Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Voorschriften omtrent reine en onreine dieren

111

11:1-47
Gen. 7:2
Lev. 20:25-26
Deut. 14:3-21
Hand. 10:9-16
De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Dit zijn de dieren die jullie mogen eten: Van alles wat op het land leeft, mogen jullie de dieren eten 3die gespleten hoeven hebben – dus hoeven die helemaal gedeeld zijn – en bovendien hun voedsel herkauwen. Die mag je eten. 4Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag je niet eten. Kamelen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. 5Klipdassen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. 6Hazen zijn herkauwers maar hebben geen gespleten hoeven en gelden daarom voor jullie als onrein. 7Zwijnen hebben wel volledig gespleten hoeven maar herkauwen niet en gelden daarom voor jullie als onrein. 8Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. Ze gelden voor jullie als onrein.

9Alles wat in het water leeft, in de zee of in de rivieren, en vinnen en schubben heeft, mag je eten. 10Maar alle kleine en grote waterdieren zonder vinnen of schubben gelden voor jullie als oneetbaar. 11Je mag er niet van eten; ook hun kadavers moet je als weerzinwekkend beschouwen. 12Alle waterdieren zonder vinnen en schubben gelden voor jullie als oneetbaar.

13De volgende vogelsoorten gelden voor jullie als oneetbaar; je mag er niet van eten en moet ze als weerzinwekkend beschouwen: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, 14de rode wouw en de verschillende soorten buizerds, 15alle soorten kraaien en raven, 16de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, 17de steenuil, de visuil, de ransuil, 18de katuil, de dwergooruil, de visarend, 19de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis.

20Ook gevleugelde insecten gelden voor jullie als oneetbaar. 21Van deze dieren mag je alleen die eten die ook een stel springpoten hebben. 22Dat zijn de verschillende soorten veldsprinkhanen, sabelsprinkhanen, krekels en dwergsprinkhanen. Die mag je wel eten. 23Alle andere gevleugelde insecten gelden voor jullie als oneetbaar.

24Wie een kadaver van een onrein dier aanraakt, is tot de avond onrein, 25en wie iets van zo’n kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. 26Dit geldt voor alle dieren die geen volledig gespleten hoeven hebben en alle dieren die niet herkauwen; deze dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver van zo’n dier aanraakt, wordt zelf ook onrein. 27Ook alle zoolgangers onder de viervoetige dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver van zo’n dier aanraakt, is tot de avond onrein, 28en wie zo’n kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Zulke dieren gelden voor jullie als onrein.

29Van de kruipende dieren gelden de volgende voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, 30gekko’s, varanen, hagedissen, skinken en kameleons. 31Deze kruipende dieren gelden voor jullie als onrein. Wie het kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein, 32en alles waarop het kadaver van zo’n dier wordt aangetroffen, is ook onrein. Houten, stoffen, leren of geitenharen gebruiksvoorwerpen die hierdoor onrein zijn geworden, moeten in water worden ondergedompeld. Ze blijven tot de avond onrein en daarna zijn ze weer rein. 33Wanneer zo’n kadaver in een aarden kruik wordt aangetroffen, is de inhoud onrein; de kruik moet worden stukgeslagen. 34Voedsel in een vat waarop zo’n kadaver is aangetroffen, is onrein wanneer het met water in aanraking is geweest; drank in zo’n vat is in alle gevallen onrein. 35Ook al het overige waarop het kadaver van een onrein dier wordt aangetroffen, is onrein. Ovens en kookstellen die met zo’n kadaver in aanraking zijn geweest, zijn en blijven onrein en moeten worden stukgeslagen. 36Een bron of een waterput echter blijft rein als er een kadaver van een onrein dier in aangetroffen wordt, maar ieder die dat kadaver aanraakt, is onrein. 37Als zo’n kadaver op zaaigoed gevonden wordt, blijft het zaad rein, 38maar als het wordt gevonden op zaad dat in water staat, geldt dat zaad voor jullie als onrein.

39Als een dier dat gegeten mag worden dood gevonden wordt en iemand raakt het kadaver aan, is hij tot de avond onrein. 40Wie van het kadaver eet, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein, en ook wie het kadaver meeneemt, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein.

41Alle dieren die op de grond rondkruipen gelden voor jullie als oneetbaar; je mag er niet van eten. 42Of ze nu op hun buik kruipen, op vier poten lopen of veelpotig zijn, je moet ze als weerzinwekkend beschouwen en mag ze niet eten. 43Jullie mogen je keel niet verontreinigen met deze kruipende dieren, je mag je niet met zulke dieren verontreinigen en zodoende onrein worden. 44

11:44
Lev. 19:2
Ik ben de HEER, jullie God. Jullie moeten heilig zijn. Wees heilig, want ik ben heilig. Verontreinig je keel niet met dieren die op de grond rondkruipen. 45
11:45
Mat. 5:48
1 Petr. 1:15-16
Ik ben de HEER, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie God te zijn. Wees heilig, want ik ben heilig.”’

46Tot zover de voorschriften omtrent de dieren die op het land leven, de vogels, alle levende wezens in het water en alle dieren die over de grond kruipen. 47Er moet onderscheid worden gemaakt tussen wat rein is en wat onrein en tussen dieren die wel en dieren die niet gegeten mogen worden.

12

Voorschriften omtrent de kraamvrouw

121De HEER zei tegen Mozes: 2

12:2
Lev. 15:19
‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een vrouw een kind baart en het is een jongen, blijft ze zeven dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. 3
12:3
Gen. 17:12
Op de achtste dag moet het kind besneden worden. 4Daarna duurt het nog drieëndertig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling; tijdens deze periode mag ze niets aanraken dat heilig is en de HEER toebehoort, en mag ze het heiligdom niet binnengaan. 5Wanneer ze een dochter baart, blijft ze veertien dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Daarna duurt het nog zesenzestig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling.

6Wanneer de periode van haar reiniging is verstreken, moet ze – of ze nu van een zoon of van een dochter bevallen is – een eenjarige ram als brandoffer aanbieden en een jonge gewone duif of een tortelduif als reinigingsoffer. Ze moet de offerdieren naar de priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent. 7Hij biedt de offers aan de HEER aan en voltrekt voor haar de verzoeningsrite. Dan is ze, na haar bloedverlies, weer rein.

Dit zijn de voorschriften omtrent de kraamvrouw, hetzij na de geboorte van een zoon, hetzij na de geboorte van een dochter. 8

12:8
Lev. 5:7
Als ze zich geen ram kan veroorloven, moet ze twee tortelduiven meebrengen of twee jonge gewone duiven, één als brandoffer en één als reinigingsoffer. De priester voltrekt voor haar de verzoeningsrite en zij is weer rein.”’

13

Voorschriften omtrent vraat

131

13:1-59
Deut. 24:8-9
De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Als iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of een van diens nakomelingen, 3die de aandoening moet bekijken. Als de priester vaststelt dat het haar op de aangetaste plek wit geworden is en de plek diep in de huid ligt, is het huidvraat en moet de priester de persoon in kwestie onrein verklaren.

4Als de huid een lichte, witte plek vertoont die niet diep in de huid ligt en het haar niet wit geworden is, moet de priester de betreffende persoon zeven dagen afzonderen. 5Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder is aangetast, moet hij hem opnieuw zeven dagen afzonderen. 6Zeven dagen later onderzoekt de priester hem nogmaals, en als de plek dof geworden is en zich niet heeft uitgebreid, moet hij hem rein verklaren. Het is dan gewone uitslag. De persoon in kwestie moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. 7Maar als hij na onderzoek door de priester rein verklaard is en de plek zich later toch uitbreidt, moet hij zich opnieuw aan de priester laten zien. 8Als de priester vaststelt dat de plek zich inderdaad heeft uitgebreid, moet hij hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat.

9Wanneer iemand dus aan een aandoening lijdt die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht. 10Als de priester een witte zwelling op de huid ziet, met wit haar erop, en er een rauwe plek ontstaan is, 11is het huidvraat in een vergevorderd stadium en moet de priester hem onrein verklaren. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is onmiskenbaar onrein. 12-13Wanneer het ernaaruit ziet dat de aandoening zich over het hele lichaam heeft uitgebreid, moet de priester de betreffende persoon nader onderzoeken. Als hij vaststelt dat de aandoening het lichaam inderdaad van hoofd tot voeten heeft aangetast, moet hij hem rein verklaren. Aangezien hij helemaal wit is geworden, is hij rein. 14Maar zodra er rauwe plekken bij hem te zien zijn, is hij onrein. 15Als de priester een rauwe plek ziet, moet hij hem onrein verklaren. De rauwe plek is onrein, het is een teken van huidvraat. 16Maar als de rauwe plek weer wit wordt, moet hij naar de priester teruggaan. 17Als de priester vaststelt dat de huid wit geworden is, moet hij hem rein verklaren; hij is dan rein.

18Als er een zweer op iemands huid verschijnt die weer geneest, 19maar er op de plaats van de zweer een witte of bleekrode zwelling of vlek ontstaat, moet die persoon zich door de priester laten onderzoeken. 20Als de priester vaststelt dat de plek diep in de huid ligt en het haar erop wit geworden is, moet hij hem onrein verklaren. Er is dan op de plek van de zweer huidvraat ontstaan. 21Maar als de priester bij het bekijken van de plek vaststelt dat het haar niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij hem zeven dagen afzonderen. 22Als de vlek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat. 23Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast, is het een litteken van de zweer en moet de priester hem rein verklaren.

24Als iemand een brandwond heeft opgelopen en de gewonde plek wordt bleekrood of wit, 25moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat het haar op de plek wit geworden is en dat de plek diep in de huid ligt, is er huidvraat ontstaan op de plaats van de brandwond en moet hij die persoon onrein verklaren. Dan is het huidvraat. 26Als de priester vaststelt dat het haar op de lichte plek niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij hem zeven dagen afzonderen. 27Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als de plek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem onrein verklaren. Dan is het huidvraat. 28Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast en dof gebleven is, is het gewoon een zwelling als gevolg van de brandwond en moet de priester hem rein verklaren. De plek is dan het litteken van de brandwond.

29Als iemand een aandoening onder zijn of haar hoofdhaar heeft, of een aandoening onder zijn baard, 30moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de aandoening diep in de huid ligt en het haar op de aangetaste plek geel en dun is, moet hij de betreffende persoon onrein verklaren. Het is dan een ziekelijke uitslag, huidvraat aan hoofd of kin. 31Als de priester echter vaststelt dat de plek niet diep in de huid ligt maar er toch geen donker haar op groeit, moet hij hem zeven dagen afzonderen. 32Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de uitslag zich in die tijd niet heeft uitgebreid, het haar op de aangetaste plek niet geel geworden is en de plek niet diep in de huid ligt, 33moet de persoon in kwestie al het haar rond de aangetaste plek afscheren. De priester zondert hem daarna opnieuw zeven dagen af. 34Op de zevende dag bekijkt de priester de plek opnieuw, en als de uitslag zich niet heeft uitgebreid en niet diep in de huid ligt, moet hij de betreffende persoon rein verklaren. Die moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. 35Maar als de huiduitslag zich uitbreidt nadat hij rein is verklaard, 36moet de priester hem opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de ziekelijke uitslag zich inderdaad heeft uitgebreid, hoeft hij niet te zoeken naar geel haar; de persoon in kwestie is dan onrein. 37Wanneer de priester later vaststelt dat de uitslag zich niet verder heeft uitgebreid en dat er donker haar op de plek groeit, is de kwaal werkelijk genezen. De betreffende persoon is dan rein en de priester moet hem rein verklaren.

38Als een man of een vrouw lichte, witte vlekken op de huid heeft, 39moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de lichte witte plekken op de huid dof zijn, is het onschuldige uitslag die de huid heeft aangetast en is die man of vrouw rein.

40Als bij een man het haar op de kruin uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. 41Ook als zijn haar aan zijn voorhoofd uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. 42Maar als er een bleekrode plek op zijn kale kruin of voorhoofd verschijnt, zou de kale plek aangetast kunnen zijn door huidvraat 43en moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de bleekrode aandoening op het kale hoofd eruitziet zoals huidvraat op de onbehaarde huid, 44is de man door huidvraat aangetast en is hij onrein. De priester moet hem onrein verklaren; hij heeft dan huidvraat aan zijn hoofd.

45Wie door huidvraat aangetast is, moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en “Onrein, onrein!” roepen. 46Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven.

47Als er plekken op wollen of linnen stof verschijnen, 48of op ketting- of inslaggaren van linnen of wol, of op leer of op iets dat van leer gemaakt is, 49en die plekken op de stof, het leer of het garen of het leren voorwerp zijn groen- of roodachtig, zou het desbetreffende voorwerp aangetast kunnen zijn door vraat en moet het aan de priester worden getoond. 50De priester moet ernaar kijken en het aangetaste voorwerp zeven dagen apart houden. 51Op de zevende dag onderzoekt hij het voorwerp opnieuw. Als hij vaststelt dat de plek op de stof, het garen of op het leren voorwerp zich in die tijd heeft uitgebreid, is het vraat. Het voorwerp is dan onrein. 52In dat geval moet hij de stof, het linnen of wollen garen of het aangetaste leren voorwerp verbranden. Aangezien het vraat betreft, moet het voorwerp in het vuur worden verbrand. 53Maar als de priester ziet dat de plek op de stof, het garen of het leren voorwerp zich niet heeft uitgebreid, 54moet hij het aangetaste voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden. 55Daarna moet hij het voorwerp opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de aangetaste plek zich weliswaar niet heeft uitgebreid, maar evenmin van kleur veranderd is, is het voorwerp toch onrein. Het moet worden verbrand, want het materiaal is volledig bedorven. 56Maar als de priester ziet dat de plek na het wassen dof geworden is, moet hij de plek uit de stof, het leer of het garen scheuren. 57Als er daarna toch weer plekken op de stof, het garen of het leren voorwerp verschijnen, gaat het om een voortwoekerende aandoening en moet het aangetaste voorwerp worden verbrand. 58Als de stof, het garen of het leren voorwerp na het wassen geen aangetaste plek meer vertoont, moet het nogmaals worden gewassen en dan is het rein.’

59Dit zijn de voorschriften die bepalen wanneer door vraat aangetaste wollen of linnen stoffen, ketting- of inslaggarens en leren voorwerpen rein of onrein moeten worden verklaard.