Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

61

6:1
Mat. 23:5
Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet. 2Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 3Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. 4Zo blijft je aalmoes in het verborgene, en jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

5En wanneer jullie bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de synagoge en op elke straathoek staan te bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 6Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

7

6:7
Pred. 5:1
Sir. 7:14
Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. 8
6:8
Mat. 6:32
Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen. 9
6:9-13
Luc. 11:2-4
6:9
Jes. 29:23
64:7-8
Bid daarom als volgt:

Onze Vader in de hemel,

laat uw naam geheiligd worden,

10

6:10
1 Mak. 3:60
Mat. 7:21
12:50
26:42
laat uw koninkrijk komen

en uw wil gedaan worden

op aarde zoals in de hemel.

11

6:11
Spr. 30:8
Geef ons vandaag het brood

dat wij nodig hebben.

12

6:12
Sir. 28:2
Mat. 18:21-35
Vergeef ons onze schulden,

zoals ook wij hebben vergeven

wie ons iets schuldig was.

13

6:13
Mat. 26:41
Joh. 17:15
2 Tes. 3:3
2 Petr. 2:9
En breng ons niet in beproeving,

maar red ons uit de greep van het kwaad.6:13 van het kwaad – Andere handschriften lezen: ‘van het kwaad. Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit tot in eeuwigheid. Amen’.

14
6:14
Sir. 28:2
Marc. 11:25
Ef. 4:32
Kol. 3:13
Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. 15
6:15
Jak. 2:13
Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven.

16

6:16
Jes. 58:5
Mat. 23:5
Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 17Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, 18zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

19

6:19-21
Luc. 12:33-34
6:19
Jes. 51:8
Jak. 5:2-3
Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. 20
6:20
Mat. 19:21
Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. 21Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.

22

6:22-23
Luc. 11:34-36
Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. 23
6:23
Pred. 2:14
Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn. Als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis!

24

6:24
Luc. 16:13
Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon. 25
6:25-34
Luc. 12:22-31
6:25
Ps. 55:23
Filip. 4:6
Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding? 26
6:26
Job 38:41
Mat. 10:31
Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij? 27Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen? 28En wat maken jullie je zorgen over kleding? Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. 29
6:29
1 Kon. 10:4-7
2 Kron. 9:13-24
Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. 30
6:30
Ps. 90:5-6
Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? 31Vraag je dus niet bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee zullen we ons kleden?” – 32
6:32
Mat. 6:8
dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. 33
6:33
Rom. 14:17
Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden. 34
6:34
Jak. 4:14
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.

7

71

7:1-6
Luc. 6:37-38,41-42
7:1
Rom. 2:1-2
14:4,10
1 Kor. 4:4-5
Jak. 5:9
Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. 2
7:2
Marc. 4:24
Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. 3Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 4Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? 5Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.

6Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren.

7

7:7-12
Luc. 11:9-13
7:7
Spr. 8:17
Jer. 29:13
Mat. 18:19
21:22
Joh. 14:13-14
Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 8Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 9Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? 10Of een slang, als het om een vis vraagt? 11
7:11
Jak. 1:17
1 Joh. 3:22
5:14-15
Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom vragen.

12

7:12
Mat. 22:40
Luc. 6:31
Rom. 13:8-10
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.

13Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. 14

7:14
Luc. 13:24
Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.

15

7:15-20
Luc. 6:43-44
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. 16
7:16
Sir. 27:6
Jak. 3:12
Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? 17
7:17
Mat. 12:33
Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. 19
7:19
Mat. 3:10
Luc. 3:8-9
Joh. 15:6
Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 20
7:20-23
Luc. 6:43-47
Zo kunnen jullie hen dus aan hun vruchten herkennen.

21Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. 22

7:22
Jer. 27:15
Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” 23
7:23
Ps. 6:9
Luc. 13:24-27
En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”

24

7:24-27
Luc. 6:46-49
7:24
Spr. 12:7
Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. 25Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots. 26En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. 27Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over.’

28

7:28-29
Marc. 1:22
Luc. 4:32
Toen Jezus deze rede had uitgesproken, waren de mensen diep onder de indruk van zijn onderricht, 29want hij sprak hen toe als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden.

8

81Hij daalde de berg af en grote mensenmassa’s volgden hem.

Genezingen en navolging

2

8:2-4
Marc. 1:40-45
Luc. 5:12-16
Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed. Hij wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 3Jezus strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ En meteen was hij gereinigd van zijn huidvraat. 4
8:4
Lev. 14:1-32
Jezus zei tegen hem: ‘Denk erom dat u er met niemand over praat, maar ga u aan de priester laten zien en breng als getuigenis voor de mensen het offer dat Mozes heeft voorgeschreven.’

5

8:5-13
Luc. 7:1-10
Toen hij Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar hem toe die hem om hulp smeekte. 6‘Heer,’ zei hij, ‘mijn slaaf ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.’ 7Jezus antwoordde hem: ‘Ik zal meegaan en hem genezen.’ 8Daarop zei de centurio: ‘Heer, ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt, u hoeft alleen maar te spreken en mijn slaaf zal genezen. 9Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn dienaar zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.’ 10Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich en hij zei tegen degenen die hem volgden: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof gevonden. 11
8:11-12
Luc. 13:28-29
Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, 12
8:12
Mat. 22:13
25:30
maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’ 13Tegen de centurio zei Jezus: ‘Ga naar huis. Zoals u het geloofd hebt, zo zal het gebeuren.’ Op hetzelfde moment genas zijn slaaf.

14

8:14-17
Marc. 1:29-34
Luc. 4:38-41
Toen Jezus het huis van Petrus was binnengegaan, zag hij diens schoonmoeder met koorts in bed liggen. 15Hij raakte haar hand aan en de koorts verdween. Ze stond op en begon voor hem te zorgen.

16Bij het vallen van de avond brachten ze vele bezetenen bij hem. Met een enkel bevel dreef hij de geesten uit, en allen die ziek waren genas hij, 17

8:17
Jes. 53:4
opdat in vervulling ging wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.’

18

8:18-22
Luc. 9:57-60
Toen Jezus de mensenmassa om zich heen zag, gaf hij bevel naar de overkant te varen. 19Maar een schriftgeleerde kwam op hem af en zei: ‘Meester, ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’ 20Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ 21Een ander, een van zijn leerlingen, zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 22Maar Jezus zei tegen hem: ‘Volg mij en laat de doden hun doden begraven.’

Naar de overkant van het meer

23

8:23-27
Marc. 4:35-41
Luc. 8:22-25
Hij stapte in de boot en zijn leerlingen volgden hem. 24Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. 25Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Heer, red ons toch, we vergaan!’ 26
8:26
Ps. 65:8
Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Toen stond hij op en sprak de wind en het water bestraffend toe, en het meer kwam geheel tot rust. 27De mensen zeiden vol verbazing: ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’

28

8:28-34
Marc. 5:1-20
Luc. 8:26-39
Toen hij aan de overkant in het gebied van de Gadarenen kwam, liepen hem vanuit de grafspelonken twee bezetenen tegemoet. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daar langs durfde te gaan. 29
8:29
Marc. 1:24
Luc. 4:34
Ze begonnen te schreeuwen en te roepen: ‘Wat hebben wij met jou te maken, Zoon van God? Ben je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?’ 30Een eind verderop liep een grote kudde varkens te grazen. 31De demonen smeekten hem: ‘Als je ons uitdrijft, stuur ons dan naar die kudde varkens.’ 32Hij antwoordde hun: ‘Vooruit!’ Ze verlieten de twee mannen en trokken in de varkens. Toen stormde de hele kudde van de steile helling af het meer in, en de dieren kwamen om in de golven. 33De varkenshoeders sloegen op de vlucht, en toen ze in de stad kwamen vertelden ze het overal rond, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. 34Nu trok de hele stad uit, Jezus tegemoet. Toen ze hem gevonden hadden, verzochten ze hem dringend hun gebied te verlaten.