Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
27

271Job zette zijn betoog voort:

2

27:2
Job 19:5-12
34:5
‘Ja! God heeft mij mijn recht onthouden,

de Ontzagwekkende heeft mij diep verbitterd.

3

27:3
Gen. 2:7
Job 33:4
Zolang het leven in mij ademt,

zolang Gods geest mij nog doortrekt,

4zullen mijn lippen geen onwaarheid spreken,

zal geen leugen aan mijn tong ontsnappen.

5Het laatst van al zal ik jullie gelijk erkennen,

tot aan mijn dood houd ik mijn onschuld staande.

6Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe,

over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten.

7Laat men mijn vijand een goddeloze noemen,

mijn tegenstander als boosdoener beschouwen.

8Waarop kan de misdadiger hopen,

wanneer God zijn levensdraad afsnijdt

en hem de stilte van de dood oplegt?

9Zal God zijn angstkreet horen,

als hij door rampspoed wordt getroffen?

10Kan hij zich toevertrouwen aan de Ontzagwekkende,

kan hij zijn hulp inroepen wanneer hij maar wil?

11Nu zal ik jullie onderrichten namens God,

ik zal niet verhullen wat de Ontzagwekkende van plan is.

12Jullie denken alles al gezien te hebben,

maar toch zijn jullie woorden leeg en niets dan lucht!

13

27:13
Job 20:29
Dit is wat de goddeloze toevalt van Godswege,

dit beschikt de Ontzagwekkende voor de onderdrukker:

14Al zijn zijn kinderen nog zo talrijk, allen wacht het zwaard,

geen van zijn nakomelingen zal ooit tot welstand komen.

15Hen die overleven draagt de pest ten grave,

en geen van de weduwen zal over hen rouwen.

16Al hoopt hij zilver op alsof het stof is,

en al vergaart hij kleren alsof het leem is –

17hoeveel hij er ook vergaart: de rechtvaardige zal ze dragen

en het zilver zal aan de onschuldige toevallen.

18

27:18
Job 8:14
Zijn huis is broos als het omhulsel van een mot,

wankel als de hut van een wachter in het veld.

19Rijk gaat hij slapen – voor het laatst:

wanneer hij zijn ogen opent, is zijn bezit vergaan.

20Een vloed van verschrikkingen overvalt hem,

’s nachts sleurt een wervelstorm hem mee.

21De oostenwind neemt hem op – en hij is spoorloos,

weggeslingerd van zijn plaats.

22God gaat zonder mededogen tegen hem tekeer,

al probeert hij te ontsnappen uit zijn greep.

23Zijn ondergang wordt met gejoel begroet,

waar hij vroeger woonde wordt hij nagefloten.’

28

Over de wijsheid

281Er is een plaats waar zilver wordt gewonnen,

een plaats waar goud gewassen wordt.

2IJzer wordt uit de aarde opgedolven

en koper wordt uit erts gesmolten.

3De mens verdrijft de duisternis,

hij dringt door tot in het binnenste der aarde,

tot aan de steen van diepst verborgen donkerte.

4Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid,

tot waar zijn voet geen steun meer vindt

en hij verloren in de leegte hangt.

5Op de aarde schiet het koren op,

maar diep in haar woelt een vuur.

6Daar zijn de stenen van saffier,

daar is het stof van gouden korrels.

7De roofvogel kent niet het pad daarheen,

het haviksoog ontdekt het niet.

8De trotse dieren zullen het nooit betreden,

ook de leeuw waagt zich er niet.

9De mens zet het houweel in het gesteente,

hij keert de bergen om vanaf hun voet.

10In de rotsen hakt hij tunnels uit

en zijn oog ontdekt hun kostbaarheden.

11Hij damt de ondergrondse stromen in

en brengt naar het licht wat diep verborgen is.

12

28:12
Pred. 7:24
Sir. 1:6
Bar. 3:15
Maar de wijsheid – waar moet je haar zoeken,

en het inzicht – waar is het te vinden?

13

28:13
Bar. 3:29-31
Geen sterveling kent de weg erheen,

de wijsheid is niet in het land der levenden.

14De oervloed zegt: ‘Ze is niet bij mij,’

de diepste zee: ‘Bij mij evenmin.’

15

28:15
Wijsh. 7:9
De wijsheid is niet te koop voor enig goud,

noch kan ze in zilver worden afgewogen.

16Kostbaarder is ze dan het goud van Ofir,

dan de duurste onyx of saffier.

17Ze wordt niet geëvenaard door goud of glas,

niet verworven voor schalen van het fijnste goud.

18Vergelijk haar niet met robijnen of kristallen,

een buidel wijsheid is meer waard dan parels.

19Topaas uit Nubië kan haar niet evenaren,

ze is kostbaarder dan zuiver goud.

20Maar van waar stamt de wijsheid dan,

en het inzicht – waar is het te vinden?

21De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden,

ook aan de vogels in de lucht laat ze zich niet zien.

22De afgrond en de dood, ze zeggen beide:

‘Onze oren kennen haar slechts bij geruchte.’

23

28:23
Bar. 3:32
Maar God kent haar wegen

en hij weet waar ze verblijft.

24

28:24-27
Spr. 8:27-30
28:24-26
Job 36:27-33
28:24
Jes. 40:12
Want hij ziet tot aan de randen van de aarde,

onder heel de hemel ontsnapt niets aan zijn blik.

25Toen hij de kracht schiep van de winden

en de wateren omgrensde,

26toen hij zijn wet oplegde aan de regen

en de wegen van de donderwolken baande,

27

28:27
Sir. 1:9,19
zag hij de wijsheid en hij toetste haar,

hij peilde en doorgrondde haar.

28

28:28
Ps. 111:10
Spr. 8:13
9:10
En hij sprak tot de mens:

‘Ontzag voor de Heer – dat is wijsheid;

het kwaad mijden – dat is inzicht.’

29

Slot van Jobs betoog

291Job zette zijn betoog voort:

2‘Was alles maar als in de dagen van weleer,

als in de dagen dat God over mij waakte,

3in de tijd dat zijn lamp boven mij scheen

en mijn weg door het donker verlichtte,

4

29:4
Job 1:10
in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat,

met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis,

5toen de Ontzagwekkende met mij verkeerde

en mijn kinderen bij mij waren,

6

29:6
Job 20:17
toen ik mijn voeten in room liet baden

en voor mij een stroom van olie uit de rots opwelde.

7

29:7-13
Wijsh. 8:10-12
Wanneer ik naar de stadspoort ging

om mijn plaats op het plein in te nemen,

8trokken de jongeren zich terug zodra ze me zagen,

en stonden de ouderen op om mij te begroeten.

9De aanzienlijken staakten hun gesprekken

en legden eerbiedig een hand op hun mond,

10de stemmen van de edelen verstomden

en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

11Ieder die mij hoorde prees mijn woorden,

ieder die mij zag had niets dan lof,

12

29:12
Ps. 72:12
omdat ik de arme redde die om hulp riep,

en de wees die in de steek gelaten was.

13Ik werd gezegend door de stervende,

in het hart van de weduwe bracht ik de vreugde terug.

14

29:14
Jes. 59:17
Ik kleedde mij in gerechtigheid en deze kleedde mij,

het recht was mij een mantel en een tulband.

15Ogen was ik voor de blinde,

voeten was ik voor de lamme.

16Voor de behoeftigen was ik een vader,

ik verdedigde de zaak van vreemdelingen.

17

29:17
Spr. 30:14
Ik brak de kaken van de boosdoener

en ontrukte de prooi aan zijn tanden.

18En ik zei bij mezelf: Ik zal sterven in mijn nest,

als een feniks zal ik mijn dagen vermenigvuldigen,

19met mijn wortels gestrekt naar het water

en de dauw van de nacht op mijn takken,

20met mijn eer die nooit zal verbleken,

de boog in mijn hand steeds weer gespannen.

21Zij luisterden vol verwachting naar mij,

ze zwegen om te horen wat ik hun zou raden.

22Wanneer ik had gesproken waren ze stil,

mijn woorden daalden zacht op hen neer.

23

29:23
Deut. 32:2
En ze keken naar mij uit als naar de regen,

ze openden hun mond als voor de lentedruppels.

24

29:24
Spr. 16:15
Ik lachte hun toe – zij waren verrast,

en deden alles om mij niet te misnoegen.

25Ik wees hun de weg en nam plaats als hun leider,

zoals een koning bij zijn legers woont,

ik was de trooster van de treurenden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]