Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1-8
Mat. 3:1-12
Luc. 3:1-17
Joh. 1:6
Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God.1:1 Jezus Christus, Zoon van God – Andere handschriften lezen: ‘Jezus Christus’.

2

1:2
Mal. 3:1
Mat. 11:10
Het staat geschreven bij de profeet Jesaja:

‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit,

hij zal een weg voor je banen.

3

1:3
Jes. 40:3
Joh. 1:23
Luid klinkt een stem in de woestijn:

“Maak de weg van de Heer gereed,

maak recht zijn paden!”’

4
1:4
Marc. 11:30
Hand. 13:24
19:4
Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging1:4 toen Johannes de Doper naar de woestijn ging – Andere handschriften lezen: ‘toen Johannes in de woestijn doopte’. en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen. 5Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. 6
1:6
2 Kon. 1:8
Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. 7
1:7
Joh. 1:26-27
Hand. 13:25
Hij verkondigde: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken. 8
1:8
Joh. 1:33
Hand. 1:5
Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’

9

1:9-13
Mat. 3:13-4:11
Luc. 3:21-22
4:1-13
In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. 10
1:10
Joh. 1:32
Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, 11
1:11
Ps. 2:7
Jes. 42:1
Mat. 12:18
17:5
Marc. 9:7
Luc. 9:35
Hebr. 1:5
5:5
en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’

12Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. 13Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.

14

1:14-20
Mat. 4:12-22
Luc. 4:14-15
1:14
Marc. 6:17-18
Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. 15
1:15
Dan. 2:44
Mat. 3:2
Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’

Simon, Andreas, Jakobus en Johannes geroepen

16

1:16-20
Mat. 4:18-22
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. 17Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 18Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. 19Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, 20en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.

Een nieuwe leer met gezag

21

1:21-28
Luc. 4:31-37
Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. 22
1:22
Mat. 7:28-29
Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. 23Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: 24
1:24
Mat. 8:29
Joh. 6:69
‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ 25Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ 26De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw. 27Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’ 28Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.

29

1:29-39
Mat. 8:14-17
Luc. 4:38-44
Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes. 30Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. 31Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.

32’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe; 33alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. 34Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was.

35Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden. 36Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, 37en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ 38Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’

39

1:39
Mat. 4:23
9:35
Luc. 4:43-44
In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit. 40
1:40-45
Mat. 8:1-4
Luc. 5:12-16
Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 41Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ 42En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein. 43
1:43-44
Mat. 9:30
Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 44
1:44
Lev. 14:1-32
‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’ 45Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.

2

Jezus’ gezag betwist

21

2:1-12
Mat. 9:1-8
Luc. 5:17-26
Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. 2Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun Gods boodschap. 3Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 4Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. 5Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’

6Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 7

2:7
Ps. 103:3
Jes. 43:25
Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 8Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 9Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? 10Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 11
2:11
Joh. 5:8-9
‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 12
2:12
Mat. 9:33
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.

13

2:13-17
Mat. 9:9-13
Luc. 5:27-32
Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmenigte kwam naar hem toe, en hij onderwees hen. 14Toen hij verderging zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Levi stond op en volgde hem. 15Op een keer was hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen volgden hem. 16
2:16
Luc. 15:1-2
19:7
Toen de farizese schriftgeleerden zagen dat hij samen met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet hij met tollenaars en zondaars?’ 17Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’

18

2:18-22
Mat. 9:14-17
Luc. 5:33-39
De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ 19Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. 20Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten. 21Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. 22Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’

23

2:23-28
Mat. 12:1-8
Luc. 6:1-5
2:23
Deut. 23:26
Eens liep hij op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken. 24
2:24
Ex. 31:13-17
‘Kijk eens!’ zeiden de farizeeën tegen hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’ 25
2:25-26
1 Sam. 21:2-7
Maar hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? 26
2:26
Lev. 24:9
Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’ 27En hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; 28en dus is de Mensenzoon ook heer en meester over de sabbat.’

3

31

3:1-6
Mat. 12:9-14
Luc. 6:6-11
Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand. 2Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. 3Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ 4Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. 5Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. 6
3:6
Mat. 22:15-16
Marc. 8:15
12:13
De farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

Jezus, de menigte en zijn leerlingen

7

3:7-12
Mat. 4:23-25
12:15-16
Luc. 6:17-19
Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 8en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 9
3:9
Marc. 4:1
Luc. 5:1-3
Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. 10Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. 11
3:11
Marc. 1:34
Luc. 4:41
Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was.

13

3:13-19
Mat. 10:1-4
Luc. 6:12-16
Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe. 14Hij stelde twaalf van hen aan als apostel;3:14 Hij stelde twaalf van hen aan als apostel – Andere handschriften lezen: ‘Hij stelde twaalf van hen aan’. ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. 15Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. 16
3:16
Mat. 16:17-18
Joh. 1:42
De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, 17
3:17
Luc. 9:54
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), 18Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs 19
3:19
Mat. 26:25
en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.

Jezus, de schriftgeleerden en zijn verwanten

20

3:20-30
Mat. 12:22-32
Luc. 11:14-23
3:20
Marc. 2:2
Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten. 21Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren.

22

3:22
Mat. 9:34
10:25
Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul,’ en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’ 23Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? 24Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; 25als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. 26En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. 27Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 28Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, 29
3:29
Luc. 12:10
maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’ 30
3:30
Joh. 7:20
Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’

31

3:31-35
Mat. 12:46-50
Luc. 8:19-21
Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. 32Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers3:32 uw broers – Andere handschriften lezen: ‘uw broers en uw zusters’. staan buiten en zoeken u.’ 33Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ 34Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. 35Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’