Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
49

Profetie over Ammon

491

49:1-6
Ezech. 21:33-37
25:1-7
Amos 1:13-15
Sef. 2:8-11
‘Dit zegt de HEER over de Ammonieten:

Heeft Israël geen eigen zonen,

heeft het zelf geen erfgenamen?

Hoe kon de god Milkom49:1 de god Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. dan Gad verjagen,

waarom woont zijn volk nu in de steden van die stam?

2Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik Rabbat-Ammon dreunen laat van krijgsgeschreeuw.

Het valt in puin, het zal verlaten zijn,

de dorpen gaan in vlammen op.

Dan zal Israël zijn bezetter verjagen

– spreekt de HEER.

3Barst uit in gejammer, Chesbon,

want Ai wordt verwoest.

Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba,

weeklaag, hul je in het zwart.

Ren radeloos rond in de velden,

want Milkom49:3 Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. gaat in ballingschap.

Priesters en leiders volgen hem.

4Ammon, waarom poch je zo op je valleien,

je velden die zo vruchtbaar zijn?

Eigenzinnig volk van Ammon,

jullie wanen je zo veilig met je voorraden

dat jullie zeggen: “Niemand kan ons aan.”

5Ik stuur een angstwekkende vijand,

hij komt van alle kanten op je af

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten.

Hij zal jullie als vluchtelingen verstrooien,

niemand verenigt jullie weer.

6Maar eens zal ik in Ammons lot een keer brengen

– spreekt de HEER.

Profetie over Edom

7

49:7-22
Jes. 34:5-17
63:1-6
Ezech. 25:12-14
35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
Dit zegt de HEER van de hemelse machten over Edom:

Is er geen wijsheid meer in Teman,

gaat men daar niet langer met verstand te werk,

is elk inzicht daar verdwenen?

8Vlucht, vlucht weg, inwoners van Dedan,

zoek een diep verborgen schuilplaats.

Ik breng onheil over Esaus nageslacht,

het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken.

9Als er druivenplukkers komen,

snijden ze niet alle trossen af.

Als er dieven komen in de nacht,

stelen ze alleen wat hun van pas komt.

10Maar ik pluk het land van Esau kaal,

elke schuilplaats leg ik bloot.

Niemand kan zich nog verbergen,

heel het nageslacht van Esau wordt verdelgd.

Niemand overleeft, geen broers, geen buren.

11Niemand zegt:49:11 Niemand zegt – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Ze zijn niet meer’. “Vertrouw de wezen toe aan mij,

ik zal voor ze zorgen.

Laat de weduwen op mij vertrouwen.”

12

49:12
Jer. 25:28-29
Dit zegt de HEER: Zelfs zij die het niet verdienen uit de beker van mijn toorn te drinken, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Je zult niet ongestraft blijven. Drinken zul je! 13Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER – dat Bosra een verschrikkelijke woestenij wordt, een plaats die wordt bespot en vervloekt, en dat alle steden eromheen voor altijd een ruïne worden.’

14‘De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken,

ook ik heb zijn boodschap gehoord:

“Sluit je aaneen, trek ten strijde tegen Edom!”’

15‘Dit zegt de HEER over Edom:

Ik maak van jou een onbeduidend volk,

veracht door iedereen.

16

49:16
Jer. 51:53
Hab. 2:9
Door je hoogmoed heb je je laten verleiden,

door je ongenaakbaarheid.

Hoog woon je, hoog in de rotskloven,

de hoogste bergtoppen houd je bezet.

Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest,

dan nog haal ik je neer – spreekt de HEER.

17Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokt de adem in de keel. 18

49:18
Gen. 19:24-25
Jer. 50:40
Het wordt volkomen verwoest – zegt de HEER – zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal in Edom wonen, mensen zullen er niet meer verblijven.

19

49:19-21
Jer. 50:44-46
49:19
Job 9:19
Wijsh. 12:12
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Edom binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

20Luister daarom naar de plannen van de HEER

die hij tegen Edom heeft beraamd.

Hoor wat hij voor Teman in gedachte heeft.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

21De aarde beeft van Edoms val,

hun gejammer klinkt tot aan de Rode Zee.

22De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Bosra cirkelt.

Edoms helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

Profetie over Damascus

23

49:23-27
Jes. 17:1-3
Amos 1:3-5
Zach. 9:1
Dit zegt de HEER over Damascus:

Hamat en Arpad zijn ontredderd,

de bevolking heeft rampzalig nieuws gehoord.

Zoals de zee wordt opgezweept,

zo woelt de angst in hen.

Rust is ver te zoeken.

24Damascus heeft de moed verloren.

De inwoners zijn nu al op de vlucht geslagen,

aangegrepen door paniek.

Ze sidderen en beven,

zoals een vrouw in barensnood.

25Waarom toch wordt Damascus nog verdedigd,

die schitterende stad waarin ik vreugde vond?

26De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

27Ik zal de muren van Damascus in vlammen doen opgaan,

vuur verteert de burchten van Benhadad.

Profetie over Kedar en de stammen rond Chasor

28De HEER zegt over Kedar en de stammen rond Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babylonië werden verslagen:

Vooruit, trek op tegen Kedar,

verdelg die stammen uit het oosten.

29Roof hun tenten, geiten, schapen,

neem alles mee wat ze bezitten.

Maak hun kamelen buit,

laat hen schreeuwen in paniek.

30Inwoners van Chasor, vlucht,

zwerm uit naar alle kanten,

zoek een diep verborgen schuilplaats – spreekt de HEER.

Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft tegen jullie kwaad in de zin,

hij heeft zijn plannen tegen jullie klaar.

31Vooruit, trek op tegen dat zorgeloze volk

dat zich veilig waant – spreekt de HEER –,

dat poorten noch grendels heeft,

en leeft in afgelegen streken.

32Hun kamelen worden buitgemaakt,

heel hun veestapel geroofd.

Ik zal die stammen met hun kaalgeschoren slapen

in elke windrichting verstrooien.

Ik breng van alle kanten onheil

– spreekt de HEER.

33Chasor wordt een oord voor jakhalzen,

het wordt voor altijd een woestenij.

Het wordt ontvolkt,

mensen zullen er niet meer verblijven.’

Profetie over Elam

34De HEER richtte tot de profeet Jeremia de volgende woorden over Elam, in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda:

35‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik zal Elams bogen breken,

het wapentuig waarop zijn macht berust.

36Ik laat vier stormen over Elam komen,

uit alle vier de hoeken van de hemel.

Ik zal dat volk in elke windrichting verstrooien,

geen land waar men de ballingen niet ziet.

37Ik jaag hun een dodelijke angst aan voor de vijand,

hun vijand die hun naar het leven staat.

In mijn laaiende woede breng ik onheil over hen

– spreekt de HEER.

Ik achtervolg hen met geweld,

totdat ik hen vernietigd heb.

38Dan zal ik mijn troon in Elam vestigen,

en koning en leiders wegvagen – spreekt de HEER.

39Maar eens zal ik in Elams lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

50

Profetie over Babylonië

501

50:1-46
Jes. 13:1-14:23
47:1-15
50:1
Jes. 46:2
De HEER sprak bij monde van de profeet Jeremia de volgende woorden over Babel en Chaldea.

2‘Maak bekend onder alle volken,

laat het horen, geef het door,

houd het niet verborgen, maak bekend:

Babel wordt veroverd,

Bel wordt te schande gemaakt,

Marduk is ten einde raad.

Babels beelden staan te schande,

zijn afgoden zijn radeloos.

3Want een volk rukt op uit het noorden,

het maakt Babel tot een woestenij.

Niets of niemand zal er meer wonen,

ieder mens, elk dier, is op de vlucht geslagen.

4In die dagen, in die tijd,

keert het volk van Israël terug,

samen met het volk van Juda

– spreekt de HEER.

In tranen zullen ze op weg gaan

om de HEER, hun God, te zoeken.

5

50:5
Jer. 31:31
Ze zullen vragen welke weg naar Sion leidt

en richten hun schreden ernaartoe.

Ze zullen aankomen

en zich opnieuw verbinden met de HEER,50:5 Ze zullen aankomen/ en zich opnieuw verbinden met de HEER– Volgens de Septuaginta. MT: ‘Komen jullie en laten zij zich aansluiten bij de HEER’.

in een verbond dat eeuwig duurt

en dat ze nooit zullen vergeten.

6Mijn volk was een dolende kudde schapen,

hun herders lieten hen dwalen,

ze dreven hen de bergen in.

Daar dwaalden ze over heuvels en bergen,

ze vergaten waar hun schaapskooi was.

7Voor wie hun pad kruisten, waren ze een prooi.

Hun belagers zeiden: “Wij maken ons niet schuldig,

zijzelf hebben gezondigd tegen de HEER,

hun ware weidegrond,

tegen de HEER,

de bron van hoop voor hun voorouders.”

8

50:8
Jes. 48:20
52:11
Jer. 51:6,45
Op. 18:4
Maar vlucht nu weg uit Babel,

verlaat het land van de Chaldeeën!

Vlucht, als bokken voor de kudde uit.

9Want ik breng grote volken samen

en vuur ze aan om tegen Babel op te trekken.

Ze komen uit het noorden, belegeren de stad,

ze wordt door hen veroverd.

Ze hebben uitmuntende schutters,50:9 uitmuntende schutters – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘een kinderloos makende schutter’.

hun pijlen treffen altijd doel.

10Chaldea wordt de prooi van plunderaars,

naar hartenlust roven ze – spreekt de HEER.

11Chaldeeën, jullie hebben mijn bezit geplunderd.

Ook al waren jullie toen vol blijdschap,

ook al hieven jullie vreugdekreten aan,

ook al sprongen jullie op als kalveren die mogen dorsen,

hinnikten jullie als hengsten –

12jullie moeder zal te schande staan,

de vrouw die je gedragen heeft, wordt vernederd.

Ze wordt de geringste onder de volken,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

13Door de toorn van de HEER wordt Babel ontvolkt,

heel de stad wordt een woestenij.

Ieder die daar komt zal huiveren,

de adem stokt hem in de keel

om het onheil dat haar heeft getroffen.

14Stel je op in slagorde rond Babel!

Boogschutters, leg aan,

spaar je pijlen niet,

want Babel heeft tegen de HEER gezondigd.

15

50:15
Jes. 59:18
Jer. 51:6
Hef strijdkreten aan, omsingel de stad,

ze zal zich overgeven.

De torens storten in, de muren worden geslecht.

Voltrek aan de stad de wraak van de HEER,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

16Dood de zaaiers van Babel,

roei de maaiers in de oogsttijd uit.

Door het moordend geweld vlucht ieder naar zijn eigen volk,

keert ieder naar zijn eigen land terug.

17

50:17
Jer. 51:34
Israël was een dolend schaap,

door leeuwen van de kudde verdreven.

Eerst viel het ten prooi aan de koning van Assyrië,

een ander kloof daarna de botten af:

Nebukadnessar, de koning van Babylonië.

18Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga de koning van Babylonië en zijn land straffen, zoals ik de koning van Assyrië heb gestraft, 19en ik zal Israël terugbrengen naar zijn weidegrond. Het zal weer op de Karmel en de Basan grazen, en het zal in het bergland van Efraïm en Gilead zijn honger stillen – spreekt de HEER. 20

50:20
Jes. 4:3
Jer. 31:34
In die dagen, in die tijd, zal ik onderzoeken of er nog wandaden op Israëls rekening staan. Ze zullen er niet zijn. En ik zal onderzoeken of Juda nog zonden op zijn rekening heeft staan. Ik zal ze niet vinden, want allen die ik in leven laat, zal ik vergeven.

21Trek op tegen Merataïm,

ruk op tegen de inwoners van Pekod.

Volg ze, vel ze en vernietig ze – spreekt de HEER –,

doe alles wat ik jullie heb bevolen.

22Hoor! Het land is vol wapengekletter,

het gaat gebukt onder oorlogsgeraas.

23

50:23
Jer. 51:20,41
Ach, nu is de hamer die de hele aarde sloeg,

gespleten en verbrijzeld.

Ach, nu is Babel zelf een schrikbeeld voor elk volk.

24Babel, je hebt jezelf een val gezet

en bent gevangen, zonder het te merken.

Je bent gestrikt, kunt nergens heen,

want je hebt de HEER getart.

25De HEER heeft zijn wapenkamer geopend,

hij heeft in zijn woede zijn wapens gegrepen.

De HEER, de God van de hemelse machten,

doet zijn krijgswerk in Chaldea.

26Val Babel aan! Val aan van alle kanten!

Breek de voorraadschuren open,

gooi alles op een hoop, als was het graan.

Vernietig alles, niets mag overblijven.

27Snijd alle leiders van Babel de keel af,

voer ze naar de slachtbank, al die stieren.

Wee hun! Hun laatste uur is aangebroken,

het moment waarop met hen wordt afgerekend, is gekomen.

28Luister naar de vluchtelingen,

die uit Babel zijn ontkomen.

In Sion brengen zij de boodschap:

“Dit is de wraak van de HEER, onze God.

Hij heeft zijn tempel gewroken.”

29

50:29
Ps. 28:4
Op. 18:6
Stuur boogschutters naar Babel,

sla het beleg voor de stad,

laat niemand ontkomen.

Vergeld wat ze heeft aangericht,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

Ze was hoogmoedig tegenover de HEER,

de Heilige van Israël.

30De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER.

31Ik zal je straffen, hoogmoedige stad

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten –,

de dag dat ik je straf is nu gekomen.

32In je hoogmoed zul je struikelen en vallen,

niemand helpt je overeind.

De steden om je heen laat ik in vlammen opgaan,

het land valt aan vuur ten prooi.

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ook al wordt het volk van Israël verdrukt,

samen met het volk van Juda,

ook al houdt hun vijand hen vast

en mogen ze van hem niet gaan –

34hun beschermer is sterk.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten!

Hij zal zeker voor hun recht opkomen.

Hij zal op aarde rust brengen,

maar de inwoners van Babel zal hij van hun rust beroven.

35Het zwaard treft de Chaldeeën – spreekt de HEER –,

de inwoners van Babel, leiders en wijzen.

36Het zwaard treft de orakelpriesters, ze staan voor schut.

Het zwaard treft de troepen, ze staan verlamd van angst.

37

50:37
Jer. 51:30
Het zwaard treft paarden en wagens,

en Babels huurlingen worden als vrouwen.

Het zwaard treft alle voorraadkamers, ze worden geplunderd.

38

50:38
Jer. 51:36
Een verzengende hitte treft alle rivieren, ze vallen droog.

Het is een land vol afgodsbeelden,

het wordt door demonen tot waanzin gedreven.

39

50:39
Jes. 34:13-17
Jer. 49:33
Op. 18:2
Er zullen daarom woestijndieren en hyena’s wonen,

er zullen struisvogels in ruïnes huizen.

Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

40

50:40
Gen. 19:24-25
Deut. 29:22
Amos 4:11
Ik heb Sodom, Gomorra en de naburige steden verwoest,

ik liet daar niemand meer wonen

– spreekt de HEER.

Zo zal er niemand meer wonen in Babel,

geen mens zal er nog verblijven.

41

50:41-43
Jer. 6:22-24
Er komt een volk aan uit het noorden,

een grote overmacht.

Vele koningen, van de einden der aarde,

worden aangevuurd tot de strijd.

42Ze houden boog en zwaard gereed,

wreed zijn ze, meedogenloos.

Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee,

ze komen op paarden aangestormd.

Hun leger staat in slagorde,

als één man gereed voor de strijd.

Het richt zich, Babel, tegen jou!

43De koning hoort van hun komst,

zijn handen beginnen te trillen.

Angst en paniek overvallen hem,

zoals weeën een barende vrouw.

44

50:44-46
Jer. 49:19-21
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Babel binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

45Luister daarom naar het besluit van de HEER

dat hij over Babel heeft genomen.

Hoor wat hij met Chaldea van plan is.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

46“Babel is gevallen!” Van die tijding beeft de aarde,

alle volken horen hoe het schreeuwt.

51

511Dit zegt de HEER:

Ik ontketen een vernietigende storm over Babel,

over de bevolking van Leb-Kamai.51:1 Leb-Kamai – Leb-Kamai is een naam voor Chaldea, in het Hebreeuws kasdiem, geschreven in een soort geheimschrift, waarin de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet vervangen wordt door de laatste, de tweede door de voorlaatste, enzovoort.

2Ik stuur vreemde volken op hen af.

Die zullen hen uiteenslaan,

ze plunderen het hele land.

Op die onheilsdag

komen ze van alle kanten op hen af.

3Laat de boogschutters hun pijlen richten

op ieder die de boog spant tegen hen,

ieder die het harnas aangordt.

Spaar zelfs de jongste strijders niet,

vernietig heel het leger.

4In Chaldea zullen velen sneuvelen,

ze liggen doorstoken in de straten,

5want het land boet voor zijn schuld

tegen de Heilige van Israël.

God laat Israël niet als weduwe achter,

de HEER van de hemelse machten laat Juda niet in de steek.

6

51:6-7
Op. 18:3-4
51:6
Jer. 50:8,15
Vlucht uit Babel, red het vege lijf,

ontloop de straf voor Babels schuld.

Dit is het tijdstip dat de HEER zich wreekt,

de stad krijgt haar verdiende loon.

7

51:7
Jer. 25:15-29
Op. 17:2-4
Babel was een gouden beker in de hand van de HEER,

een beker die de hele wereld dronken voerde.

Alle volken dronken van de wijn,

daardoor zijn ze zo waanzinnig.

8

51:8
Jer. 50:23
Op. 18:2
Plotseling valt Babel,

hef een klaaglied aan!

Haal balsem die haar pijn verlicht,

misschien geneest ze nog.

9

51:9
Op. 18:5
Maar de artsen zeggen:

“We hebben geprobeerd haar te genezen, ze was niet te redden.

Laat haar achter, wij gaan terug naar ons eigen land.

Deze straf gaat elke aardse maat te boven,

dit vonnis reikt tot aan de wolken.”

10Israël zal zeggen:

“De HEER heeft onze rechten hersteld.

Kom, laten we in Sion vertellen

wat de HEER, onze God, heeft gedaan.”

11

51:11
Jes. 13:17
De HEER heeft de koning van Medië aangevuurd,

zijn doel is de vernietiging van Babel.

Dit is de wraak van de HEER,

hij wreekt zijn tempel.

Mannen, scherp de pijlen, vul de kokers.

12Steek tegen Babels muren de strijdvaan op.

Versterk het beleg, zet wachtposten uit.

Laat stoottroepen hun stellingen betrekken.

De HEER doet wat hij aangekondigd heeft,

hij doet met Babel wat hij heeft besloten.

13

51:13
Jer. 50:37-38
Op. 17:1
Volk van Babel, je woont tussen grote rivieren,

te midden van grote rijkdommen,

maar je einde is gekomen,

je levensdraad wordt doorgesneden.

14De HEER van de hemelse machten heeft bij zichzelf gezworen:

Ik bedek dat land met vijanden, als sprinkhanen zo talrijk,

ze heffen strijdkreten tegen je aan.’

15

51:15-19
Jer. 10:12-16
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

16

51:16
Ps. 135:7
als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt hij aan de einder,

bliksems smeedt hij, de regen valt,

hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

17Het menselijk verstand staat daarbij stil.

De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden.

Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet,

18lege, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

19Hoe anders is de God van Jakob,

hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

20

51:20
Jer. 50:23
‘Medië, je bent mijn strijdhamer,

mijn wapen in de strijd.

Met jou verbrijzel ik volken,

vernietig ik koninkrijken.

21Met jou verbrijzel ik paarden en ruiters,

vernietig ik wagens en menners.

22Met jou verbrijzel ik mannen en vrouwen,

vernietig ik jong en oud.

Met jou verbrijzel ik jongens en meisjes,

23vernietig ik herders en kudden.

Met jou verbrijzel ik boeren en ploegossen,

vernietig ik bestuurders en bevelhebbers.

24Israël, ik zal ze laten boeten,

de inwoners van Babel en Chaldea,

voor alles wat ze voor jouw ogen in Sion hebben aangericht

– spreekt de HEER.

25Babel, berg die alles vernietigt,

die heel de aarde verwoest,

ik grijp je vast en gooi je in de diepte

– spreekt de HEER –,

ik maak van jou een berg van as.

26

51:26
Jer. 50:40
Niemand zal nog een hoeksteen uit je kappen,

of stenen voor een fundament.

Je wordt voor altijd een verlaten oord – spreekt de HEER.

27Steek overal op aarde de strijdvaan op.

Blaas de ramshoorn onder alle volken,

in het rijk van Ararat, Minni en Askenaz.

Bereid ze voor op de strijd tegen Babel.

Stel officieren aan die de veldtocht leiden.

Laat woeste paarden aanstormen, als een bende sprinkhanen.

28Bereid vele volken voor op de strijd,

de koning van Medië, bestuurders en bevelhebbers,

allen in het rijk waarover hij heerst.

29De aarde beeft en schreeuwt als in barensnood.

De HEER voert zijn plannen tegen Babel uit:

hij maakt het land tot een onbewoonde woestenij.

30

51:30
Jes. 19:16
Jer. 50:37
Nah. 3:13
De Babyloniërs staken de strijd,

de soldaten komen hun forten niet meer uit.

Hun kracht verdampt, ze worden als vrouwen.

De huizen worden in brand gestoken,

de sluitboom van de stadspoort wordt verbrijzeld.

31Boodschapper na boodschapper komt aangesneld,

boden rennen af en aan en melden de koning:

“De vijand dringt de stad van alle kanten binnen,

32de bruggen zijn al genomen,

de forten staan in brand,

het leger is ten einde raad.”

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël:

Babel is een dorsvloer die wordt aangestampt.

Nog even, en het graan wordt gedorst.

34

51:34
Jer. 50:17
“Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft mij in stukken gereten, opgevreten.

Hij heeft van mij een lege schotel gemaakt.

Als een krokodil heeft hij me opgeslokt.

Hij heeft zijn buik gevuld met mijn beste vlees

en me daarna weggegooid,”

zegt Israël.

35“Moge Babel boeten

voor het onrecht dat het ons heeft aangedaan,

voor het voedsel dat het ons ontstolen heeft,”

roepen Sions inwoners.

“Moge de bevolking van Chaldea boeten

voor het bloed dat ze vergoten heeft,”

roept Jeruzalem.

36

51:36
Jer. 50:38
Daarom – dit zegt de HEER:

Ik zal voor jullie recht opkomen,

ik zal jullie wreken.

Ik zal de Eufraat laten opdrogen,

de watertoevoer leg ik droog.

37

51:37
Jer. 50:39
Babel wordt een berg van puin, een oord voor jakhalzen.

Het is huiveringwekkend, ademstokkend,

alle inwoners zijn verdwenen.

38Nu nog brullen ze als leeuwen,

nu nog grommen ze als welpen.

39

51:39
Jer. 51:57
Maar als ze hongeren en dorsten,

zet ik hun een feestmaal voor.

Ik giet ze vol met wijn,

tot ze waggelen en lallen.

Dan vallen ze voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de HEER.

40Als lammeren leid ik ze naar de slachtbank,

als rammen en bokken.

41

51:41
Jer. 25:26
50:23
Ach, nu is Sesach51:41 Sesach – Zie de noot bij 25:26. veroverd,

nu is het sieraad van de hele aarde ingenomen,

nu is Babel een schrikbeeld voor elk volk.

42Een zee rijst op tegen Babel,

het wordt overspoeld door machtige golven.

43De steden eromheen worden een woestenij,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

Niemand zal er wonen,

geen mens trekt erdoorheen.

44Ik zal Bel, de god van Babel, straffen.

Ik dwing hem heel zijn prooi weer uit te braken,

de toestroom van de volken is voorbij.

Babels muren zullen vallen!

45

51:45
Jer. 50:8
Vlucht, mijn volk, ontvlucht de stad,

laat ieder vluchten voor de grote toorn van de HEER.

46

51:46
Mat. 24:6
Laat het hoofd niet hangen, wees niet bang

voor geruchten her en der.

Dit jaar gaat er een bang gerucht,

het volgend jaar gaat er een ander.

Het land wordt overspoeld door geweld,

heersers vechten tegen heersers.

47Maar houd voor ogen dat de tijd zal komen

dat ik de afgoden van Babel zal straffen.

Heel het land is dan ontredderd,

de straten zijn bezaaid met lijken.

48

51:48
Op. 18:20
19:1-2
Als de verwoester uit het noorden aanstormt,

juichen hemel en aarde over Babels lot,

al wat er in de hemel en op aarde leeft

– spreekt de HEER.

49Babel zelf moet vallen,

zoals tallozen door Babel vielen,

in Israël, ja, overal ter wereld.

50Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn,

vlucht verder, blijf niet staan.

Al zijn jullie nog ver van huis,

noem de naam van de HEER,

richt je gedachten enkel op Jeruzalem.

51Al zeggen jullie ook:

“Wij schamen ons, we werden bespot,

wat werden we vernederd

toen de tempel van de HEER door vreemden werd geschonden” –

52de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik hun afgoden zal straffen.

In heel hun land zullen de gewonden kermen.

53

51:53
Jes. 14:13
Jer. 49:16
Ook al reikt hun stad tot aan de hemel,

ook al bouwt men torenhoge vestingen,

ik stuur een vijand die haar zal verwoesten

– spreekt de HEER.

54Vanuit Babel zal gejammer klinken,

in Chaldea klinkt oorlogsgeraas.

55De HEER vernietigt Babel,

hij maakt een einde aan het feestgedruis.

Zijn troepen overspoelen het als donderende golven.

56Een vernietiger trekt op tegen Babel,

de soldaten geven zich gewonnen,

hun bogen worden stukgebroken.

Want de HEER is een God die wreekt,

zijn vergelding kan niet worden afgewend.

57

51:57
Jer. 51:39
Ik zal Babels leiders en wijzen,

bestuurders, bevelhebbers en soldaten dronken voeren.

Ze vallen voorgoed in slaap,

ze worden nooit meer wakker

– spreekt de koning, wiens naam is HEER van de hemelse machten.

58

51:58
Hab. 2:13
Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Babels brede muren worden tot de laatste steen gesloopt,

zijn hoge poorten gaan in vlammen op.

De volken zwoegen voor niets,

de naties matten zich af voor een verslindend vuur.’

59Hier volgt de opdracht van Jeremia aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Seraja was hofmaarschalk van koning Sedekia van Juda. Hij vergezelde koning Sedekia naar Babel, in het vierde jaar van diens regering. 60Jeremia had zijn profetie over het onheil dat Babel zou treffen, alles wat hiervoor beschreven staat, in een boekrol opgeschreven. 61Hij zei tegen Seraja: ‘Als u in Babel bent aangekomen, moet u deze hele boekrol voorlezen. 62

51:62
Jer. 51:26
Verder moet u het volgende zeggen: “HEER, u bent het die heeft aangekondigd dat hij deze stad gaat verwoesten. Niets of niemand zal er nog wonen, mens noch dier, ze wordt voor altijd een verlaten oord.” 63Nadat u de boekrol helemaal voorgelezen hebt, moet u hem aan een steen vastmaken en in de Eufraat gooien. 64
51:64
Op. 18:21
Zeg dan: “Zo zal Babel verzinken en nooit meer bovenkomen. Door het onheil dat ik, de HEER, over Babel breng zal het ten onder gaan.”’

Hier eindigen de profetieën van Jeremia.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]