Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

Het lege graf

161

16:1-8
Mat. 28:1-8
Luc. 24:1-12
Joh. 20:1-10
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. 2Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5
16:5
Marc. 9:3
Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. 6Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. 7
16:7
Mat. 26:32
Marc. 14:28
Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’

8Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.

***

Na de opstanding

9

16:9-20
Luc. 24:36-53
Hand. 1:1-11
1 Kor. 15:5
16:9
Luc. 8:2
24:10-11
Joh. 20:11-18
Toen16:9-20 In andere handschriften ontbreken deze verzen. Weer andere handschriften hebben na vers 8 en voor vers 9 nog de volgende tekst: ‘Alles wat hun opgedragen was, meldden zij in het kort aan de kring rond Petrus. Daarna stuurde Jezus zelf zijn leerlingen eropuit om van het oosten tot het westen de heilige en onvergankelijke boodschap van de eeuwige verlossing te verkondigen. Amen.’ hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. 10Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die hem hadden vergezeld en die nu om hem treurden en rouwden. 11Toen ze hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet. 12
16:12
Luc. 24:13-35
Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. 13Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14
16:14-18
Joh. 20:19-23
16:14
Luc. 24:36-49
Joh. 20:19-29
Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt. 15
16:15
Mat. 28:18-20
Marc. 13:10
Kol. 1:23
En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. 16
16:16
Joh. 3:18
Hand. 16:31
Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 17
16:17
Marc. 6:13
Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’

19

16:19
Ps. 110:1
Luc. 24:51
Hand. 1:9
7:56
Ef. 1:20
Kol. 3:1
Hebr. 10:12
Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God. 20
16:20
Hand. 14:3
Hebr. 2:3-4
En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.