Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 15:32-33
16:1-2
18:1-2
2 Kron. 27:1
28:1
29:1
Jes. 1:1
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Micha uit Moreset, toen Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden; het visioen dat hij zag over Samaria en Jeruzalem.

Het oordeel van de HEER

2

1:2
Ps. 49:2
Luister, volken, allemaal,

hoor, aarde en wie haar bewonen,

hoe God, de HEER,

tegen jullie getuigen zal

vanuit zijn heilige tempel.

3

1:3
Jes. 26:21
Amos 4:13
Zie hoe de HEER zijn verblijf verlaat, afdaalt,

en over de hoogten van de aarde schrijdt.

4

1:4
Ps. 97:5
Zach. 14:4
Onder hem smelten de bergen

en splijten de dalen

als was dat smelt voor vuur,

als water dat van een helling stort.

5Dit alles gebeurt om Jakobs misdaad,

om de zonden van het volk van Israël.

Wat is de misdaad van Jakob?

Samaria!

Wat zijn de offerhoogten van Juda?

Jeruzalem!

6

1:6
Micha 3:12
Van Samaria maak ik een ruïne,

kale grond,

alleen geschikt voor een wijngaard.

Zijn stenen stort ik in het dal,

zijn fundamenten leg ik bloot.

7Al zijn godenbeelden worden verbrijzeld,

al dat hoerenloon gaat in vlammen op.

Al die beelden zal ik vernietigen,

want met hoerenloon zijn ze betaald

en als hoerenloon zullen ze weer dienen.

8

1:8
Jes. 20:2-4
Laat mij dan klagen, laat me schreeuwen,

laat mij naakt en blootsvoets gaan,

laat mij huilen als een jakhals,

laat mij roepen als een struisvogel.

9De wonden van Samaria zijn ongeneeslijk,

ze reiken tot aan Juda,

ze raken aan de poort van mijn volk,

ze raken Jeruzalem.

10

1:10
2 Sam. 1:20
Jer. 25:34
Vertel het niet in Gat,

ween daar niet.

Wentel je in het stof

van Bet-le-Afra.

11Trek verder in gevangenschap,

bevolking van Safir,

naakt en in schande.

Ook de bevolking van Saänan

is niet ontkomen.

Een rouwklacht in Bet-Haësel,

de stad wordt jullie ontnomen.

12De bevolking van Marot

heeft gehoopt op het goede,

maar het kwaad van de HEER daalde neer

tot bij de poorten van Jeruzalem.

13Bind de wagen aan het span,

bevolking van Lachis;

in jou huist het kwaad van Israël,

de oorsprong van de zonde van Sion.

14Neem daarom afscheid van Moreset-Gat;

Achzibs werkplaatsen worden voor Israëls koningen

als een beek die plotseling droogvalt.

15Opnieuw zal ik een bezetter sturen,

bevolking van Maresa;

Israëls leiders zullen naar Adullam vluchten.

16

1:16
Jes. 22:12
Jer. 7:29
Scheer je haar af, scheer je kaal

om de kinderen die je geluk uitmaken.

Scheer je zo kaal als een gier,

want ze worden bij je weggehaald.

2

21

2:1
Ps. 36:5
Wee hun die kwaad in de zin hebben en op hun bed boze plannen smeden. Al in het ochtendgloren brengen ze die ten uitvoer, dat ligt in hun macht. 2
2:2
Jes. 5:8
Willen ze een veld? Ze roven het! Willen ze een huis? Ze nemen het! Ze maken zich meester van huizen en hun bezitters, van mensen en hun eigendom. 3Daarom – dit zegt de HEER: Over dit volk zal ik onheil brengen, een onheil dat jullie niet kunnen afschudden en waaronder jullie gebukt zullen gaan. Er wacht jullie een tijd van verschrikking! 4Dan zal dit over jullie worden gezegd, dan zal deze weeklacht klinken:

‘Het is voorbij!’ zal men zeggen.

‘We zijn reddeloos verloren.

Ons erfdeel wordt verkwanseld,

het wordt ons ontnomen,

ons land onder afvalligen verdeeld.’

5Daarom blijven jullie achter wanneer het volk van de HEER het land verdeelt. Niemand zal voor jullie het lot werpen wanneer het meetlint wordt gespannen.

6

2:6
Jes. 30:10
Amos 2:12
‘Houd op,’ zeggen zij, ‘houd op met dat geprofeteer! Komt er nooit een eind aan die beschimpingen? 7Zou dit het zijn wat het volk van Jakob is aangezegd? Verliest de HEER zo snel zijn geduld, zouden dit zijn daden zijn?’ Betekenen mijn woorden dan geen voorspoed voor wie de rechte weg gaat? 8Steeds weer stelt mijn volk zich vijandig op tegenover al wie vredelievend is.2:8 al wie vredelievend is – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. MT: ‘een mantel’. Nietsvermoedende, vreedzame voorbijgangers worden van hun mantel beroofd. 9Jullie verdrijven de vrouwen van mijn volk uit de huizen waarin zij gelukkig zijn. Jullie ontnemen hun kinderen voor altijd de luister waarmee ik hen heb bekleed. 10Sta op, ga weg, hier zul je geen rust vinden. Dit land is onrein, het brengt bederf en vreselijke vernietiging. 11
2:11
Jer. 5:31
Als er iemand was die niets dan wind en valse leugens verspreidt en profeteert: ‘Ik zie wijn en drank,’ dan zou dat voor dit volk de ware profeet zijn!

12

2:12
Deut. 30:3
Ezech. 37:15-28
Ik zal je bijeenbrengen, Jakob, je in je geheel bijeenbrengen.

Ik zal verzamelen wat er van Israël over is, ik zal het verzamelen.

Ik zal ze samenbrengen als schapen en geiten

binnen de omheining,2:12 binnen de omheining – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘van Bosra’. als een kudde in de wei;

het zal daar gonzen van de mensen.

13Hij die een bres slaat gaat voorop,

ze breken uit, ze trekken door de poort,

ze gaan erdoor naar buiten.

Hun koning gaat hun voor,

de HEER gaat aan het hoofd.

3

31En ik zei: Hoor toch, leiders van Jakob, hoor, heersers van het volk van Israël! Jullie moeten het recht toch kennen? 2

3:2
Jes. 5:20
Maar jullie haten het goede en houden van het kwaad. Jullie stropen mijn volk de huid af en rukken het vlees van hun botten. 3Zij eten hun vlees, ze stropen hun huid af en breken hun botten. Als vlees om te koken, als vlees voor de pot hakken ze mijn volk in stukken. 4
3:4
Deut. 31:17
Als ze dan tot de HEER om hulp roepen, zal hij hun niet antwoorden. Hij zal zijn gelaat voor hen verbergen vanwege het kwaad dat ze begaan.

5Dit zegt de HEER over de profeten die mijn volk misleiden, die over vrede praten zolang ze maar iets te eten krijgen en die iedereen die hen niet op hun wenken bedient de oorlog verklaren: 6Voor jullie zal het een nacht zijn zonder visioenen, donker en zonder voorspellingen. Voor die profeten zal de zon ondergaan en zal de dag veranderen in duisternis. 7De zieners zullen beschaamd staan en de waarzeggers worden te schande gemaakt: ze zullen hun mond gesloten houden, want God geeft geen antwoord. 8Ik daarentegen ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER, ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde.

9

3:9
Amos 5:7
Hoor toch wat volgt, leiders van het volk van Jakob en heersers van het volk van Israël, jullie die de gerechtigheid verafschuwen en al wat recht is krom maken, 10
3:10
Hab. 2:12
die Sion bouwen op bloed en Jeruzalem op onrecht. 11
3:11
Jes. 1:23
5:23
De leiders spreken er recht in ruil voor geschenken, de priesters geven onderricht tegen betaling, de profeten voorspellen voor geld, terwijl ze zich op de HEER beroepen en zeggen: ‘De HEER is toch in ons midden? Ons kan geen kwaad overkomen.’ 12
3:12
Jer. 26:18
Micha 1:6
Daarom, door jullie toedoen, zal de Sion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.