Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
25

Bildads derde betoog

251Toen nam Bildad uit Suach het woord:

2‘Heersen en ontzetting zaaien – dat is God,

tot in de hoogste hemel dwingt hij vrede af.

3Zijn de troepen van zijn leger niet ontelbaar?

Kan iemand zich verbergen voor zijn licht?

4

25:4
Job 4:17
15:14
Kan een mens zich gedragen zoals God het wil,

kan een mens, geboren uit een vrouw, ooit zuiver zijn?

5Voor God schijnt zelfs de maan niet helder,

zelfs de sterren zijn onzuiver in zijn ogen.

6Wat vermag dan de mens, een worm slechts,

wat kan het mensenkind, een made!’

26

Jobs antwoord op Bildads derde betoog

261Hierop antwoordde Job:

2‘Heb jij dan hulp geboden aan de machteloze,

heb jij de arm gesteund die het aan kracht ontbrak?

3Wat heb jij tegen hem gezegd die de wijsheid mist,

heb jij goede raad gegeven aan de onervarenen?

4

26:4
1 Kon. 22:22
En wie heeft jou je woorden ingefluisterd,

wiens geest spreekt door jouw mond?

5De schimmen worden aan het sidderen gebracht,

de onderaardse wateren en hun bewoners.

6

26:6
Ps. 139:8
Spr. 15:11
Het dodenrijk ligt open voor hem:

niets in de afgrond blijft verborgen.

7

26:7
Job 38:6
Hij strekt het noorden uit boven de woeste leegte,

en hangt de aarde op – boven het niets.

8Hij laat de wolken zwellen van het water,

maar ze splijten niet onder hun gewicht.

9Hij bedekt de aanblik van zijn troon

en spreidt er een wolk over uit.

10

26:10
Gen. 1:7
Hij trekt een cirkel rond de wateren,

langs de verste grens van licht en duisternis.

11De hemelzuilen schudden heen en weer

en zijn verbijsterd, zo vervaarlijk is hij.

12Met zijn kracht doet hij de zee bedaren

en met zijn vaardigheid verdelgt hij Rahab.

13

26:13
Jes. 27:1
Met zijn adem blaast hij de hemel schoon,

zijn hand doorboort de kronkelende slang.

14En dat is nog maar het minste van zijn kunnen;

wij vangen van zijn woorden slechts gefluister op.

Wie kan de donder van zijn kracht bevatten?’

27

271Job zette zijn betoog voort:

2

27:2
Job 19:5-12
34:5
‘Ja! God heeft mij mijn recht onthouden,

de Ontzagwekkende heeft mij diep verbitterd.

3

27:3
Gen. 2:7
Job 33:4
Zolang het leven in mij ademt,

zolang Gods geest mij nog doortrekt,

4zullen mijn lippen geen onwaarheid spreken,

zal geen leugen aan mijn tong ontsnappen.

5Het laatst van al zal ik jullie gelijk erkennen,

tot aan mijn dood houd ik mijn onschuld staande.

6Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe,

over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten.

7Laat men mijn vijand een goddeloze noemen,

mijn tegenstander als boosdoener beschouwen.

8Waarop kan de misdadiger hopen,

wanneer God zijn levensdraad afsnijdt

en hem de stilte van de dood oplegt?

9Zal God zijn angstkreet horen,

als hij door rampspoed wordt getroffen?

10Kan hij zich toevertrouwen aan de Ontzagwekkende,

kan hij zijn hulp inroepen wanneer hij maar wil?

11Nu zal ik jullie onderrichten namens God,

ik zal niet verhullen wat de Ontzagwekkende van plan is.

12Jullie denken alles al gezien te hebben,

maar toch zijn jullie woorden leeg en niets dan lucht!

13

27:13
Job 20:29
Dit is wat de goddeloze toevalt van Godswege,

dit beschikt de Ontzagwekkende voor de onderdrukker:

14Al zijn zijn kinderen nog zo talrijk, allen wacht het zwaard,

geen van zijn nakomelingen zal ooit tot welstand komen.

15Hen die overleven draagt de pest ten grave,

en geen van de weduwen zal over hen rouwen.

16Al hoopt hij zilver op alsof het stof is,

en al vergaart hij kleren alsof het leem is –

17hoeveel hij er ook vergaart: de rechtvaardige zal ze dragen

en het zilver zal aan de onschuldige toevallen.

18

27:18
Job 8:14
Zijn huis is broos als het omhulsel van een mot,

wankel als de hut van een wachter in het veld.

19Rijk gaat hij slapen – voor het laatst:

wanneer hij zijn ogen opent, is zijn bezit vergaan.

20Een vloed van verschrikkingen overvalt hem,

’s nachts sleurt een wervelstorm hem mee.

21De oostenwind neemt hem op – en hij is spoorloos,

weggeslingerd van zijn plaats.

22God gaat zonder mededogen tegen hem tekeer,

al probeert hij te ontsnappen uit zijn greep.

23Zijn ondergang wordt met gejoel begroet,

waar hij vroeger woonde wordt hij nagefloten.’