Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

Afscheidsrede van Jozua

231-2De HEER had Israël aan alle grenzen rust gegeven door het volledig van zijn vijanden te verlossen. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël, de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers bijeen. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 3U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5

23:5
Joz. 13:6
Die zal de HEER, uw God, zelf voor u uit hun land verdrijven. Dan kunt u het in bezit nemen, zoals hij heeft beloofd. 6Wees daarom zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes. Wijk daar op geen enkele manier van af. 7
23:7
Ex. 23:13
Deut. 7:1-6
Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer. 8U moet alleen de HEER, uw God, zijn toegedaan, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9De HEER verdreef grote en machtige volken voor u, niemand kon tegen u standhouden, tot op de dag van vandaag. 10
23:10
Lev. 26:8
Deut. 3:22
32:30
Hoe vaak kwam het niet voor dat slechts een van u wel duizend man achtervolgde? Dat kwam doordat het de HEER was, uw God, die voor u streed, zoals hij had beloofd. 11Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben. 12-13
23:12-13
Deut. 7:1-6
Recht. 2:2-3
Weet dat wanneer u zich van hem afwendt en bevriend raakt met die volken die nog bij u overgebleven zijn, wanneer u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, dan zal de HEER, uw God, die volken niet meer voor u verdrijven. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 14
23:14
Joz. 21:45
Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u goed beseffen dat de HEER, uw God, geen van de beloften heeft gebroken die hij u heeft gedaan. Hij heeft ze alle gestand gedaan, hij heeft er niet één gebroken. 15-16
23:15-16
Deut. 4:26
Maar zoals hij u de voorspoed heeft geschonken die hij had beloofd, zo zal hij elk mogelijk onheil over u brengen wanneer u de regels van het verbond overtreedt die hij u heeft opgelegd. Wanneer u andere goden gaat dienen en u voor ze neerbuigt, zal hij u wegvagen uit dit goede land dat hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van hem gekregen hebt.’

24

Volksvergadering in Sichem

241Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, 2

24:2
Gen. 11:27-32
sprak hij tot het volk: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. 3
24:3
Gen. 12:1-9
21:1-3
Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon 4
24:4
Gen. 25:24-26
36:6-8
46:1-7
en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 5
24:5
Ex. 3:1-12:42
Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. 6Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. 7
24:7
Ex. 14:1-31
Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, 8
24:8
Num. 21:21-35
Deut. 2:26-3:11
tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. 9
24:9-10
Num. 22:2-24:25
Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, 10maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. 11
24:11
Joz. 3:14-17
6:1-21
Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. 12
24:12
Ex. 23:28
Deut. 7:20
Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. 13
24:13
Deut. 6:10-11
Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten.

14

24:14
Gen. 35:2
Ezech. 20:7
Nu dan,’ vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 15Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.’

16Hierop antwoordde het volk: ‘Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. 17Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. 18De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.’

19

24:19
Deut. 4:24
6:15
Jozua antwoordde het volk echter: ‘U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. 20Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.’

21Maar het volk zei opnieuw: ‘Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.’

22‘In dat geval,’ antwoordde Jozua, ‘bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.’ ‘Ja, dat zijn wij,’ bevestigde het volk, 23waarop Jozua zei: ‘Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.’ 24En het volk beloofde: ‘We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.’

25Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, 26

24:26
Recht. 9:6
die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. 27‘Deze steen,’ zei hij tegen het volk, ‘is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.’ 28
24:28-31
Recht. 2:6-8
Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied.

Dood van Jozua en Eleazar

29Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. 30

24:30
Joz. 19:49-50
Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 31Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht.

32

24:32
Gen. 33:19
50:24-25
Ex. 13:19
Joh. 4:5
Hand. 7:16
De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd kesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit.24:32 De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘De nakomelingen van Jozef kregen ze [de beenderen van Jozef] in bezit’.

33Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen.