volk samen bij Ezra, de schrijver, om zich te verdiepen in de bepalingen van de wet. 14In de wet die de HEER hun had opgelegd en die ze bij monde van Mozes hadden ontvangen, vonden ze opgetekend dat zij, de Israëlieten, tijdens een feest in de zevende maand in loofhutten moesten wonen, 15

8:15-16
Lev. 23:33-36,39-43
Deut. 16:13-15
en dat ze in Jeruzalem en in alle andere steden het volgende bekend moesten maken: ‘Ga de bergen in en haal takken van de olijfboom, de oleaster, de mirte, de palm en andere loofbomen om er loofhutten mee te maken, zoals is voorgeschreven.’ 16De mensen gingen eropuit om takken te halen, en iedereen maakte een loofhut, op zijn dak of op zijn erf, en ook in de voorhoven van de tempel en op de pleinen voor de Waterpoort en de Efraïmpoort. 17De hele gemeenschap die uit de ballingschap was teruggekeerd maakte loofhutten en ging erin wonen. Dat hadden de Israëlieten vanaf de tijd van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag niet meer gedaan. De feestvreugde was groot. 18Iedere dag van het feest, van de eerste dag tot de laatste, werd er voorgelezen uit het boek van de wet van God. Zeven dagen vierden ze feest, en op de achtste dag was er een feestelijke samenkomst, zoals was voorgeschreven.

9

Vernieuwing van het verbond

91Op de vierentwintigste dag van deze maand kwamen de Israëlieten weer bijeen. Ze vastten en waren gehuld in boetekleren, met stof op hun hoofd. 2De geboren Israëlieten gingen apart staan van de vreemdelingen, en zij beleden schuld voor hun zonden en voor de wandaden van hun voorouders. 3Zo stonden ze daar, en gedurende een vierde deel van de dag werd er voorgelezen uit het boek van de wet van de HEER, hun God, en nog eens een vierde deel van de dag beleden ze schuld en bogen ze zich neer voor de HEER, hun God. 4Op de verhoging van de Levieten stonden Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Kenani, en met luide stem riepen zij de HEER, hun God, aan. 5De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Chasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petachja zeiden: ‘Sta op, prijs de HEER, uw God, voor eeuwig en altijd:

“Moge uw luisterrijke naam, die verheven is boven alle lof en roem, geprezen zijn. 6

9:6
Ex. 20:11
Ps. 146:6
Hand. 4:24
U alleen bent de HEER, u hebt de hemel gemaakt, de hoogste hemel en alle hemellichamen, de aarde en de zeeën met alles wat daar leeft. U geeft aan alles het leven, voor u buigen de hemelse machten. 7
9:7
Gen. 12:1
17:5
U bent de HEER, de God die Abram heeft uitgekozen, die hem uit Ur, de stad van de Chaldeeën, heeft geleid, die zijn naam veranderd heeft in Abraham. 8
9:8
Gen. 15:18-21
U hebt gezien hoe zijn hart trouw bleef aan u, u hebt een verbond met hem gesloten en hem beloofd het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten aan zijn nageslacht te geven. U hebt uw woord gehouden, u bent rechtvaardig.

9

9:9
Ex. 2:23-24
14:9-10
U zag de ellende van onze voorouders in Egypte, bij de Rietzee hoorde u hen om hulp roepen. 10
9:10
Ex. 7:8-12:30
Daarop verrichtte u tekenen en wonderen bij de farao en al zijn dienaren, bij zijn hele volk, omdat u wist hoe slecht zij onze voorouders behandelden. Zo vestigde u uw naam, die tot op heden voortleeft. 11
9:11
Ex. 14:21-29
Voor de ogen van de Israëlieten spleet u de zee, midden in de zee liepen zij op het droge. U wierp hun achtervolgers in de diepte, als een steen in kolkend water. 12
9:12
Ex. 13:21-22
Overdag leidde u hen in een wolkkolom, ’s nachts in een vuurzuil, zodat er licht was op de weg die ze moesten gaan. 13
9:13
Deut. 4:5
U daalde neer op de Sinai, u sprak met hen vanuit de hemel, u gaf hun juiste rechtsregels, deugdelijke wetten en goede voorschriften en geboden.

14

9:14
Ex. 19:18-23:33
U maakte uw heilige sabbat aan hen bekend, u gaf hun uw geboden, voorschriften en wetten bij monde van uw dienaar Mozes. 15
9:15
Ex. 16:4-15
17:1-7
Wanneer ze honger hadden gaf u hun brood uit de hemel, wanneer ze dorst hadden liet u water voor hen uit een rots stromen. U beval hun het land binnen te gaan en in bezit te nemen, het land dat u hun onder ede had beloofd. 16Maar onze voorouders hebben zich misdragen; koppig als ze waren luisterden ze niet naar uw geboden. 17
9:17
Ex. 34:6
Num. 14:1-4
Deut. 1:26-33
Ze weigerden te luisteren en ze vergaten de wonderen die u voor hen verricht had. Koppig stelden ze een nieuwe leider aan, ze wilden weer slaven worden in Egypte.9:17 in Egypte – Volgens de Septuaginta. MT: ‘in hun opstandigheid’. Maar u bent een God van vergeving, genadig en liefdevol, geduldig en zeer trouw: u verliet hen niet.

18

9:18
Ex. 32:1-4
Ze tergden u door een stierkalf te gieten en te zeggen: ‘Dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!’ 19Maar liefdevol als u bent, hebt u hen zelfs toen, daar in de woestijn, niet verlaten. Boven hen stond steeds de wolkkolom om hun bij dag de weg te wijzen, en ’s nachts was er de vuurzuil die de weg verlichtte waarlangs ze moesten gaan. 20U gaf hun uw goede geest, en zo verkregen ze inzicht; u stilde hun honger met manna, u leste hun dorst met water. 21
9:21
Deut. 8:2-4
Veertig jaar lang hebt u hen onderhouden, in de woestijn ontbrak het hun aan niets, hun kleding raakte niet versleten en hun voeten zwollen niet op. 22
9:22
Num. 21:21-35
Deut. 2:26-3:10
U gaf hun koninkrijken en volken, hun gebied verdeelde u onder hen. Ze namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon en dat van Og, de koning van Basan. 23
9:23
Gen. 15:5
22:17
Deut. 1:10
Hun kinderen maakte u zo talrijk als de sterren aan de hemel, en u bracht hen naar het land waarvan u hun voorouders had gezegd dat ze het in bezit moesten nemen.

24Hun kinderen kwamen inderdaad om het land in bezit te nemen. Voor hun ogen dwong u de Kanaänieten, de inwoners van het land, op de knieën, en u leverde de koningen en de volken die er woonden aan hen uit, zodat ze met hen konden doen wat ze wilden. 25

9:25
Deut. 6:10-11
Ze namen versterkte steden in en veroverden vruchtbare grond, ze namen huizen in bezit, vol met de mooiste goederen, en ook uitgehouwen putten, wijngaarden, olijfbomen en fruitbomen. Ze aten, ze raakten verzadigd en werden vet, ze baadden in weelde door uw grote goedheid. 26
9:26
1 Kon. 19:10
2 Kron. 24:20-22
Jer. 26:20-22
Toch kwamen ze in opstand; ze rebelleerden en traden uw wetten met voeten. Ze vermoordden uw profeten, dezelfde profeten die hen naar u wilden terugbrengen en hen daarom hadden gewaarschuwd, en ze lasterden u. 27Daarom leverde u hen uit aan hun onderdrukkers.

Wanneer ze werden onderdrukt riepen ze u aan, en u, vanuit de hemel, verhoorde hen. In uw grote liefde stuurde u bevrijders naar hen toe, en telkens weer redden die hen van hun onderdrukkers. 28

9:28
Recht. 2:11-16
Maar zodra ze weer rust hadden deden ze weer wat slecht is in uw ogen. Dan leverde u hen aan hun vijanden uit, die hen vervolgens weer overheersten, en dan riepen zij u opnieuw aan, en vanuit de hemel verhoorde u hen weer. Liefdevol als u bent, redde u hen vele malen.

29

9:29
Lev. 18:5
U waarschuwde hen, om hen terug te brengen naar uw wet, maar zij misdroegen zich, ze luisterden niet naar uw geboden en ze overtraden uw rechtsregels – terwijl ieder die ze nakomt, leven zal! Ze verzetten zich met hand en tand en hardnekkig weigerden ze te luisteren. 30
9:30
2 Kon. 17:13-18
2 Kron. 36:15-16
U had vele jaren geduld met hen, u waarschuwde hen door uw geest, bij monde van uw profeten, maar zij luisterden niet, en daarom leverde u hen uit aan de volken om hen heen. 31Maar in uw grote liefde hebt u hen niet voor altijd vernietigd. U hebt hen niet verlaten, want u bent een genadige en liefdevolle God.

32En nu, o God, grote, sterke en ontzagwekkende God, u die zich trouw houdt aan het verbond, wees niet onverschillig voor de rampspoed die ons getroffen heeft, ons en onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze profeten, onze voorouders en heel uw volk, vanaf de tijd van de Assyrische koningen tot op de dag van vandaag.

33U handelde rechtvaardig bij alles wat ons overkomen is, u bent betrouwbaar en wij zijn het die verkeerd handelden. 34Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze sloegen geen acht op de geboden en voorschriften die u hun gegeven hebt. 35Zij hadden hun eigen koninkrijk – in uw grote goedheid door u aan hen gegeven –, maar in dat ruime en vruchtbare land, het land dat u hun had gegeven, hebben ze u niet gediend. Hun wangedrag hebben ze niet opgegeven.

36Kijk naar ons: nu zijn wij slaven! In het land dat u onze voorouders hebt gegeven om er te eten van de vruchten en van al het goede dat het opbrengt, in dat land zijn wij slaven. 37Omdat wij gezondigd hebben, valt alle rijke oogst toe aan de koningen die u over ons hebt aangesteld, die over ons lichaam regeren en die met ons vee doen wat ze willen. Wij leven in grote ellende.”

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]