Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
50

Profetie over Babylonië

501

50:1-46
Jes. 13:1-14:23
47:1-15
50:1
Jes. 46:2
De HEER sprak bij monde van de profeet Jeremia de volgende woorden over Babel en Chaldea.

2‘Maak bekend onder alle volken,

laat het horen, geef het door,

houd het niet verborgen, maak bekend:

Babel wordt veroverd,

Bel wordt te schande gemaakt,

Marduk is ten einde raad.

Babels beelden staan te schande,

zijn afgoden zijn radeloos.

3Want een volk rukt op uit het noorden,

het maakt Babel tot een woestenij.

Niets of niemand zal er meer wonen,

ieder mens, elk dier, is op de vlucht geslagen.

4In die dagen, in die tijd,

keert het volk van Israël terug,

samen met het volk van Juda

– spreekt de HEER.

In tranen zullen ze op weg gaan

om de HEER, hun God, te zoeken.

5

50:5
Jer. 31:31
Ze zullen vragen welke weg naar Sion leidt

en richten hun schreden ernaartoe.

Ze zullen aankomen

en zich opnieuw verbinden met de HEER,50:5 Ze zullen aankomen/ en zich opnieuw verbinden met de HEER– Volgens de Septuaginta. MT: ‘Komen jullie en laten zij zich aansluiten bij de HEER’.

in een verbond dat eeuwig duurt

en dat ze nooit zullen vergeten.

6Mijn volk was een dolende kudde schapen,

hun herders lieten hen dwalen,

ze dreven hen de bergen in.

Daar dwaalden ze over heuvels en bergen,

ze vergaten waar hun schaapskooi was.

7Voor wie hun pad kruisten, waren ze een prooi.

Hun belagers zeiden: “Wij maken ons niet schuldig,

zijzelf hebben gezondigd tegen de HEER,

hun ware weidegrond,

tegen de HEER,

de bron van hoop voor hun voorouders.”

8

50:8
Jes. 48:20
52:11
Jer. 51:6,45
Op. 18:4
Maar vlucht nu weg uit Babel,

verlaat het land van de Chaldeeën!

Vlucht, als bokken voor de kudde uit.

9Want ik breng grote volken samen

en vuur ze aan om tegen Babel op te trekken.

Ze komen uit het noorden, belegeren de stad,

ze wordt door hen veroverd.

Ze hebben uitmuntende schutters,50:9 uitmuntende schutters – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘een kinderloos makende schutter’.

hun pijlen treffen altijd doel.

10Chaldea wordt de prooi van plunderaars,

naar hartenlust roven ze – spreekt de HEER.

11Chaldeeën, jullie hebben mijn bezit geplunderd.

Ook al waren jullie toen vol blijdschap,

ook al hieven jullie vreugdekreten aan,

ook al sprongen jullie op als kalveren die mogen dorsen,

hinnikten jullie als hengsten –

12jullie moeder zal te schande staan,

de vrouw die je gedragen heeft, wordt vernederd.

Ze wordt de geringste onder de volken,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

13Door de toorn van de HEER wordt Babel ontvolkt,

heel de stad wordt een woestenij.

Ieder die daar komt zal huiveren,

de adem stokt hem in de keel

om het onheil dat haar heeft getroffen.

14Stel je op in slagorde rond Babel!

Boogschutters, leg aan,

spaar je pijlen niet,

want Babel heeft tegen de HEER gezondigd.

15

50:15
Jes. 59:18
Jer. 51:6
Hef strijdkreten aan, omsingel de stad,

ze zal zich overgeven.

De torens storten in, de muren worden geslecht.

Voltrek aan de stad de wraak van de HEER,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

16Dood de zaaiers van Babel,

roei de maaiers in de oogsttijd uit.

Door het moordend geweld vlucht ieder naar zijn eigen volk,

keert ieder naar zijn eigen land terug.

17

50:17
Jer. 51:34
Israël was een dolend schaap,

door leeuwen van de kudde verdreven.

Eerst viel het ten prooi aan de koning van Assyrië,

een ander kloof daarna de botten af:

Nebukadnessar, de koning van Babylonië.

18Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga de koning van Babylonië en zijn land straffen, zoals ik de koning van Assyrië heb gestraft, 19en ik zal Israël terugbrengen naar zijn weidegrond. Het zal weer op de Karmel en de Basan grazen, en het zal in het bergland van Efraïm en Gilead zijn honger stillen – spreekt de HEER. 20

50:20
Jes. 4:3
Jer. 31:34
In die dagen, in die tijd, zal ik onderzoeken of er nog wandaden op Israëls rekening staan. Ze zullen er niet zijn. En ik zal onderzoeken of Juda nog zonden op zijn rekening heeft staan. Ik zal ze niet vinden, want allen die ik in leven laat, zal ik vergeven.

21Trek op tegen Merataïm,

ruk op tegen de inwoners van Pekod.

Volg ze, vel ze en vernietig ze – spreekt de HEER –,

doe alles wat ik jullie heb bevolen.

22Hoor! Het land is vol wapengekletter,

het gaat gebukt onder oorlogsgeraas.

23

50:23
Jer. 51:20,41
Ach, nu is de hamer die de hele aarde sloeg,

gespleten en verbrijzeld.

Ach, nu is Babel zelf een schrikbeeld voor elk volk.

24Babel, je hebt jezelf een val gezet

en bent gevangen, zonder het te merken.

Je bent gestrikt, kunt nergens heen,

want je hebt de HEER getart.

25De HEER heeft zijn wapenkamer geopend,

hij heeft in zijn woede zijn wapens gegrepen.

De HEER, de God van de hemelse machten,

doet zijn krijgswerk in Chaldea.

26Val Babel aan! Val aan van alle kanten!

Breek de voorraadschuren open,

gooi alles op een hoop, als was het graan.

Vernietig alles, niets mag overblijven.

27Snijd alle leiders van Babel de keel af,

voer ze naar de slachtbank, al die stieren.

Wee hun! Hun laatste uur is aangebroken,

het moment waarop met hen wordt afgerekend, is gekomen.

28Luister naar de vluchtelingen,

die uit Babel zijn ontkomen.

In Sion brengen zij de boodschap:

“Dit is de wraak van de HEER, onze God.

Hij heeft zijn tempel gewroken.”

29

50:29
Ps. 28:4
Op. 18:6
Stuur boogschutters naar Babel,

sla het beleg voor de stad,

laat niemand ontkomen.

Vergeld wat ze heeft aangericht,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

Ze was hoogmoedig tegenover de HEER,

de Heilige van Israël.

30De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER.

31Ik zal je straffen, hoogmoedige stad

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten –,

de dag dat ik je straf is nu gekomen.

32In je hoogmoed zul je struikelen en vallen,

niemand helpt je overeind.

De steden om je heen laat ik in vlammen opgaan,

het land valt aan vuur ten prooi.

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ook al wordt het volk van Israël verdrukt,

samen met het volk van Juda,

ook al houdt hun vijand hen vast

en mogen ze van hem niet gaan –

34hun beschermer is sterk.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten!

Hij zal zeker voor hun recht opkomen.

Hij zal op aarde rust brengen,

maar de inwoners van Babel zal hij van hun rust beroven.

35Het zwaard treft de Chaldeeën – spreekt de HEER –,

de inwoners van Babel, leiders en wijzen.

36Het zwaard treft de orakelpriesters, ze staan voor schut.

Het zwaard treft de troepen, ze staan verlamd van angst.

37

50:37
Jer. 51:30
Het zwaard treft paarden en wagens,

en Babels huurlingen worden als vrouwen.

Het zwaard treft alle voorraadkamers, ze worden geplunderd.

38

50:38
Jer. 51:36
Een verzengende hitte treft alle rivieren, ze vallen droog.

Het is een land vol afgodsbeelden,

het wordt door demonen tot waanzin gedreven.

39

50:39
Jes. 34:13-17
Jer. 49:33
Op. 18:2
Er zullen daarom woestijndieren en hyena’s wonen,

er zullen struisvogels in ruïnes huizen.

Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

40

50:40
Gen. 19:24-25
Deut. 29:22
Amos 4:11
Ik heb Sodom, Gomorra en de naburige steden verwoest,

ik liet daar niemand meer wonen

– spreekt de HEER.

Zo zal er niemand meer wonen in Babel,

geen mens zal er nog verblijven.

41

50:41-43
Jer. 6:22-24
Er komt een volk aan uit het noorden,

een grote overmacht.

Vele koningen, van de einden der aarde,

worden aangevuurd tot de strijd.

42Ze houden boog en zwaard gereed,

wreed zijn ze, meedogenloos.

Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee,

ze komen op paarden aangestormd.

Hun leger staat in slagorde,

als één man gereed voor de strijd.

Het richt zich, Babel, tegen jou!

43De koning hoort van hun komst,

zijn handen beginnen te trillen.

Angst en paniek overvallen hem,

zoals weeën een barende vrouw.

44

50:44-46
Jer. 49:19-21
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Babel binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

45Luister daarom naar het besluit van de HEER

dat hij over Babel heeft genomen.

Hoor wat hij met Chaldea van plan is.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

46“Babel is gevallen!” Van die tijding beeft de aarde,

alle volken horen hoe het schreeuwt.

51

511Dit zegt de HEER:

Ik ontketen een vernietigende storm over Babel,

over de bevolking van Leb-Kamai.51:1 Leb-Kamai – Leb-Kamai is een naam voor Chaldea, in het Hebreeuws kasdiem, geschreven in een soort geheimschrift, waarin de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet vervangen wordt door de laatste, de tweede door de voorlaatste, enzovoort.

2Ik stuur vreemde volken op hen af.

Die zullen hen uiteenslaan,

ze plunderen het hele land.

Op die onheilsdag

komen ze van alle kanten op hen af.

3Laat de boogschutters hun pijlen richten

op ieder die de boog spant tegen hen,

ieder die het harnas aangordt.

Spaar zelfs de jongste strijders niet,

vernietig heel het leger.

4In Chaldea zullen velen sneuvelen,

ze liggen doorstoken in de straten,

5want het land boet voor zijn schuld

tegen de Heilige van Israël.

God laat Israël niet als weduwe achter,

de HEER van de hemelse machten laat Juda niet in de steek.

6

51:6-7
Op. 18:3-4
51:6
Jer. 50:8,15
Vlucht uit Babel, red het vege lijf,

ontloop de straf voor Babels schuld.

Dit is het tijdstip dat de HEER zich wreekt,

de stad krijgt haar verdiende loon.

7

51:7
Jer. 25:15-29
Op. 17:2-4
Babel was een gouden beker in de hand van de HEER,

een beker die de hele wereld dronken voerde.

Alle volken dronken van de wijn,

daardoor zijn ze zo waanzinnig.

8

51:8
Jer. 50:23
Op. 18:2
Plotseling valt Babel,

hef een klaaglied aan!

Haal balsem die haar pijn verlicht,

misschien geneest ze nog.

9

51:9
Op. 18:5
Maar de artsen zeggen:

“We hebben geprobeerd haar te genezen, ze was niet te redden.

Laat haar achter, wij gaan terug naar ons eigen land.

Deze straf gaat elke aardse maat te boven,

dit vonnis reikt tot aan de wolken.”

10Israël zal zeggen:

“De HEER heeft onze rechten hersteld.

Kom, laten we in Sion vertellen

wat de HEER, onze God, heeft gedaan.”

11

51:11
Jes. 13:17
De HEER heeft de koning van Medië aangevuurd,

zijn doel is de vernietiging van Babel.

Dit is de wraak van de HEER,

hij wreekt zijn tempel.

Mannen, scherp de pijlen, vul de kokers.

12Steek tegen Babels muren de strijdvaan op.

Versterk het beleg, zet wachtposten uit.

Laat stoottroepen hun stellingen betrekken.

De HEER doet wat hij aangekondigd heeft,

hij doet met Babel wat hij heeft besloten.

13

51:13
Jer. 50:37-38
Op. 17:1
Volk van Babel, je woont tussen grote rivieren,

te midden van grote rijkdommen,

maar je einde is gekomen,

je levensdraad wordt doorgesneden.

14De HEER van de hemelse machten heeft bij zichzelf gezworen:

Ik bedek dat land met vijanden, als sprinkhanen zo talrijk,

ze heffen strijdkreten tegen je aan.’

15

51:15-19
Jer. 10:12-16
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

16

51:16
Ps. 135:7
als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt hij aan de einder,

bliksems smeedt hij, de regen valt,

hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

17Het menselijk verstand staat daarbij stil.

De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden.

Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet,

18lege, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

19Hoe anders is de God van Jakob,

hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

20

51:20
Jer. 50:23
‘Medië, je bent mijn strijdhamer,

mijn wapen in de strijd.

Met jou verbrijzel ik volken,

vernietig ik koninkrijken.

21Met jou verbrijzel ik paarden en ruiters,

vernietig ik wagens en menners.

22Met jou verbrijzel ik mannen en vrouwen,

vernietig ik jong en oud.

Met jou verbrijzel ik jongens en meisjes,

23vernietig ik herders en kudden.

Met jou verbrijzel ik boeren en ploegossen,

vernietig ik bestuurders en bevelhebbers.

24Israël, ik zal ze laten boeten,

de inwoners van Babel en Chaldea,

voor alles wat ze voor jouw ogen in Sion hebben aangericht

– spreekt de HEER.

25Babel, berg die alles vernietigt,

die heel de aarde verwoest,

ik grijp je vast en gooi je in de diepte

– spreekt de HEER –,

ik maak van jou een berg van as.

26

51:26
Jer. 50:40
Niemand zal nog een hoeksteen uit je kappen,

of stenen voor een fundament.

Je wordt voor altijd een verlaten oord – spreekt de HEER.

27Steek overal op aarde de strijdvaan op.

Blaas de ramshoorn onder alle volken,

in het rijk van Ararat, Minni en Askenaz.

Bereid ze voor op de strijd tegen Babel.

Stel officieren aan die de veldtocht leiden.

Laat woeste paarden aanstormen, als een bende sprinkhanen.

28Bereid vele volken voor op de strijd,

de koning van Medië, bestuurders en bevelhebbers,

allen in het rijk waarover hij heerst.

29De aarde beeft en schreeuwt als in barensnood.

De HEER voert zijn plannen tegen Babel uit:

hij maakt het land tot een onbewoonde woestenij.

30

51:30
Jes. 19:16
Jer. 50:37
Nah. 3:13
De Babyloniërs staken de strijd,

de soldaten komen hun forten niet meer uit.

Hun kracht verdampt, ze worden als vrouwen.

De huizen worden in brand gestoken,

de sluitboom van de stadspoort wordt verbrijzeld.

31Boodschapper na boodschapper komt aangesneld,

boden rennen af en aan en melden de koning:

“De vijand dringt de stad van alle kanten binnen,

32de bruggen zijn al genomen,

de forten staan in brand,

het leger is ten einde raad.”

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël:

Babel is een dorsvloer die wordt aangestampt.

Nog even, en het graan wordt gedorst.

34

51:34
Jer. 50:17
“Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft mij in stukken gereten, opgevreten.

Hij heeft van mij een lege schotel gemaakt.

Als een krokodil heeft hij me opgeslokt.

Hij heeft zijn buik gevuld met mijn beste vlees

en me daarna weggegooid,”

zegt Israël.

35“Moge Babel boeten

voor het onrecht dat het ons heeft aangedaan,

voor het voedsel dat het ons ontstolen heeft,”

roepen Sions inwoners.

“Moge de bevolking van Chaldea boeten

voor het bloed dat ze vergoten heeft,”

roept Jeruzalem.

36

51:36
Jer. 50:38
Daarom – dit zegt de HEER:

Ik zal voor jullie recht opkomen,

ik zal jullie wreken.

Ik zal de Eufraat laten opdrogen,

de watertoevoer leg ik droog.

37

51:37
Jer. 50:39
Babel wordt een berg van puin, een oord voor jakhalzen.

Het is huiveringwekkend, ademstokkend,

alle inwoners zijn verdwenen.

38Nu nog brullen ze als leeuwen,

nu nog grommen ze als welpen.

39

51:39
Jer. 51:57
Maar als ze hongeren en dorsten,

zet ik hun een feestmaal voor.

Ik giet ze vol met wijn,

tot ze waggelen en lallen.

Dan vallen ze voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de HEER.

40Als lammeren leid ik ze naar de slachtbank,

als rammen en bokken.

41

51:41
Jer. 25:26
50:23
Ach, nu is Sesach51:41 Sesach – Zie de noot bij 25:26. veroverd,

nu is het sieraad van de hele aarde ingenomen,

nu is Babel een schrikbeeld voor elk volk.

42Een zee rijst op tegen Babel,

het wordt overspoeld door machtige golven.

43De steden eromheen worden een woestenij,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

Niemand zal er wonen,

geen mens trekt erdoorheen.

44Ik zal Bel, de god van Babel, straffen.

Ik dwing hem heel zijn prooi weer uit te braken,

de toestroom van de volken is voorbij.

Babels muren zullen vallen!

45

51:45
Jer. 50:8
Vlucht, mijn volk, ontvlucht de stad,

laat ieder vluchten voor de grote toorn van de HEER.

46

51:46
Mat. 24:6
Laat het hoofd niet hangen, wees niet bang

voor geruchten her en der.

Dit jaar gaat er een bang gerucht,

het volgend jaar gaat er een ander.

Het land wordt overspoeld door geweld,

heersers vechten tegen heersers.

47Maar houd voor ogen dat de tijd zal komen

dat ik de afgoden van Babel zal straffen.

Heel het land is dan ontredderd,

de straten zijn bezaaid met lijken.

48

51:48
Op. 18:20
19:1-2
Als de verwoester uit het noorden aanstormt,

juichen hemel en aarde over Babels lot,

al wat er in de hemel en op aarde leeft

– spreekt de HEER.

49Babel zelf moet vallen,

zoals tallozen door Babel vielen,

in Israël, ja, overal ter wereld.

50Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn,

vlucht verder, blijf niet staan.

Al zijn jullie nog ver van huis,

noem de naam van de HEER,

richt je gedachten enkel op Jeruzalem.

51Al zeggen jullie ook:

“Wij schamen ons, we werden bespot,

wat werden we vernederd

toen de tempel van de HEER door vreemden werd geschonden” –

52de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik hun afgoden zal straffen.

In heel hun land zullen de gewonden kermen.

53

51:53
Jes. 14:13
Jer. 49:16
Ook al reikt hun stad tot aan de hemel,

ook al bouwt men torenhoge vestingen,

ik stuur een vijand die haar zal verwoesten

– spreekt de HEER.

54Vanuit Babel zal gejammer klinken,

in Chaldea klinkt oorlogsgeraas.

55De HEER vernietigt Babel,

hij maakt een einde aan het feestgedruis.

Zijn troepen overspoelen het als donderende golven.

56Een vernietiger trekt op tegen Babel,

de soldaten geven zich gewonnen,

hun bogen worden stukgebroken.

Want de HEER is een God die wreekt,

zijn vergelding kan niet worden afgewend.

57

51:57
Jer. 51:39
Ik zal Babels leiders en wijzen,

bestuurders, bevelhebbers en soldaten dronken voeren.

Ze vallen voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de koning, wiens naam is HEER van de hemelse machten.

58

51:58
Hab. 2:13
Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Babels brede muren worden tot de laatste steen gesloopt,

zijn hoge poorten gaan in vlammen op.

De volken zwoegen voor niets,

de naties matten zich af voor een verslindend vuur.’

59Hier volgt de opdracht van Jeremia aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Seraja was hofmaarschalk van koning Sedekia van Juda. Hij vergezelde koning Sedekia naar Babel, in het vierde jaar van diens regering. 60Jeremia had zijn profetie over het onheil dat Babel zou treffen, alles wat hiervoor beschreven staat, in een boekrol opgeschreven. 61Hij zei tegen Seraja: ‘Als u in Babel bent aangekomen, moet u deze hele boekrol voorlezen. 62

51:62
Jer. 51:26
Verder moet u het volgende zeggen: “HEER, u bent het die heeft aangekondigd dat hij deze stad gaat verwoesten. Niets of niemand zal er nog wonen, mens noch dier, ze wordt voor altijd een verlaten oord.” 63Nadat u de boekrol helemaal voorgelezen hebt, moet u hem aan een steen vastmaken en in de Eufraat gooien. 64
51:64
Op. 18:21
Zeg dan: “Zo zal Babel verzinken en nooit meer bovenkomen. Door het onheil dat ik, de HEER, over Babel breng zal het ten onder gaan.”’

Hier eindigen de profetieën van Jeremia.

52

De verwoesting van Jeruzalem

521

52:1-30
2 Kon. 24:18-25:21
52:1-3
2 Kron. 36:11-21
Jer. 27:1
Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, een dochter van Jirmeja, uit Libna. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim. 3
52:3
Ezech. 17:15
De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat hij ze uiteindelijk verstootte.

Sedekia kwam tegen de koning van Babylonië in opstand. 4

52:4-16
Jer. 39:1-10
52:4
Ezech. 24:2
In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan en ze sloegen er hun kamp op. Ze wierpen een wal op rondom de stad 5en belegerden haar tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. 6Op de negende dag van de vierde maand – de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten – 7werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën de stad omsingelden, wisten de soldaten ’s nachts te ontkomen. Ze verlieten de stad via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. Ze vluchtten in de richting van de Jordaanvallei, 8maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde Sedekia in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen 9en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla in het gebied van Hamat, naar de koning van Babylonië, en die berechtte hem. 10Eerst liet hij de zonen van Sedekia voor diens ogen afslachten, samen met alle raadsheren van Juda, 11
52:11
Ezech. 12:13
en toen liet hij Sedekia de ogen uitsteken. Daarna voerde hij hem geboeid met bronzen ketenen naar Babel, waar hij in de gevangenis werd gezet. Daar bleef hij tot de dag van zijn dood.

12Op de tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens vertegenwoordiger Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. 13

52:13
1 Kon. 9:8
Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. 14Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer. 15De mensen die nog in de stad overgebleven waren, onder wie de armen, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen en de overgebleven handwerkslieden. 16Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

17De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldeeën uit elkaar gehaald; het brons namen ze mee naar Babel. 18Ook de vuurpannen, vuurscheppen, messen, offerschalen, kommen en het andere koperen tempelgerei namen ze mee. 19Verder nam commandant Nebuzaradan alle vergulde en verzilverde voorwerpen mee, zoals de schalen, vuurpotten, offerschalen, vuurpannen, lampenstandaards, kommen en plengschalen. 20De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen van brons eronder, en de verrijdbare onderstellen52:20 met de twaalf runderen van brons eronder, en de verrijdbare onderstellen – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘en de twaalf bronzen runderen onder de verrijdbare onderstellen’. die Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. 21De zuilen waren elk achttien el hoog en hadden een omtrek van twaalf el. Ze waren hol vanbinnen en hun wanddikte was vier vingers. 22Ze waren bekroond met een bronzen kapiteel van vijf el met een vlechtwerk, versierd met granaatappels. Ze waren van massief brons. 23

52:23
1 Kon. 7:41-50
Ze hadden vier zijden, waarop zesennegentig granaatappels bevestigd waren; in totaal telde het vlechtwerk honderd granaatappels.

24De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. 25En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, zeven van de raadsheren die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber, die het volk onder de wapenen riep, en zestig mensen uit het gewone volk. 26Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babylonië. 27Deze liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen.

Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap. 28Nebukadnessar voerde het volgende aantal Judeeërs weg: in het zevende jaar van zijn regering drieduizend drieëntwintig, 29in het achttiende jaar achthonderdtweeëndertig, 30en in het drieëntwintigste jaar liet hij Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, er nog zevenhonderdvijfenveertig wegvoeren. In totaal vierduizend zeshonderd Judeeërs.

Gratie voor Jojachin

31

52:31-34
2 Kon. 25:27-30
In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem gratie ter gelegenheid van zijn troonsbestijging en ontsloeg hij hem uit de gevangenis. 32Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. 33Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. 34In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning van Babylonië voorzien, zijn leven lang.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]