Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
41

411De41:1-26 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 40:28-41:25. hoop van elke aanvaller wordt beschaamd,

alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen.

2Wie zou het wagen om hem op te schrikken?

Wie kan aantreden om met hem te strijden?

3Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten?

Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet.

4Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen,

over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte.

5Wie kan zijn opperhuid afvillen?

Wie dringt door zijn dubbele pantser41:5 pantser – Volgens de Septuaginta. MT: ‘bit’. heen?

6Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen?

Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil.

7Zijn rug is met schilden geschubd,

ondoordringbaar verzegeld.

8Ze sluiten dicht op elkaar aan

en laten niet de minste lucht door;

9het ene kleeft vast aan het andere,

aaneengesloten en onscheidbaar.

10Wanneer hij proest, flikkert het licht,

zijn ogen schitteren als de dageraad.

11Brandende fakkels komen uit zijn bek,

vonkenregens vliegen door de lucht.

12Zijn neusgaten walmen,

als een kokende ketel of rokend riet.

13Zijn adem laat kolen ontbranden,

uit zijn bek slaat een vlam.

14Zijn nek zwelt op van kracht,

zijn muil straalt niets dan verschrikking uit.

15Zijn vlees sluit dicht om hem heen,

als om hem gegoten, onwrikbaar.

16Zijn hart is hard als een rots

en hard als de onderste maalsteen.

17Komt hij overeind, dan deinzen stortzeeën terug

en wijken brekers.

18Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand,

geen speer, geen lans, geen pijl.

19IJzer beschouwt hij als stro,

brons als rot hout.

20Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog,

slingerstenen raken hem – het zijn maar stoppels.

21Voor hem is een knuppel als stro

en hij lacht om het suizen van speren.

22Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf;

als een dorsslede snijdt hij door de modder.

23Hij laat de diepten kolken,

de zee als een mengkroes zieden.

24Hij laat een spoor van lichten achter,

alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond.

25Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet,

hij is een schepsel zonder vrees.

26Op al wat hoog is kijkt hij neer,

hij is de koning van alle trotse dieren.’

42

Jobs antwoord aan God en zijn verdere lot

421Nu antwoordde Job de HEER:

2‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt

en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.

3

42:3-4
Job 38:2-3
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?

Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,

over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.

4“Luister,” zei ik, “dan zal ik spreken,

ik zal u ondervragen, zeg mij wat u weet.”

5Eerder had ik slechts over u gehoord,

maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.

6Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij,

zoals ik hier zit in het stof en het vuil.’

7Nadat de HEER deze woorden tot Job had gesproken, richtte hij zich tot Elifaz uit Teman: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job. 8Welnu, neem elk zeven jonge stieren en zeven rammen, ga daarmee naar mijn dienaar Job, zodat jullie een offer kunnen brengen voor jezelf. Job, mijn dienaar, zal voor jullie bidden, want ik ben alleen hem goedgezind. Dan zal ik jullie niet blootstellen aan schande, ook al hebben jullie niet juist over mij gesproken, zoals mijn dienaar Job.’ 9En Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma deden zoals de HEER had gezegd en de HEER was Job goedgezind. 10

42:10
Job 1:1-3
Nadat Job voor zijn vrienden had gebeden, bracht de HEER een keer in het lot van Job en hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat.

11Al zijn broers en al zijn zusters, en iedereen die hem van vroeger kende, kwamen naar zijn huis om samen met hem te eten; ze schudden hun hoofd en troostten hem, omdat de HEER zoveel rampspoed over hem had uitgestort. En elk van hen gaf hem een geldstuk en een gouden ring. 12De HEER zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere, en zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. 13Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. 14De eerste dochter noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happuch. 15In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers. 16Hierna leefde Job nog honderdveertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen opgroeien, tot in het vierde geslacht. 17En toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven.