Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101

10:1-15
Marc. 3:13-19
6:7-13
Luc. 9:1-6
10:1-12
10:1-4
Luc. 6:12-16
Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.

2

10:2-4
Hand. 1:13
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, 3Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4en ten slotte Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem zou uitleveren.

5Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. 6

10:6
Jer. 50:6
Mat. 15:24
Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. 7
10:7
Mat. 3:2
Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” 8Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven! 9Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee, 10
10:10
Luc. 22:35
1 Kor. 9:14
1 Tim. 5:18
schaf je voor onderweg geen reistas aan, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien. 11In elke stad en in elk dorp waar je komt, moet je uitzoeken wie het waard is je te ontvangen; blijf daar dan tot je weer verdergaat. 12Groet de bewoners van het huis dat je binnengaat. 13Laat jullie vrede over dat huis komen als het dat waard is, maar als het dat niet waard is, laat dan die vrede naar je terugkeren. 14
10:14
Hand. 13:51
En als ze je niet willen ontvangen noch naar je woorden willen luisteren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten. 15
10:15
Gen. 19:24-28
Mat. 11:24
Ik verzeker jullie: de dag van het oordeel zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad.

16

10:16
Gen. 3:1
Luc. 10:3
Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. 17
10:17-25
Mat. 24:9-13
Marc. 13:9-13
Luc. 21:12-17
Pas op voor de mensen, want ze zullen je voor het gerecht brengen en je geselen in hun synagogen. 18Jullie zullen omwille van mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen, en een getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen. 19
10:19-20
Luc. 12:11-12
10:19
Ex. 4:12
Jer. 1:6-10
Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. 20Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt. 21
10:21
Mat. 10:35
De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten terechtstellen. 22
10:22
Luc. 6:22
Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. 23Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn.

24

10:24
Luc. 6:40
Joh. 13:16
15:20
Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. 25Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken? 26
10:26-33
Luc. 12:2-9
10:26
Marc. 4:22
Luc. 8:17
Wees dus niet bang voor hen. Want niets is verborgen dat niet onthuld zal worden en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 27Wat ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken. 28Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna. 29Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. 30
10:30
Luc. 21:18
Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. 31
10:31
Mat. 6:26
Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 32
10:32
Op. 3:5
Iedereen die mij zal erkennen bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. 33
10:33
Marc. 8:38
Luc. 9:26
2 Tim. 2:12
Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal ook ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel.

34

10:34-39
Luc. 12:51-53
14:26-27
Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35
10:35-37
Mat. 10:21
Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; 36
10:36
Micha 7:6
de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! 37
10:37
Deut. 33:9
Mat. 19:29
Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard. 38
10:38-39
Mat. 16:24-25
Marc. 8:34-35
Luc. 9:23-24
Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. 39
10:39
Luc. 17:33
Joh. 12:25
Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden.

40

10:40
Mat. 18:5
Marc. 9:37
Luc. 9:48
10:16
Joh. 13:20
Wie jullie ontvangt ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft. 41Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, zal als een profeet beloond worden, en wie een rechtvaardige ontvangt omdat het een rechtvaardige is, zal als een rechtvaardige beloond worden. 42
10:42
Marc. 9:41
En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.’

11

111Toen Jezus uitgesproken was en de twaalf leerlingen zijn opdrachten had gegeven, trok hij weer verder om in hun steden onderricht te geven en er het goede nieuws te verkondigen.

Jezus en Johannes

2

11:2-15
Luc. 7:18-30
11:2
Mat. 14:3
Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe 3met de vraag: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 4Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5
11:5
Jes. 29:18-19
35:5-6
61:1
Mat. 15:31
blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’

7Toen ze weer vertrokken, begon Jezus met de mensen over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 8Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is, verkeert in koninklijke kringen. 9Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 10

11:10
Mal. 3:1
Marc. 1:2
Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” 11Ik verzeker jullie: er is onder allen die uit een vrouw geboren zijn nooit iemand opgetreden die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij. 12Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen sommigen er zelfs met geweld beslag op te leggen. 13
11:13
Luc. 16:16
Want de profetieën van alle profeten en van de wet reiken tot de dagen van Johannes. 14
11:14
Mal. 3:23
Mat. 17:10-13
Marc. 9:11-13
Luc. 1:17
Joh. 1:21
En voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou. 15Laat wie oren heeft goed luisteren!

16

11:16-19
Luc. 7:31-35
Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen:

17“Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen,

toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.”

18Want toen Johannes kwam, en niet at en dronk, zei men: “Hij is door een demon bezeten.” 19
11:19
Mat. 9:11
Nu is de Mensenzoon gekomen, hij eet en drinkt wel, en nu zegt men: “Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” En toch is de Wijsheid door heel haar optreden in het gelijk gesteld.’

20

11:20-24
Luc. 10:12-15
Daarop maakte hij de steden waar bijna al zijn wonderen hadden plaatsgevonden, het verwijt dat ze niet tot inkeer waren gekomen: 21
11:21
Jes. 23:1-18
Ezech. 26:1-21
28:20-26
Amos 1:9-10
‘Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. 22Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 23
11:23
Gen. 19:24-28
Jes. 14:13-15
En jij dan, Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan. 24Ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou.’

25

11:25-27
Luc. 10:21-22
In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26Ja, Vader, zo hebt u het gewild. 27
11:27
Joh. 1:18
3:35
10:15
Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.

28Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. 29

11:29
Jer. 6:16
Sir. 51:26-27
Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

12

Jezus en de sabbat

121

12:1-8
Marc. 2:23-28
Luc. 6:1-5
12:1
Deut. 23:26
In die tijd liep Jezus op een sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten. 2Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’ 3
12:3-4
1 Sam. 21:2-7
Hij antwoordde: ‘Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4
12:4
Lev. 24:9
hoe hij het huis van God binnenging en er met hen van de toonbroden at, terwijl noch hij noch zijn mannen daarvan mochten eten, alleen de priesters? 5En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? 6Ik zeg u: hier gaat het om meer dan de tempel! 7
12:7
1 Sam. 15:22
Hos. 6:6
Mat. 9:13
Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil ik, geen offers,” dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld. 8Want de Mensenzoon is heer en meester over de sabbat.’

9

12:9-14
Marc. 3:1-6
Luc. 6:6-11
Hij trok weer verder en kwam in hun synagoge. 10
12:10-13
Luc. 14:1-6
Daar stond iemand met een verschrompelde hand. Omdat ze Jezus wilden aanklagen, vroegen ze: ‘Is het toegestaan op sabbat te genezen?’ 11Hij antwoordde: ‘Stel dat u maar één schaap hebt en dat valt op sabbat in een kuil, wie van u zou het niet vastgrijpen en het er weer uit halen? 12
12:12
Luc. 13:15-16
En is een mens niet veel meer waard dan een schaap? Daaruit volgt dat we op sabbat goed mogen doen.’ 13Toen zei hij tegen de man: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak hem uit en er kwam weer leven in, zijn hand werd weer even gezond als de andere. 14
12:14
Joh. 5:16
De farizeeën dropen af en besloten hem uit de weg te ruimen. 15Jezus besefte dat en week uit naar elders.

Grote massa’s mensen volgden hem, en hij genas hen allen. 16Hij verbood hun uitdrukkelijk bekend te maken wie hij was. 17Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja:

18

12:18-21
Jes. 42:1-4
12:18
Mat. 3:17
‘Hier is de dienaar die ik mij gekozen heb,

die ik liefheb en in wie ik vreugde vind.

Ik zal hem vervullen met mijn geest,

aan alle volken zal hij het recht verkondigen.

19Hij zal geen woordenstrijd aangaan

en op straat zijn stem niet verheffen.

20Het geknakte riet breekt hij niet af,

noch dooft hij de kwijnende vlam,

totdat het recht dankzij hem overwint.

21Op zijn naam zullen alle volken hun hoop vestigen.’

Confrontatie met farizeeën en schriftgeleerden

22

12:22-32
Mat. 9:32-34
Marc. 3:20-30
Luc. 11:14-23
Toen bracht men een blinde bij hem die bezeten was en niet kon spreken, en hij genas hem, zodat hij weer kon spreken en zien. 23Alle omstanders stonden versteld en zeiden: ‘Zou híj de Zoon van David zijn?’ 24
12:24
Mat. 10:25
Maar de farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen.’ 25Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. 26Als Satan Satan uitdrijft, keert hij zich tegen zichzelf. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? 27En als ik inderdaad door Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! 28Maar als ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen. 29Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterkere binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die sterkere niet eerst heeft vastgebonden? Pas dan zal hij zijn huis kunnen leegroven. 30
12:30
Marc. 9:40
Luc. 9:50
11:23
Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen. 31Daarom zeg ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan niet worden vergeven. 32
12:32
Luc. 12:10
En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie kwaadspreekt van de heilige Geest zal niet worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de komende.

33

12:33-37
Mat. 7:16-20
Luc. 6:43-45
Wanneer een boom goed is, dan zijn ook zijn vruchten goed. Is een boom daarentegen slecht, dan zijn ook zijn vruchten slecht. Want aan de vruchten herkent men de boom. 34
12:34
Mat. 3:7
15:11,18
23:33
Luc. 3:7
Addergebroed! Hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u zelf slecht bent? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. 35
12:35
Luc. 6:45
Een goed mens haalt uit zijn schatkamer met goede dingen het goede tevoorschijn, terwijl een slecht mens uit zijn schatkamer met slechte dingen het slechte tevoorschijn haalt. 36Ik zeg u: van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. 37Want op grond van je woorden zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden zul je worden veroordeeld.’

38

12:38-42
Mat. 16:1-4
Marc. 8:11-12
Luc. 11:16,29-32
12:38
1 Kor. 1:22
Daarop reageerden enkele schriftgeleerden en farizeeën met een vraag: ‘Meester, we zouden graag een teken van u zien.’ 39Hij antwoordde: ‘Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. 40
12:40
Jona 2:1
Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven. 41
12:41
Jona 3:5-8
Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en hier ziet u iemand die meer is dan Jona! 42
12:42
1 Kon. 10:1-13
Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier ziet u iemand die meer is dan Salomo!

43

12:43-45
Luc. 11:24-26
Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, 44zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het leegstaat, schoongemaakt is en op orde gebracht. 45Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, die slechter zijn dan hijzelf, en zij allen nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen. Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie.’

46

12:46-50
Marc. 3:31-35
Luc. 8:19-21
Terwijl hij nog met de mensen in gesprek was, dienden zich buiten zijn moeder en zijn broers aan. Ze vroegen hem dringend te spreken. 47Iemand12:47 In andere handschriften ontbreekt dit vers. zei tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen u spreken.’ 48Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’ 49Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers. 50Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.’