Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Onrecht en dwaasheid in Juda

51

5:1
Gen. 18:22-32
Ps. 14:1-3
Micha 7:2
‘Zwerf door de straten van Jeruzalem,

vraag na, kijk om je heen,

zoek op de pleinen of er iemand is

die rechtvaardig handelt,

die naar eerlijkheid streeft,

dan zal ik Jeruzalem vergeven.

2Als zij zweren: “Zo waar de HEER leeft,”

plegen zij niets dan meineed.’

3

5:3
Jer. 2:30
7:28
17:23
Sef. 3:2
Op. 16:9-11
HEER, u wilt toch dat ze eerlijk zijn?

U sloeg hen, maar het raakte hen niet.

U bracht hen aan de rand van de afgrond,

zij weigerden van die straf te leren.

Zij gingen onverdroten voort

en weigerden terug te keren.

4Ik dacht: Het zijn maar eenvoudige mensen,

veel kennis hebben ze niet.

Zij weten niet wat de HEER van hen vraagt,

zijn niet bekend met het recht van hun God.

5

5:5
Jer. 2:20
Ik zal me tot hun leiders richten,

zij weten beslist wat de HEER van hen vraagt,

zij zijn bekend met het recht van hun God.

Maar ook zij hebben het juk gebroken,

hoog en laag heeft zijn riemen losgerukt.

6Daarom werden ze gedood door leeuwen uit het bos,

verscheurd door wolven uit de steppe,

daarom loerden panters op hun steden.

Ieder die zich buiten waagde, werd verscheurd.

Niet te tellen zijn hun misdaden,

hun ontrouw bleek talloze malen.’

7‘Waarom zou ik jullie vergeven?

Jullie kinderen hebben mij verlaten,

zij zwoeren bij wat geen goden zijn.

Ik schonk hun overvloed,

maar zij pleegden overspel,

bij hoeren zijn ze kind aan huis.5:7 zijn ze kind aan huis – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘kerven ze hun lichaam’.

8Het zijn bronstige, hitsige hengsten,

ze hinniken allen naar andermans vrouw.

9

5:9
Jer. 5:29
9:8
Zou ik zo’n volk niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?

10

5:10
Jer. 2:21
Bestorm de wijnterrassen, vertrap ze,

maar vernietig ze niet helemaal.

Ruk de ranken af,

ze behoren de HEER niet toe.

11Want Israël en Juda hebben mij bedrogen

– spreekt de HEER.

12

5:12
Ps. 14:1
Amos 9:10
Sef. 1:12
Ze hebben de HEER niet ernstig genomen,

ze zeiden: “Zo doet hij niet, ons zal geen onheil treffen,

zwaard en honger blijven ons bespaard.

13De profeten? Wind zijn ze,

ze spreken niet de woorden van de HEER.

Laat dat onheil hén maar treffen.”

14

5:14
Jer. 23:29
Hos. 6:5
Daarom – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten:

Omdat zij dit durven te zeggen,

maak ik dit volk tot brandhout,

maak ik mijn woorden in jouw mond

tot een vlam die hen verslindt.

15

5:15
Deut. 28:49-52
Israël, ik stuur een volk uit verre streken op je af

– spreekt de HEER.

Dat volk is taai, dat volk is eeuwenoud,

het spreekt een taal die je niet kent,

je kunt hun woorden niet verstaan.

16De pijlkokers van de soldaten,

allen onverschrokken strijders,

zijn een open graf.

17Dat volk verslindt je oogst en je voedsel,

je zonen en je dochters,

je geiten, schapen, koeien,

je wijnstokken en vijgenbomen.

Het verwoest je vestingsteden,

de burchten waarop je vertrouwt.

18Maar als het zover is, zal ik ze toch niet vernietigen – spreekt de HEER. 19

5:19
Jer. 16:10
22:8-9
En als ze vragen: “Waarom heeft de HEER, onze God, ons dit alles aangedaan?” antwoord hun dan: “Jullie hebben mij toch verlaten en zijn vreemde goden gaan dienen in je eigen land? Jullie zullen vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.”

20

5:20-25
Jer. 8:18-23
12:4
14:1
Zeg het volk van Jakob

en roep Juda toe:

21

5:21
Ezech. 12:2
Marc. 8:18
Luister toch, dwaas en onverstandig volk,

dat ogen heeft, maar niet ziet,

en oren heeft, maar niet hoort.

22

5:22
Job 26:10
38:8-11
Ps. 104:9
Hebben jullie geen ontzag voor mij?

– spreekt de HEER.

Beven jullie niet voor mij?

Ik heb met zand de zee aan banden gelegd,

haar een vaste grens gesteld.

Haar golven donderen, maar tevergeefs,

ze bruisen onstuimig, maar worden gestuit.

23Maar dit volk is koppig en opstandig,

het is zijn eigen weg gegaan.

24

5:24
Deut. 11:14
Jer. 3:3
Joël 2:23
Zij zeiden niet:

“Wij moeten ontzag hebben voor de HEER, onze God,

die ons tijdig regen geeft,

in het najaar en het voorjaar,

die een vaste oogsttijd geeft.”

25Jullie zonden hebben deze orde verstoord,

welvaart bleef door jullie wandaden uit.

26Ik trof schurken aan onder mijn volk,

ineengedoken als vogelvangers loeren ze rond.

Ze zetten een val, ze jagen op mensen.

27Zoals een korf vol vogels is,

zo zijn hun huizen vol gestolen goed.

Daardoor zijn ze machtig en rijk.

28Ze zijn vadsig en vet

en slechter dan slecht.

Ze staan het recht in de weg,

wat wezen toekomt laat hun koud,

de belangen van de armen dienen ze niet.

29

5:29
Jer. 5:9
Zou ik zo’n volk niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?

30Verschrikkelijke dingen, ongehoord,

gebeuren in dit land:

31

5:31
Jes. 10:3
de profeten profeteren leugens,

de priesters treden eigenmachtig op.

En dat bevalt mijn volk!

Wat zullen jullie doen als je einde nadert?

6

De ondergang van Juda is nabij

61

6:1
Jer. 1:13-15
Joël 2:1
Vlucht, volk van Benjamin, vlucht uit Jeruzalem!

Blaas de ramshoorn in Tekoa,

geef vuursignalen boven Bet-Hakkerem.

Onheil dreigt uit het noorden,

alles stort ineen.

2Die lieflijke en tere vrouw breng ik om,

vrouwe Sion zelf.

3Herders met hun kudden komen op haar af,

rondom haar zetten zij hun tenten op,

ieder weidt zijn deel af.

4Ze roepen: “Bereid je voor op de strijd!

Nog deze middag vallen we aan.

Helaas, de dag loopt ten einde,

de schaduwen lengen.

5We vallen aan in de nacht,

dan breken we de burchten af.”

6Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Hak de boomgaarden om,

werp een wal op tegen de stad.

Jeruzalem wordt overgeleverd,

het is een stad vol onderdrukking.

7Zoals water opwelt uit een bron,

zo welt kwaad op uit Jeruzalem.

“Ik ben mishandeld en beroofd,”

klinkt het in de stad.

Onder mijn ogen wordt geslagen, gemarteld,

er komt geen einde aan.

8Laat je terechtwijzen, Jeruzalem,

dan maak ik me niet van je los,

maak ik je niet tot een woestenij,

een onbewoonbaar land.’

9

6:9
Jer. 2:21
Dit zei de HEER van de hemelse machten:

‘Zoek goede druiven6:9 Zoek goede druiven – Voorgestelde lezing. MT: ‘Laten zij goede druiven zoeken’. aan de wijnstok,

zoek wat van Israël nog overbleef.

Zoek als een wijnboer de ranken na.’

10Ik zei: ‘Tegen wie moet ik spreken,

wie luistert naar mijn waarschuwing?

Hun oren zitten dicht, niets merken ze op.

De woorden van de HEER bespotten ze,

ze hebben er een afkeer van.

11Ik ben vol van de toorn van de HEER,

ik kan mij niet meer bedwingen.’

‘Stort mijn woede uit over de kinderen op straat,

over alle jonge mannen.

Mannen en vrouwen worden gevangengenomen,

grijsaards en oude mensen.

12

6:12-15
Jer. 8:10-12
Hun huizen vallen anderen toe,

ook hun akkers en hun vrouwen.

Ik treed op tegen de hele bevolking

– spreekt de HEER.

13

6:13
Jer. 23:11
Want iedereen, van groot tot klein,

is op eigen voordeel uit;

van profeet tot priester,

ieder pleegt bedrog.

14

6:14
Ezech. 13:10
Ze verklaren de wond van mijn volk

lichtvaardig voor genezen,

ze zeggen: “Alles gaat naar wens.”

Nee, niets gaat naar wens!

15Schamen zij zich voor hun wandaden?

Integendeel, zij weten niet wat schaamte is.

Daarom komen ze ten val,

als ik ze straf, storten ze allen dood neer

– zegt de HEER.

16Dit zegt de HEER:

Ga op de kruispunten staan, denk na,

kijk naar de oude wegen.

Welke weg leidt naar het goede?

Sla die in, en vind rust.

Maar zij zeggen: “Dat doen wij niet.”

17Ik stel wachters over jullie aan,

let op het geluid van hun ramshoorn.

Zij zeggen: “Dat doen wij niet.”

18Daarom, volken, luister!

Kom samen en besef wat daar gebeurt.

19

6:19
Spr. 1:29-31
Aarde, luister,

ik breng onheil over dat volk.

Dat is de vrucht van hun bedenksels,

omdat zij niet naar mijn woorden hebben geluisterd,

mijn wet hebben verworpen.

20Wat heb ik aan wierook, uit Seba gehaald,

aan kalmoes uit een ver land?

Jullie brandoffers aanvaard ik niet,

jullie vredeoffers behagen mij niet.

21Daarom – dit zegt de HEER:

Ik leg voor dit volk een struikelblok neer,

waarover het ten val komt.

Zowel vaders als zonen komen om,

zowel buren als vrienden.

22

6:22-24
Jer. 50:41-43
6:22
Jer. 4:6
6:1,22
10:22
13:20
46:24
50:3,9
51:48
Dit zegt de HEER:

Er komt een volk uit het noorden,

een grote overmacht.

Ze komen van de einden der aarde,

worden aangevuurd tot de strijd.

23Ze houden boog en zwaard gereed,

wreed zijn ze, meedogenloos.

Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee,

ze komen op paarden aangestormd.

Hun leger staat in slagorde,

als één man gereed voor de strijd.

Het richt zich, vrouwe Sion, tegen jou!’

24

6:24
Jes. 14:31
Jer. 4:31
‘Wij horen van hun komst,

onze handen beginnen te trillen.

Angst en paniek overweldigen ons,

zoals weeën een barende vrouw.

25Waag je niet buiten de stad, ga niet op reis,

want daar heerst het zwaard van de vijand,

het zaait overal paniek!’

26

6:26
Amos 8:10
Zach. 12:10
‘Hul je in het zwart, mijn volk,

wentel je in het stof.

Rouw als om een enig kind,

klaag met bitter rouwbeklag.

De verwoester overvalt je, onverhoeds.

27Ik maak jou tot een keurmeester,6:27 keurmeester – Voorgestelde lezing. MT: ‘vesting’.

je toetst de handelwijze van mijn volk.

28

6:28
Ezech. 22:17-22
Zij allen zijn rebels en opstandig,

kwaadsprekers, waardeloos koper en ijzer,

zij allen zijn door en door slecht.

29

6:29
Jes. 1:22
Jer. 9:6
Het vuur verschroeit zelfs de blaasbalg,

maar het lood levert geen zilver.

Vergeefs zuivert de smelter,

het goede en het slechte worden niet gescheiden.

30Verworpen zilver worden ze genoemd,

want ze zijn verworpen door de HEER.’

7

Straf voor Juda’s godsdienstige praktijken

71De HEER richtte zich tot Jeremia: 2‘Ga in de tempelpoort staan en verkondig deze boodschap: Luister naar de woorden van de HEER, Judeeërs; luister, jullie die door deze poorten naar binnen gaan om de HEER te vereren. 3Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Beter je leven, dan mogen jullie in dit land blijven wonen. 4Vertrouw niet op die bedrieglijke leus: “Dit is de tempel van de HEER! De tempel van de HEER! De tempel van de HEER!” 5

7:5-6
Jer. 22:3
Als jullie je leven werkelijk beteren, als jullie elkaar rechtvaardig behandelen, 6vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken, in dit land geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aan lopen, jullie onheil tegemoet, 7dan mogen jullie hier blijven wonen, in dit land dat ik jullie voorouders gegeven heb. Zo is het altijd geweest, zo zal het dan altijd zijn. 8Maar jullie vertrouwen op die bedrieglijke leus, en dat zal je niet baten. 9Jullie stelen, moorden, plegen overspel en meineed, branden wierook voor Baäl en lopen achter andere goden aan, die jullie eerst niet kenden. 10En toch durven jullie, terwijl jullie al die gruweldaden plegen, voor mij te verschijnen in deze tempel, het huis waaraan mijn naam verbonden is, met de gedachte: Ons kan niets gebeuren! 11
7:11
Mat. 21:13
Marc. 11:17
Luc. 19:46
Denken jullie soms dat het huis dat mijn naam draagt een rovershol is? Ik zie wel degelijk wat jullie doen – spreekt de HEER.

12

7:12
Joz. 18:1
Ps. 78:60
Jer. 26:6
Ga maar eens naar het heiligdom in Silo, waar ik mijn naam vroeger liet wonen, en zie wat ik er vanwege de wandaden van mijn volk Israël mee heb gedaan. 13
7:13
Jes. 50:2
65:12
66:4
Nu dan – spreekt de HEER –, omdat jullie al die gruweldaden plegen en ik telkens weer tot jullie gesproken heb maar jullie niet hebben geluisterd, omdat ik geroepen heb maar jullie niet hebben geantwoord, 14zal ik met deze tempel, waaraan mijn naam verbonden is en waarin jullie je vertrouwen stellen, en met heel het land dat ik jullie voorouders gegeven heb, hetzelfde doen als met Silo. 15Ik zal jullie verstoten, zoals ik jullie broedervolk, het nageslacht van Efraïm, verstoten heb.

16

7:16
Jer. 11:14
14:11
En jij, bid niet voor dit volk, kom niet langer met smeekbeden, dring niet bij me aan, want ik zal niet naar je luisteren. 17Zie je niet wat er in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem gebeurt? 18
7:18
Jer. 44:17-19
De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken voor de koningin van de hemel te bakken. Ook krenken ze mij door wijnoffers aan andere goden te brengen. 19Maar treffen ze mij daarmee? – spreekt de HEER. Treffen ze niet eerder zichzelf, tot hun eigen schande? 20Daarom, dit zegt God, de HEER: Ik stort over dit land, over de mensen, de dieren, de bomen en gewassen op het veld mijn grote woede uit. Alles zal branden, en niets zal worden geblust.

21Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Maak van je brandoffers maar vredeoffers: eet zelf het vlees maar op! 22Toen ik jullie voorouders uit Egypte leidde, heb ik hun nooit iets gezegd of voorgeschreven over brand- en vredeoffers. 23Wat ik hun geboden heb, is dit: “Wees mij gehoorzaam, dan zal ik jullie God zijn en zullen jullie mijn volk zijn. Volg steeds de weg die ik jullie wijs, daar zullen jullie wél bij varen.” 24

7:24
Jer. 9:13
Maar ze luisterden niet naar mij, ze hebben mij niet gehoorzaamd. Ze volgden hun eigen plannen en lieten zich leiden door hun koppig en boosaardig hart. In plaats van mij te volgen, keerden ze zich van mij af. 25
7:25
2 Kron. 36:15
Jer. 25:4
26:5
29:19
44:4
Vanaf de dag dat jullie voorouders uit Egypte wegtrokken tot op de dag van vandaag heb ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie gezonden. 26Maar niemand die naar mij luisterde, niemand die mij gehoorzaamde. Jullie zijn nog halsstarriger dan jullie voorouders.

27

7:27
Ezech. 3:4-7
Als je dit alles tegen hen zegt, zullen ze niet naar je luisteren; als je hen roept, zullen ze niet antwoorden. 28Zeg dan tegen hen: Hier is nu een volk dat niet heeft geluisterd naar de HEER, zijn God, en dat zich niet heeft laten terechtwijzen. Oprechte woorden komen niet meer over hun lippen.

29

7:29-34
Jer. 19:1-13
Scheer je hoofdhaar af, werp het weg,

hef op de kale heuvels een klaaglied aan.

De HEER verwerpt en verstoot je,

jullie generatie treft hij met zijn toorn.

30
7:30-31
Jer. 32:34
De Judeeërs hebben immers gedaan wat slecht is in mijn ogen – spreekt de HEER. Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is, met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 31
7:31
Lev. 18:21
Deut. 12:31
18:10
2 Kon. 23:10
Ezech. 16:21
en in het Hinnomdal de offerplaats Tofet gebouwd om er hun zonen en dochters te verbranden. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild. 32Daarom – spreekt de HEER –, de dag zal komen dat er niet meer gesproken wordt over Tofet of het Hinnomdal, maar over het Moorddal. Men zal de doden in Tofet begraven tot er geen plaats meer is. 33Dan vallen de lijken van dit volk ten prooi aan roofvogels en wilde dieren, en niemand die ze verjaagt. 34
7:34
Jer. 16:9
25:10
Bar. 2:23
Op. 18:23
Ik zal in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem de vreugdezangen laten verstommen; bruid en bruidegom zullen niet langer van blijdschap zingen, want heel het land wordt een woestenij.