Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

81

8:1-2
Ezech. 6:4-5
In die tijd – spreekt de HEER – zal men de beenderen van de koningen van Juda, van de raadsheren, de priesters, de profeten en de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen 2
8:2
2 Kon. 9:37
Jer. 16:4
25:33
en ze uitspreiden voor de zon, de maan en het sterrenleger aan de hemel. Die vereerden ze met zo veel overgave en die volgden ze, die vroegen ze om raad en daarvoor knielden ze. De beenderen zullen niet worden verzameld en begraven, maar als mest op de akkers blijven liggen. 3En wat er overblijft van dit verdorven volk zal de dood verkiezen boven het leven, op elke plaats waarheen ik hen verdreven heb – spreekt de HEER van de hemelse machten.

Het volk weigert naar de HEER terug te keren

4Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER:

Als iemand valt, staat hij toch op?

Als iemand afdwaalt, keert hij toch terug?

5Waarom blijft dit volk dan dwalen,

waarom blijft Jeruzalem ontrouw,

houdt het vast aan bedrog,

weigert het terug te keren?

6Ik heb goed naar hen geluisterd –

wat ze zeggen is gelogen.

Niemand heeft berouw over het kwaad,

niemand zegt: “Hoe kon ik dit ooit doen?”

Ze hollen steeds maar door

als een paard dat zich in de strijd stort.

7

8:7
Jes. 1:3
De ooievaar aan de hemel,

de tortelduif en de gierzwaluw

kennen de tijd van hun trek,

maar mijn volk kent niet de orde van de HEER.

8Hoe durven jullie te zeggen: “Wij zijn wijzen,

wij hebben de wet van de HEER”?

De pen van de schrijvers heeft hem vervalst.

9De wijzen zullen te schande staan,

ten einde raad, ze lopen in een val.

Ze hebben de woorden van de HEER verworpen,

wat voor wijsheid rest hun nog?

10

8:10-12
Jer. 6:12-15
Daarom geef ik hun vrouwen weg,

hun akkers geef ik aan veroveraars.

Want iedereen, van groot tot klein,

is op eigen voordeel uit,

van profeet tot priester,

ieder pleegt bedrog.

11

8:11
Ezech. 13:10
Ze verklaren de wond van mijn volk

lichtvaardig voor genezen,

ze zeggen: “Alles gaat naar wens.”

Nee, niets gaat naar wens!

12Schamen zij zich voor hun wandaden?

Integendeel, ze weten niet wat schaamte is.

Daarom komen ze ten val, de een na de ander,

op het moment dat ik ze straf

komen ze ten val

– zegt de HEER.

13Als ik wil oogsten – spreekt de HEER –

zijn er geen druiven aan de wijnstok,

geen vijgen aan de vijgenboom,

en zijn de bladeren verdord.

Mijn geboden overtraden zij steeds.’

14

8:14
Jer. 4:5
9:14
‘Waarom talmen wij nog langer? Verzamelen!

Laten we ons verschansen in de vestingsteden,

onze ondergang afwachten,

want de HEER, onze God, heeft ons voor de ondergang bestemd.

Hij heeft ons giftig water te drinken gegeven,

omdat wij gezondigd hebben tegen de HEER.

15

8:15
Jes. 59:9
Jer. 14:19
Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit,

wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.

16De vijand is al in Dan.

Wij horen de paarden snuiven,

bij het gehinnik van de hengsten beeft het hele land.

De vijand is het land binnengevallen.

Al wat leeft wordt door hem verslonden,

elke stad en ieder die daar woont.’

17

8:17
Num. 21:6
Deut. 32:24
‘Giftige slangen stuur ik op jullie af,

waartegen geen bezwering helpt;

dodelijk is hun beet – spreekt de HEER.’

Klacht van Jeremia, antwoord van de HEER

18

8:18-23
Jer. 5:20-25
14:1
‘Mijn lach versluiert mijn verdriet,

mijn hart is ziek.

19Uit een ver land schreeuwt mijn volk om hulp:

“Is de HEER niet op de Sion,

oefent hij daar zijn koningschap niet uit?”’

‘Waarom hebben ze mij met andere goden getergd,

met nietige afgodsbeelden?’

20‘De graanoogst is voorbij,

de fruitoogst is geweest,

en wij zijn niet gered.’

21‘Getroffen ben ik door de wond van mijn volk,

ik ga in het zwart gehuld, ontzetting grijpt mij aan.

22Er is toch balsem in Gilead,

daar zijn toch heelmeesters?

Waarom geneest mijn volk dan niet?

23Ach,8:23-9:25 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 9:1-26. was mijn hoofd maar een waterval,

mijn oog een bron van tranen:

dag en nacht zou ik huilen

over de doden van mijn volk.

9

91Ach, had ik maar een nachtverblijf in de woestijn.

Ik zou mijn volk verlaten, van hen weggaan.’

‘Ze zijn allen even trouweloos,

het is een bende bedriegers.

2

9:2
Ps. 12:1-5
Ze spannen hun tong als een boog,

ze schieten met bedrog en onbetrouwbaarheid.

Hun macht in het land neemt almaar toe,

ze stapelen wandaad op wandaad

en willen van mij niets weten

– spreekt de HEER.

3

9:3
Gen. 27:36
Jer. 12:6
Hos. 12:4
Micha 7:5
Wees allen op je hoede voor vrienden,

verlaat je niet op je broers.

Elke broer bedriegt als Jakob,

elke vriend strooit lasterpraat rond.

4De een bedriegt de ander,

de waarheid spreken ze niet.

Hun tong is afgericht op liegen,

ze kunnen niet anders meer.9:4-5 ze kunnen niet anders meer./ Onderdrukking volgt op onderdrukking,/ bedrog op bedrog – Volgens de Septuaginta. MT: ‘ze kunnen niet. Jouw zitten te midden van bedrog op bedrog’.

5Onderdrukking volgt op onderdrukking,

bedrog op bedrog.

Ze willen van mij niets weten

– spreekt de HEER.

6Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik ga hen smelten en zuiveren.

Wat kan ik anders doen met mijn volk?

7Hun tong is een moordende pijl,

hun mond spreekt bedrieglijke woorden.

Ze doen allervriendelijkst tegen elkaar,

maar leggen heimelijk een valstrik.

8

9:8
Jer. 5:9
Zou ik hen hierom niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?’

9‘Ik weeklaag om de bergen,

om de weidegronden hef ik een klaaglied aan.

Ze zijn verwoest, niemand trekt er nog doorheen,

niemand hoort nog kudden blaten.

Vogels en vee, alles is op de vlucht.’

10

9:10
Jer. 34:22
‘Ik maak Jeruzalem tot een ruïne,

tot een oord voor jakhalzen.

Ik maak Juda’s steden tot een woestenij,

waar niemand meer kan wonen.

11Wie inzicht heeft, moet dit doorgronden,

wie naar de HEER geluisterd heeft, moet het verkondigen.’

‘Waarom wordt dit land te gronde gericht, verschroeit het als een woestijn, waar niemand nog doorheen trekt?’ 12De HEER zei: ‘Omdat ze de wet die ik hun voorgehouden heb niet in acht hebben genomen. Ze hebben niet naar mij geluisterd en niet volgens mijn wet gehandeld, 13
9:13
Jer. 7:24
maar hebben zich laten leiden door hun koppige hart. Ze zijn achter de Baäls aan gelopen, zoals ze van hun voorouders hebben geleerd. 14
9:14
Jer. 8:14
23:15
Op. 8:11
Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik geef dit volk alsem te eten en giftig water te drinken, 15
9:15
Deut. 4:27
28:36,64
en ik zal hen verstrooien onder volken die zij en hun voorouders nooit hebben gekend. Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, totdat ik hen vernietigd heb.

Oproep om een klaaglied te zingen

16Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Kijk rond, roep de klaagvrouwen,

vraag of ze komen,

roep de wijze vrouwen bijeen.

17Zeg: Laten ze zich haasten

om voor ons een klaaglied te zingen.

Dan vloeien onze tranen,

dan baden onze ogen in water.

18Hoor, er klinkt een klaaglied uit Sion:

“Ach, wij zijn te gronde gericht,

hoe groot is onze schande.

Wij moeten ons land verlaten,

ze hebben onze huizen verwoest.”

19Vrouwen, luister naar de woorden van de HEER,

open je oren, hoor wat hij zegt.

Leer jullie dochters weeklagen,

leer elkaar dit klaaglied:

20“De dood is door onze vensters binnengeklommen,

hij is onze paleizen binnengedrongen.

Hij maait de kinderen neer in de straten,

roeit de jeugd uit op de pleinen.”

21

9:21
Jer. 8:2
Dit zegt de HEER:

De lijken liggen als mest op het land,

als halmen achter de maaiers,

door niemand opgeraapt.

22Dit zegt de HEER:

De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid,

de sterke niet op zijn kracht,

de rijke niet op zijn rijkdom.

23

9:23
1 Kor. 1:31
2 Kor. 10:17
Wil iemand zich op iets beroemen,

laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent,

inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk,

rechtvaardigheid en recht,

want daar schep ik behagen in

– spreekt de HEER.

24De tijd zal komen – spreekt de HEER – dat ik de besnedenen straf: 25Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en al die woestijnbewoners met hun kaalgeschoren slapen. Want al die volken zijn net als Israël onbesneden van hart.
10

Volg andere volken niet na

101Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, volk van Israël.

2

10:2-6
Jes. 40:18-20
10:2-5
Ps. 115:4-8
Dit zegt de HEER:

Volg andere volken niet na,

raak niet van slag door tekenen aan de hemel,

ook al jagen die de hele wereld schrik aan.

3De gebruiken van die volken zijn niets waard.

Ze hakken een stuk hout in het bos,

een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel,

4verfraait het met zilver en goud.

Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om.

5Het is net een vogelverschrikker,

neergezet in een komkommerveld.

Het kan niet spreken

en moet worden gedragen,

want zelf kan het geen stap verzetten.

Heb voor beelden geen ontzag,

kwaad doen ze niet,

en goed nog minder.’

6‘Niemand is als u, o HEER, u bent groot,

groot is uw naam door uw kracht.

7

10:7
Op. 15:4
Wie zou geen ontzag voor u hebben?

Koning van de volken, dat komt u immers toe.

Onder alle wijzen van de volken,

onder al hun koningen is niemand als u.

8Allen zijn ze dom en dwaas,

wat ze moeten leren is dit:

die nietige beelden zijn maar hout.

9Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis ingevoerd,

met goud afkomstig uit Ufaz,

door een ambachtsman,

door de handen van een goudsmid.

Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed,

ze zijn vakkundig gemaakt.

10Maar alleen de HEER is werkelijk God,

hij is de levende God, de eeuwige koning.

Door zijn woede beeft de aarde,

tegen zijn toorn houden volken geen stand.’

11‘Zeg tegen hen:

Goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt,

zullen van de aarde verdwijnen,

worden onder de hemel weggevaagd.’

12

10:12-16
Jer. 51:15-19
10:12
Job 38:2-6
Ps. 104:1-2
Spr. 8:27-31
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

13

10:13
Ps. 135:7
als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt hij aan de einder,

bliksems smeedt hij, de regen valt,

hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

14Daar staat het menselijk verstand bij stil.

De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden.

Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet,

15lege, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

16Hoe anders is de God van Jakob,

hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

Oproep om Jeruzalem te verlaten

17‘Jeruzalem, belegerde stad,

laat je inwoners hun boedel pakken

en het land verlaten.

18Want dit zegt de HEER:

Ditmaal slinger ik ze weg,

de bevolking drijf ik in het nauw,

men zal ze weten te vinden.’

19

10:19
Jer. 4:19
‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden,

niet te helen is mijn letsel.

Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen.

20

10:20
Jes. 54:1-2
Jer. 4:20
Maar mijn tent is vernield,

alle touwen zijn doorgesneden.

Mijn kinderen zijn mij ontvallen,

ze zijn er niet meer.

Niemand zet ooit nog mijn tent op,

niemand spant mijn tentdoeken meer.’

21‘De herders zijn een kudde dwazen,

ze gaan niet te rade bij de HEER.

Daarom lukt hun niets,

en is hun eigen kudde verstrooid.

22Luister! Een geluid komt naderbij,

een machtig gedreun uit het noorden,

om Juda’s steden tot een woestenij te maken,

tot een oord voor jakhalzen.’

23

10:23
Spr. 20:24
‘Ik erken, o HEER,

dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen,

zijn pad uit te zetten,

te kiezen waarheen hij zal gaan.

24

10:24
Ps. 6:2
38:2
Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig,

niet uit woede, vaag mij niet weg.

25

10:25
Ps. 79:6-7
Jes. 9:11
Jer. 30:16
Stort uw woede uit over volken die u niet kennen,

over naties die uw naam niet aanroepen,

want zij verslinden Jakobs volk,

laten er niets van over,

en zijn weidegrond verwoesten zij.’