Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Het Woord is mens geworden

11

1:1-5
Gen. 1:1-5
1:1
Joh. 10:30,38
14:10-11
1 Joh. 1:1
In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. 2Het was in het begin bij God. 3
1:3
Ps. 33:6,9
Kol. 1:16
Hebr. 1:2
11:3
Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.1:3-4 en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven – Ook mogelijk is de vertaling: ‘en zonder dit was er niets. Wat bestaat, had leven in het Woord’. 4
1:4
Joh. 5:26
8:12
12:46
14:6
1 Joh. 1:2
In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 5Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.

6

1:6
Mat. 3:1
Marc. 1:4
Luc. 3:2-3
Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. 7
1:7
Joh. 1:19,34
5:33
Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. 8Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: 9
1:9
Joh. 3:19
11:27
18:37
het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10
1:10
Joh. 14:17
17:25
Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. 11Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. 12
1:12
1 Joh. 3:1
Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13
1:13
Joh. 3:5-6
1 Joh. 5:1
Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.

14

1:14
Joh. 11:40
17:24
Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15
1:15
Joh. 1:30
Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’ 16Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. 17De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. 18
1:18
Mat. 11:27
Joh. 3:13
6:46
1 Joh. 4:12
Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die1:18 de enige Zoon, die zelf God is, die – Andere handschriften lezen: ‘de enige Zoon, die’. aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.

Getuigenissen

19

1:19-28
Mat. 3:1-12
Marc. 1:1-8
Luc. 3:1-18
Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ 20
1:20
Joh. 3:28
Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’1:20 de messias – Zie de noot bij Matteüs 2:4. 21
1:21
Deut. 18:15
Mal. 3:23
Marc. 6:15
8:28
Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee,’ antwoordde hij. 22‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben – wie zegt u zelf dat u bent?’ 23
1:23
Jes. 40:3
Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’ 24De afgevaardigden die uit de kring van de farizeeën kwamen, 25vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’ 26‘Ik doop met water,’ antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, 27
1:27
Hand. 13:24-25
19:4
hij die na mij komt – ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’ 28Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.

29

1:29
1 Joh. 3:5
De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30
1:30
Joh. 1:15
Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.” 31Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32
1:32
Mat. 3:16
Marc. 1:10
Luc. 3:21-22
En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. 33
1:33
Jes. 11:2
42:1
61:1
Mat. 3:11
Marc. 1:8
Luc. 3:16
Joh. 3:34
Hand. 1:5
2:33
Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’

35De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’ 37De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee. 38Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat1:38b-51 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:39-52. zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’ 39Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.

40Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), 42

1:42
Marc. 3:16
en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).

43De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45

1:45
Joh. 5:39
Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46
1:46
Joh. 6:42
7:41-42,52
‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. 47Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49
1:49
Joh. 12:13
‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51
1:51
Gen. 28:12
‘Waarachtig, ik verzeker jullie,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’

2

Bruiloft in Kana

21Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, 2en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6

2:6
Marc. 7:3-4
Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. 7Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde – hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel – riep hij de bruidegom 10en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ 11
2:11
Joh. 1:14
11:40
Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.

12

2:12
Mat. 4:13
Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen.

Jezus in de tempel

13

2:13-22
Mat. 21:12-13
Marc. 11:15-18
Luc. 19:45-46
2:13
Ex. 12:1-27
Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16
2:16
Zach. 14:21
Joh. 5:18
en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17
2:17
Ps. 69:10
Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’ 18
2:18
Marc. 11:28
Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ 19
2:19
Mat. 26:61
27:40
Marc. 14:58
15:29
Hand. 6:14
Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22
2:22
Joh. 12:16
Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had.

Gesprek met Nikodemus

23Toen Jezus op Pesach in Jeruzalem was, kwamen veel mensen tot geloof in zijn naam, omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed. 24Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende, 25en niemand hoefde hem iets over de mens te vertellen, want hij wist zelf wat er in een mens omgaat.