Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
18

Bildads tweede betoog

181Toen nam Bildad uit Suach het woord:

2‘Wat een woorden! Zijn jullie nooit uitgesproken?

Gebruik je verstand, dan kunnen we praten.

3Waarom worden wij beschouwd als onmondig vee,

waarom doen jullie alsof wij onnozel zijn?

4Jij verscheurt jezelf in woede –

wordt om jou de wereld dan dooreengeschud,

wordt om jou één rots van zijn plaats getild?

5Nee, het licht van de goddeloze dooft,

de gloed van zijn vuur vlamt niet meer op.

6In zijn huis wordt alles donker,

het licht dat hem omringde dooft.

7Van zeker wordt zijn tred krampachtig,

zijn boze opzet laat hem struikelen.

8

18:8
Ps. 35:8
Zijn voeten voeren hem ten val,

een net verstrikt hem op zijn weg.

9Een klem grijpt om zijn hiel,

een strop houdt hem gevangen.

10In de grond is voor hem een touw verborgen,

over zijn pad een strik gespannen.

11

18:11
Job 15:21
De verschrikking staart hem allerwegen aan

en jaagt hem voort bij elke stap.

12De honger put zijn krachten uit,

de rampen wijken niet meer van zijn zijde.

13Huid en leden worden aangevreten door de dood,

door zijn eerstgeborene verteerd.

14Aan de veiligheid van zijn huis ontrukt,

wordt hij gevoerd naar de vorst van de verschrikking.

15

18:15
Deut. 29:22
Ps. 11:6
Verwoesting treft zijn bezit,

zijn woning wordt bedolven onder zwavel.

16Zijn wortels verdrogen in de grond,

zijn takken verdorren in de lucht.

17

18:17
Ps. 34:17
Spr. 10:7
Zijn nagedachtenis op aarde zal vergaan,

niemand zal nog weten wie hij was.

18Uit het licht wordt hij het duister in geworpen,

hij wordt uit de wereld weggestoten.

19Hij heeft geen kinderen, niemand draagt zijn naam;

waar hij woonde zijn geen overlevenden.

20Jonge mensen zijn ontzet over zijn lot,

zijn ondergang doet oude mensen huiveren.

21Zo vergaat het het huis van de boosdoener,

zo vergaat het de woning van hem die God niet kent.’

19

Jobs antwoord op Bildads tweede betoog

191Hierop antwoordde Job:

2‘Hoe lang blijven jullie mij nog pijnigen,

hoe lang nog martelen met woorden?

3Keer op keer beschimpen jullie mij,

is het geen schande mij zo te vernederen?

4Als ik werkelijk gedwaald heb,

dan is het toch míjn dwaling?

5Als jullie werkelijk jezelf zoveel beter wanen

en mijn vernedering terecht vinden,

6weet dan dat God zich tegen mij gekeerd heeft,

dat hij zijn netten om mij samentrekt.

7

19:7
Klaagl. 3:8
Ik schreeuw: “Onrecht!” – maar krijg geen antwoord.

Ik roep om hulp – maar vind geen recht.

8Mijn weg verspert hij met een muur,

de paden die ik ga hult hij in duisternis.

9Hij heeft me van mijn eer beroofd,

de kroon is van mijn hoofd genomen.

10Hij heeft mij omvergehaald, ik lig terneer;

mijn hoop heeft hij ontworteld als een boom.

11

19:11
Job 33:10
Hij is in woede tegen mij ontstoken

en heeft mij tot zijn aartsvijand gemaakt.

12Zijn troepen hebben zich verzameld

en banen zich een weg naar mij,

ze slaan hun kampen op rondom mijn tent.

13

19:13
Ps. 38:12
69:9
88:9,19
Mijn verwanten heeft hij van mij verwijderd,

ik word verloochend door mijn vrienden.

14Mijn familie ziet mij onverschillig aan,

mijn vertrouwelingen kennen mij niet meer.

15Ik ben een gast voor mijn bedienden en slavinnen,

een vreemdeling ben ik voor hen geworden.

16Ik roep mijn slaaf, hij antwoordt niet,

ik moet hem smeken.

17Mijn vrouw walgt van mijn adem,

mijn eigen broers deinzen terug omdat ik stink.

18Zelfs jongeren verachten mij,

ze spreken smalend als ik opsta.

19

19:19
Ps. 41:10
Ik word verafschuwd door mijn naaste vrienden,

ieder die ik liefheb keert zich tegen me.

20Mijn botten steken door mijn magere vel,

alleen het vege lijf heb ik behouden.

21Heb medelijden, vrienden, heb medelijden met mij,

want de hand van God heeft mij getroffen.

22Waarom vervolgen jullie mij, zoals God?

Waarom houden jullie nooit op mij te belasteren?

23O, mochten mijn woorden worden opgeschreven,

vastgelegd in een inscriptie,

24met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld,

voor altijd in de rotsen uitgehouwen!

25Ik weet: mijn redder leeft,

en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.

26Hoezeer mijn huid ook is geschonden,

toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.

27Ik zal hem aanschouwen,

ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,

heel mijn binnenste smacht van verlangen.

28Als jullie zeggen: “Hoe zullen we hem vervolgen?”

omdat ik de wortel van het kwaad zou zijn –

29vrees dan zelf het zwaard,

want jullie woede is een wandaad die het zwaard verdient.

Weet dat er recht gesproken wordt.’

20

Sofars tweede betoog

201Toen nam Sofar uit Naäma het woord:

2‘Ik ben verontrust en moet daarom wel antwoorden;

tot in mijn binnenste ben ik gekwetst.

3Wat ik hoorde was een les in smaad;

inzicht in het leven dwingt mij tot een antwoord.

4Weet je niet dat al sinds mensenheugenis,

sinds de mens op aarde is gezet,

5het gejuich van goddelozen snel verklinkt

en de vreugde van de misdadiger kortstondig is?

6Ook al zal zijn roem ten hemel stijgen,

ook al zal zijn hoofd de wolken raken,

7als zijn eigen drek zal hij voorgoed vergaan

en zij die hem kenden, zullen vragen: “Waar is hij?”

8

20:8
Ps. 73:20
Wijsh. 5:14
Als een droom vervliegt hij, spoorloos,

hij wordt uitgewist, als een nachtelijk visioen.

9Het oog dat hem zag, ziet hem niet meer;

nooit meer zal zijn woonplaats hem aanschouwen.

10Zijn kinderen zullen de gunsten van de armen zoeken,

want hij moet afstaan wat hij zich heeft toegeëigend.

11Zijn lichaam heeft nog de kracht van de jeugd,

maar hij wordt geveld – en zijn botten liggen in het stof.

12Hoewel het kwaad hem zoet smaakt in de mond

en hij het verbergt onder zijn tong,

13hoewel hij zuinig is en niets laat glippen,

maar het tegen zijn gehemelte bewaart,

14zal het in zijn ingewanden gisten,

in zijn binnenste tot addergif verworden.

15Rijkdom heeft hij doorgeslikt, maar weer uitgebraakt,

God perst alles uit zijn buik omhoog.

16Hij zuigt slangengif op,

een slangentong zal hem ook doden.

17

20:17
Job 29:6
Nooit zal hij genieten van de overvloed,

van rivieren die van room en honing stromen.

18Wat hij heeft verworven, spuugt hij uit, het smaakt hem niet,

zoals ook zijn handel hem geen vreugde schenkt.

19Want hij heeft de armen onderdrukt en in de steek gelaten;

hij heeft hun huis verwoest, hij heeft het niet gebouwd.

20Zijn binnenste is altijd rusteloos,

niets van zijn kostbaarheden weet hij te bewaren.

21Al wat hij bezit verslindt hij,

zijn welvaart zal dan ook niet duren.

22Hoe groot ook zijn vermogen, hij weet zich niet veilig;

het onheil stort zich in volle omvang over hem uit.

23Terwijl hij zijn buik nog vult,

treffen hem de vlammen van Gods woede,

een regen van verderf komt op hem neer.

24Hij kan vluchten voor een ijzeren wapen,

maar wordt door een bronzen boog doorschoten.

25De pijl steekt in zijn rug, hij trekt hem uit,

de schacht zal glinsteren van zijn gal,

ontzetting overweldigt hem.

26

20:26
Job 15:34
Het donker verbergt al zijn schatten,

een smeulend vuur verslindt ze

en verteert wat in zijn huis nog over is.

27De hemel openbaart zijn schuld,

de aarde keert zich tegen hem.

28Een vloedgolf overspoelt zijn huis,

het wordt weggevaagd op die dag van Gods woede.

29

20:29
Job 27:13
Dat wacht hem die God ontrouw is.

Dat is de erfenis die God voor hem bestemd heeft.’