Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Vierde lied: Sions schuld en ondergang

41Ach, hoe heeft het goud zijn glans verloren, het zuivere goud zijn kleur;

het heilig gesteente ligt op elke straathoek uitgestrooid.

2Het edele volk van Sion, kostbaarder dan het fijnste goud –

ach, niet meer waard dan een aarden kruik, dan pottenbakkerswerk.

3

4:3
Job 39:13-17
Zelfs een jakhals biedt haar jongen haar tepels om ze te zogen,

maar mijn volk is wreed geworden, als een struisvogel in de woestijn.

4

4:4
Klaagl. 2:11-12
Dorst doet de tong van zuigelingen aan hun gehemelte kleven,

kinderen bedelen om brood, maar niemand reikt het hun aan.

5Wie altijd lekkernijen aten, gaan nu als schimmen over straat,

wie gekoesterd werden in scharlaken, speuren de mestvaalt af.

6

4:6
Gen. 19:24-25
De wandaden van mijn volk zijn groter dan de zonden van Sodom,

dat in een oogwenk werd weggevaagd, zonder dat een hand het beroerde.

7Ooit waren Sions vorsten smettelozer dan sneeuw, glanzender dan melk,

roder dan koraal was hun lichaam, als saffier hun verschijning;

8maar nu zijn ze donkerder dan roet, ze worden op straat niet herkend:

ze zijn vel over been, hun huid is droog en dor als hout.

9Beter te vallen door het zwaard dan te sterven door de honger:

verstoken van alles wat het land voortbrengt, kwijnt men weg en bezwijkt.

10

4:10
Deut. 28:53
Jer. 19:9
Klaagl. 2:20
Zachtaardige vrouwen koken hun eigen kinderen,

die hun tot voedsel dienen, in deze tijd van rampspoed voor mijn volk.

11

4:11
Klaagl. 2:3
De HEER heeft zijn woede uitgevierd, zijn brandende toorn uitgegoten,

hij heeft in Sion een vuur ontstoken dat haar fundamenten verteert.

12Dat ooit een vijand of tegenstander de poorten van Jeruzalem zou binnengaan –

de koningen der aarde noch haar bewoners konden het geloven.

13

4:13
Jer. 6:13
Ezech. 7:23
Het is om de zonden van haar profeten, om de wandaden van haar priesters:

zij hebben in haar midden het bloed van de rechtvaardigen vergoten.

14Verblind wankelden zij door de straten, en besmeurd met bloed;

niemand was er die het waagde hun kleren aan te raken.

15‘Ga weg! Onrein!’ riep men hun toe. ‘Weg! Ga weg, raak niets aan!’

Ze zijn vertrokken en doolden rond, want overal zei men: ‘Hier kunnen ze niet blijven.’

16De HEER zelf heeft hen verstrooid, hij ziet niet langer naar hen om.

Voor de priesters bestaat geen eerbied meer, voor de oudsten geen ontzag.

17

4:17
Jer. 37:7
Ezech. 29:6
We zien aldoor smachtend uit naar hulp – tevergeefs.

We staan op de uitkijk, maar het volk waarnaar wij uitzien brengt geen redding.

18De vijand volgt ons bij iedere stap, we kunnen ons niet meer buiten vertonen.

Ons einde is nabij, onze dagen zijn geteld, ja, ons einde is gekomen.

19Sneller dan adelaars in de lucht zijn onze vervolgers,

ze jagen op ons in de bergen, beloeren ons in de woestijn.

20De gezalfde van de HEER, de adem van ons leven, is in hun kuil gevangen,

hij in wiens schaduw wij hoopten te leven, te midden van de volken.

21

4:21
Jes. 51:17
Jer. 13:13
25:15-18
48:26
49:12
51:7
Ezech. 23:32-34
Hab. 2:15-16
Wees maar vrolijk en blij, Edom, jij die woont in het land Us –

toch wordt ook jou de beker aangereikt, je zult dronken worden en naakt staan.

22

4:22
Ps. 137:7
Jes. 40:2
Sion, je hebt voor je wandaden geboet, de HEER zal je niet meer verbannen;

maar jouw wandaden, Edom, zal hij bestraffen, jouw zonden worden blootgelegd.

5

Vijfde lied: gebed om mededogen

51Gedenk, HEER, wat ons is overkomen, merk toch op, zie onze smaad:

2Ons eigen land is de vreemdeling toegevallen, ons bezit de buitenlander.

3Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn weduwe geworden.

4We moeten betalen om ons eigen water te drinken, en ons hout moeten we kopen.

5We worden op de nek gezeten, we worden afgebeuld, ons wordt geen rust gegund.

6

5:6
Jer. 2:18
We zochten steun bij Egypte, vroegen Assyrië om voedsel.

7Onze voorouders hebben gezondigd; zij zijn er niet meer, nu dragen wij hun schuld.

8Slaven heersen over ons, en niemand die ons uit hun greep verlost.

9Bedreigd vanuit de woestijn halen we de oogst binnen, met gevaar voor eigen leven.

10Onze huid gloeit als een oven, door de koorts van de honger.

11Vrouwen hebben ze verkracht in Sion, meisjes in de steden van Juda.

12Vorsten hebben ze opgehangen, de oudsten worden geminacht.

13Jongemannen moeten molenstenen torsen, jongens wankelen onder een last van hout.

14De oudsten zijn verdwenen uit de poort, de jeugd staakt het snarenspel.

15De vreugde is verdwenen uit ons hart, onze reidans is veranderd in rouw.

16De kroon is van ons hoofd gevallen. Wee ons, wij hebben gezondigd!

17Dit is wat ons hart zo ziek maakt, en onze ogen troebel:

18

5:18
Jes. 34:13-15
dat de Sion nu een woestenij is, dat vossen er ronddolen.

19

5:19
Ps. 102:13
145:13
146:10
Maar u, HEER, zetelt voor eeuwig, uw troon staat vast van geslacht op geslacht.

20Waarom zou u ons voorgoed vergeten, ons voor altijd verlaten?

21

5:21
Jer. 31:18
Breng ons terug bij u, HEER, laat ons terugkeren, laat het ons gaan als voorheen.

22Werkelijk, u hebt ons geheel en al verworpen, uw toorn tegen ons is onbegrensd.