Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1
Mat. 12:40
De2:1-11 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:17-2:10. HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis. 2Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden:

3

2:3
Ps. 120:1
130:2
Klaagl. 3:55
‘In mijn nood roep ik de HEER aan

en hij antwoordt mij.

Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp –

u hoort mijn stem!

4

2:4
Ps. 42:8
U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.

Door kolkend water ben ik omgeven,

zwaar slaan uw golven over mij heen.

5

2:5
Ps. 31:23
Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.

Maar eens zal ik opnieuw

uw heilige tempel aanschouwen.

6

2:6
Ps. 69:2
Het water stijgt tot aan mijn lippen,

muren van water storten op mij neer,

zeewier om mijn hoofd verstikt mij.

7

2:7
Ps. 30:4
Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,

naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.

Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog,

o HEER, mijn God!

8Nu mijn levensadem mij verlaat

roep ik u aan, HEER,

en mijn gebed komt tot u

in uw heilige tempel.

9Zij die armzalige afgoden vereren,

verlaten u, trouwe God.

10Maar ik zal mijn stem in dank verheffen

en u offers brengen;

mijn geloften los ik in.

Het is de HEER die redt!’

11Toen, op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit op het land.
3

31Opnieuw richtte de HEER zich tot Jona: 2‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen met de woorden die ik je zeg.’ 3En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de HEER hem opgedragen had.

Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. 4

3:4
Luc. 11:30
Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’ 5
3:5
Mat. 12:41
Luc. 11:32
De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. 6
3:6
Ezech. 26:16
Toen de profetie de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. 7En hij liet in Nineve omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren mogen niet grazen of water drinken. 8
3:8
Judit 4:10
Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet. 9
3:9
Joël 2:14
Amos 5:15
Misschien dat God van gedachten verandert en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal hij zijn woede laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’ 10
3:10
Jer. 26:3
Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam hij terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen, en hij deed het niet.

4

41Dit wekte grote ergernis bij Jona en hij werd kwaad. 2

4:2
Ex. 34:6
Jona 1:3
Hij bad tot de HEER: ‘Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: u bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. 3
4:3
1 Kon. 19:4
Laat mij maar sterven, HEER: ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ 4Maar de HEER zei: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent?’

5Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten wat er met de stad zou gebeuren. 6Nu liet God, de HEER, een wonderboom opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona was opgetogen over de plant. 7Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, liet God de plant door een worm aanvreten, zodat hij verdorde. 8En toen de zon opkwam, liet God een verzengende wind uit het oosten waaien; de zon brandde zo op Jona’s hoofd dat hij door de hitte werd bevangen. Hij bad om te mogen sterven: ‘Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ 9Maar God zei tegen Jona: ‘Is het terecht dat je zo kwaad bent over die plant?’ Jona antwoordde: ‘Ik ben verschrikkelijk kwaad, en terecht!’ 10Toen zei de HEER: ‘Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen en die jij niet hebt laten groeien, een plant die in één nacht opkwam en in één nacht verging, 11zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren?’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]