Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

Jobs antwoord op Sofars tweede betoog

211Hierop antwoordde Job:

2‘Luister nu goed naar mijn woorden,

laat dat de troost zijn die jullie mij geven.

3Heb geduld met mij, terwijl ik spreek;

als ik uitgesproken ben, kun je weer spotten.

4Is mijn aanklacht tegen een mens gericht?

Waarom zou ik dan mijn geduld bewaren?

5Kijk naar mij en wees ontzet,

en sla je hand voor je mond.

6Als ik aan dit alles denk, grijpt angst mij aan

en siddert heel mijn lichaam.

7

21:7
Ps. 73:3-5
Pred. 7:15
Jer. 12:1-2
Mal. 3:15
Waarom leven goddelozen lang,

tot in hun ouderdom welvarend en gezond?

8Zij leven en ze zien hun kinderen gedijen,

en zelfs de kinderen van hun kinderen.

9In hun huis heerst vrede zonder vrees,

ze worden niet getroffen door Gods gesel.

10Hun stieren springen en bevruchten,

hun koeien kalven zonder misdracht.

11Hun kinderen rennen buiten rond,

vrolijk als de schapen en de geiten.

12

21:12
Jes. 5:12
Ze zingen, begeleid door lier en tamboerijn,

ze vermaken zich bij fluitmuziek.

13Hun leven kent slechts voorspoed

en rustig dalen ze af naar het dodenrijk.

14

21:14
Job 22:17
Ze zeggen tegen God: “Blijf ver van ons,

wij willen niet de wegen volgen die u wijst.

15Wie is de Ontzagwekkende dat wij hem zouden eren?

Wat baat het ons tot hem te bidden?”

16Maar de welvaart ligt niet in hun eigen handen.

De bedrijvigheid van goddelozen blijve ver van mij!

17

21:17
Job 18:5
Hoe zelden dooft de lamp van wie kwaad doet?

Treft hem ooit de rampspoed

die God de mensen in zijn woede toebedeelt?

18

21:18
Ps. 1:4
Wordt hij weggeblazen als kaf in de wind?

Wordt hij meegerukt als dorre aren in de storm?

19Of bewaart God de ellende voor zijn kinderen?

Laat hij het aan hém vergelden, zodat hij het zelf voelt!

20Mogen zijn eigen ogen de ondergang aanschouwen,

moge hij de woede van de Ontzagwekkende drinken!

21Waarom zou hij daar zijn familie mee bezwaren,

wanneer het getal van zijn maanden al ten einde is?

22Kan God iets van de mensen leren,

hij die over de hemelingen rechtspreekt?

23Sommigen sterven, in kracht ongebroken,

vredig en zonder zorgen;

24ze zien eruit als melk en bloed,

het merg stroomt in hun botten.

25Anderen sterven vervuld van bitterheid,

zonder ooit vreugde te hebben gesmaakt.

26Samen liggen ze in het stof,

overdekt met wormen.

27Ja, ik weet wat jullie denken,

wat jullie tegen mij in de zin hebben.

28Jullie zeggen: “Waar staat het huis van die edele,

waar heeft die goddeloze zich gevestigd?”

29Vraag het toch aan de voorbijgangers!

Aan wat zij verklaren zullen jullie toch niet twijfelen?

30Wie kwaad doet wordt gespaard tot zijn rampzalig eind,

hij zal leven tot die dag van Gods woede.

31Wie zal hem zijn gedrag openlijk verwijten;

wat hij heeft misdaan – wie zal hem dat vergelden?

32Met veel eerbetoon draagt men hem ten grave

en men houdt de wacht bij zijn tombe.

33Zacht rust hij in zijn pas gedolven graf,

tallozen liepen voor zijn baar

en velen volgden deze.

34Ach, jullie troosten mij met lege woorden,

wat jullie zeggen is niets dan bedrog.’

22

Elifaz’ derde betoog

221Toen nam Elifaz uit Teman het woord:

2‘Kan een mens God ooit tot nut zijn,

kan zelfs een wijze hem een dienst bewijzen?

3

22:3
Job 35:6-8
Verheugt het de Ontzagwekkende dat jij onschuldig bent?

Baat het hem dat jij een onberispelijk leven leidt?

4Zou hij je voor je vroomheid willen straffen

en je daarom in een rechtsgeding betrekken?

5

22:5-9
Job 29:11-17
Je weet toch dat je levenswandel slecht is,

dat je zonden ontelbaar zijn?

6

22:6-9
Job 31:16-20
Mat. 25:34-46
22:6-7
Ezech. 18:7
22:6
Ex. 22:25-26
Zonder reden eiste je een pand van je naaste

en armen nam je zelfs hun laatste kleren af.

7

22:7
Mat. 25:42
Wie uitgeput was weigerde je water,

brood onthield je hem die honger had.

8Ja, de gewelddadige bezit het land,

de nietsontziende heeft er zijn macht gevestigd.

9

22:9
Ex. 22:21
Weduwen heb je weggestuurd met lege handen,

de krachten van wezen heb je gebroken.

10

22:10
Job 18:8-11
Daarom staan er valstrikken rondom

en raak je plotseling door angst ontzet.

11Zie je dan het duister niet,

bespeur je niet de vloed die jou bedekt?

12Zou God niet in de hoge hemel wonen?

Kijk toch naar de sterren aan de hemeltrans!

13

22:13
Ps. 73:11
94:7
Jes. 29:15
Jer. 23:23-24
Maar jij zegt: “Wat weet God?

Kan hij oordelen door het donker heen?

14Hij wordt omhuld door wolken en ziet niets

wanneer hij langs de grenzen van de hemel wandelt.”

15Wil je het pad van vroeger blijven gaan,

dat door de onrechtvaardigen gevolgd wordt?

16Zij werden vóór hun tijd geveld,

alsof een rivier hun fundament had weggespoeld.

17

22:17
Job 21:14
Steeds weer zeiden ze tot God: “Wend u van ons af.

Wat kan de Ontzagwekkende voor ons doen?”

18Toch vulde hij hun huis met rijkdom.

De bedrijvigheid van goddelozen blijve ver van mij!

19

22:19
Ps. 58:11
De rechtvaardige ziet het aan en hij verheugt zich,

de onschuldige lacht hen smalend uit.

20Worden onze vijanden niet weggevaagd,

wordt hun laatste rijkdom niet door vuur verzwolgen?

21Verzoen je met God en leef met hem in vrede,

dan zul je weer tot welstand komen.

22Aanvaard wat je van hem hebt te leren

en sluit zijn woorden in je hart.

23Keer terug tot de Ontzagwekkende en je zult herstellen,

zuiver je huis van alle kwaad.

24Laat het goud toch in de aarde rusten,

laat het erts van Ofir liggen op de bodem van de stroom,

25dan zal de Ontzagwekkende je goud zijn,

dan zal hij een schat zijn van het puurste zilver.

26Je zult vreugde vinden bij de Ontzagwekkende

en je gezicht weer naar hem opheffen.

27Als je tot hem bidt, dan luistert hij,

en je geloften los je in.

28Wat jij ook besluit, het zal worden uitgevoerd,

en het licht zal schijnen op de wegen die je gaat.

29Als rampspoed iemand velt en jij zegt: “Sta op!”,

dan redt God hem, die het hoofd moest buigen.

30Hij redt zelfs hen die niet onschuldig zijn.

Hun redding danken ze aan jouw reine handen.’

23

Jobs antwoord op Elifaz’ derde betoog

231Hierop antwoordde Job:

2‘Ook vandaag is mijn klacht een klacht vol bitterheid,

mijn hand kan mijn zuchten nauwelijks onderdrukken.

3O, wist ik maar waar ik hem kon vinden,

kon ik hem maar opzoeken in zijn verblijf.

4Dan zou ik mijn zaak aan hem voorleggen

en het zou mij aan argumenten niet ontbreken.

5Ik zou horen wat hij mij te zeggen had

en begrijpen wat hij tegen mij aanvoerde.

6Zou hij zijn macht gebruiken, als hij mij bestrijdt?

Nee, hij zou aandachtig naar mij luisteren.

7Dan kon ik, geheel oprecht, mijn zaak uiteenzetten

en zou voor altijd door mijn rechter worden vrijgesproken.

8

23:8
Ps. 139:7-10
Maar ik ga naar het oosten – daar is hij niet,

naar het westen – ik zie hem nergens.

9Hij is in het noorden – en blijft onvindbaar,

hij toeft in het zuiden – ik kan hem niet ontdekken.

10

23:10
Ps. 139:1-6
Maar hij kent de wegen die ik kies;

als hij me toetste, zou ik puur als goud zijn.

11

23:11
Ps. 17:5
Ik ben in zijn spoor getreden,

zonder af te buigen volgde ik zijn weg.

12De geboden die hij voorschreef heb ik nageleefd,

de woorden die hij sprak heb ik het meest van al gekoesterd.

13

23:13
Jes. 55:10-11
Maar onwrikbaar als hij is –

wie doet hem op zijn schreden keren?

Al wat hij verlangt, laat hij gebeuren.

14Wat hij heeft besloten, voert hij uit,

en hij heeft nog veel meer plannen.

15

23:15
Ps. 119:120
Daarom maakt zijn aanwezigheid mij zo beducht;

wanneer ik hem beschouw, dan sidder ik.

16God heeft mijn hart verzwakt,

de Ontzagwekkende heeft mij verlamd.

17Want niet de duisternis brengt mij tot zwijgen,

niet het donker berooft mij van het gezicht.