Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Oproep om terug te keren naar de HEER

31

3:1
Deut. 24:1-4
De HEER sprak:3:1 De HEER sprak – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zeggende’. ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? – spreekt de HEER.

2

3:2
Jer. 2:20
Kijk naar de kale heuvels,

waar ben je níet beslapen?

Je wachtte je minnaars op langs de weg,

zoals een rover wacht in de woestijn.

Je hebt dit land besmeurd

met je overspel, je schandelijk gedrag.

3

3:3
Lev. 26:19
Jer. 5:24
14:4
Daarom bleven de regens uit,

is de lenteregen niet gekomen.

Toch hield je de brutale blik van een hoer,

je toonde geen enkele schaamte.

4Maar nú roep je mij aan.

Je zegt “vader” tegen mij, en zegt:

“U bent de geliefde van mijn jeugd,

5uw woede gaat voorbij,

niet eeuwig duurt uw toorn.”

Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort,

je blijft je schanddaden begaan.’

6

3:6-8
Ezech. 23:1
Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag3:7-8 Haar afvallige zuster Juda zag dat – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Haar afvallige zuster Juda zag en ik zag dat’. 8dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden – spreekt de HEER.’ 11De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda.

12Roep tegen het noorden:

Kom terug, ontrouw Israël – spreekt de HEER –,

dan zal ik mijn woede laten varen,

want ik ben vol genade,

niet eeuwig duurt mijn toorn

– spreekt de HEER.

13Erken alleen dat je schuldig bent,

tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen,

dat je overal op zoek ging naar andere goden,

onder elke bladerrijke boom,

dat je niet naar mij geluisterd hebt

– spreekt de HEER.

14Kom terug, ontrouwe kinderen – spreekt de HEER –, want jullie behoren mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. 15

3:15
Jer. 23:4
Ezech. 34:23-24
Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18
3:18
Gen. 13:14-15
In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat ik hun voorouders in bezit heb gegeven.

19Ik dacht: Hoe kan ik je een plaats tussen mijn kinderen geven

en je een begeerlijk land schenken,

een sieraad voor de hele wereld?

En ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen,

jullie keren je niet van mij af.

20Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt,

zo heb jij mij bedrogen, volk van Israël!

– spreekt de HEER.

21Een stem klinkt over de kale heuvels:

Israël smeekt en weent.

Het is een verdorven weg gegaan,

is de HEER, zijn God, vergeten.

22Kom terug, afvallige kinderen,

ik zal jullie genezen van je ontrouw.

Dan zullen jullie zeggen:

“Hier zijn we, wij komen bij u terug,

want u bent de HEER, onze God.

23Het is waar, de heuvels zijn een leugen,3:23 de heuvels zijn een leugen – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘het bedrog vanaf de heuvels’.

de bergen een holle klank.

Het is alleen de HEER, onze God,

die Israël de overwinning geeft.

24Zolang ons volk bestaat,

heeft de god van de schande

het bezit van onze voorouders verslonden,

hun schapen, geiten en runderen,

hun zonen en dochters.

25Laten we ons neerwerpen in schande,

laat schaamte ons bedekken.

Tegen de HEER, onze God,

hebben wij en onze voorouders gezondigd,

vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag.

Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.”

4

41Israël, wanneer je op je schreden terugkeert,

keer dan terug naar mij – spreekt de HEER.

Heb je die afgodsbeelden weggedaan,

zwerf dan niet langer rond,

2maar zweer waarachtig, eerlijk en oprecht:

“Zo waar de HEER leeft.”

Dan willen alle volken worden gezegend als Israël,4:2 Dan willen alle volken worden gezegend als Israël – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Alle volken zullen in hem gezegend worden’.

ze zullen zich met Israël gelukkig prijzen.

3

4:3
Hos. 10:12
Want dit zegt de HEER tegen Juda en Jeruzalem:

Ontgin nieuw land,

en zaai niet tussen de dorens.

4

4:4
Deut. 10:16
Jer. 21:11-12
Laat je besnijden voor de HEER,

ontdoe je van de voorhuid van je hart,

inwoners van Juda en Jeruzalem.

Anders slaat zijn toorn uit als een vuur,

een brand die niet te blussen is,

vanwege jullie kwalijke praktijken.

De vijand uit het noorden in aantocht

5

4:5
Jer. 8:14
Joël 2:1
Maak bekend in Juda,

laat horen in Jeruzalem, beveel:

“Blaas de ramshoorn in het land!”

Roep luid: “Verzamelen!

Verschans je in je vestingsteden.

6

4:6
Jer. 1:13-15
Wijs met de strijdvaan naar Sion!

Vlucht, blijf niet staan!”

Want ik breng onheil uit het noorden,

een grote ramp!

7Zoals een leeuw uit het struikgewas springt,

zo doemt een vernietiger van volken op,

rukt de vijand op uit zijn gebied.

Hij maakt je land tot een woestenij.

Je steden vallen in puin, worden ontvolkt.

8Hul je daarom in het zwart,

weeklaag, barst uit in jammerklachten.

Onstuitbaar is de brandende toorn van de HEER.

9Op die dag – spreekt de HEER –

ontzinkt de koning en de leiders alle moed.

De priesters zijn ontzet,

de profeten verbijsterd.’

10

4:10
Jer. 14:13
Ik zei: ‘HEER, mijn God,

u hebt Jeruzalem en dit volk misleid:

wij zouden in vrede leven,

toch staat het zwaard ons op de keel!’

11‘Dan zeg ik Juda en Jeruzalem:

Vanuit de kale heuvels in de woestijn

waait een verzengende wind naar mijn volk.

Geen wind om het koren te wannen,

12ik stuur een woeste wind.

Nu, ja nú vel ik mijn oordeel over hen.

13Daar doemt de vijand op,

als een jagende wolk,

zijn wagens razen als een wervelwind,

zijn paarden gaan sneller dan adelaars.

“Wee ons! Het is met ons gedaan.”

14Jeruzalem, zuiver je hart van het kwaad,

dan alleen word je gered.

Hoe lang blijf je broeden op je kwalijke plannen!

15Een bode uit Dan brengt slechte tijding,

uit het bergland van Efraïm komt een onheilsbericht.

16Meld het de volken, maak Jeruzalem bekend:

Uit verre landen naderen belegeraars,

schreeuwend slaan ze het beleg voor Juda’s steden.

17Ze omsingelen Jeruzalem

als wachters een akker,

omdat het tegen mij in opstand kwam

– spreekt de HEER.

18Je wangedrag heeft dit teweeggebracht.

Het bittere kwaad dat je deed,

zette zich vast in je hart.’

19

4:19
Jer. 10:19
O bonzend hart! O razend hart!

Ik krimp ineen van pijn!

Ik kan niet zwijgen,

tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal,

hoor ik het krijgsgeschreeuw.

20

4:20
Jer. 10:20
Ramp op ramp wordt gemeld,

heel het land gaat te gronde.

Plotseling zijn mijn tenten vernield,

onverwacht mijn tentdoeken gescheurd.

21Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien,

de ramshoorn horen schallen?

22

4:22
Deut. 32:6
Micha 7:3
De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk,

het is met mij niet vertrouwd.

Het zijn kinderen zonder verstand,

inzicht hebben ze niet.

Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad;

tot het goede zijn ze niet in staat.’

23Ik zag de aarde,

ze was woest en doods.

Ik keek op naar de hemel,

er was geen licht.

24Ik zag de bergen, ze beefden,

de heuvels, ze huiverden.

25Ik keek, er waren geen mensen,

alle vogels waren uit de lucht verdwenen.

26Ik keek, elke boomgaard was een woestijn,

alle steden waren verwoest –

door toedoen van de HEER,

door zijn brandende toorn.

27Want dit zegt de HEER:

‘Heel het land wordt een woestenij,

maar vernietigen zal ik het niet.

28Hierom zal de aarde rouwen,

de hemel boven zal in zwart gedompeld zijn,

omdat ik gesproken heb en dit besloten heb.

Ik volhard in mijn besluit, ik kom er niet op terug.’

29Voor de kreten van schutters en menners

slaat heel de stad op de vlucht.

Ze rennen de bossen in,

beklimmen de rotsen.

Heel de stad is verlaten,

niemand woont er nog.

30

4:30
Jes. 3:16-24
Ezech. 16:37-40
23:22-29
Jij, Juda, bent tot ondergang gedoemd,

wat wil je nu nog doen?

Al ga je gekleed in scharlaken,

al ben je met goud getooid,

al maak je je ogen op,

tevergeefs maak je je mooi.

Je wordt door je minnaars verworpen,

ze staan je naar het leven.

31

4:31
Ps. 48:7
Jes. 13:8
Jer. 6:24
13:21
22:23
50:43
Ik hoor een kreet van pijn,

als van een vrouw die de eerste keer baart.

Vrouwe Sion kreunt,

zij heft haar handen ten hemel:

‘Wee mij! Ik bezwijk in handen van moordenaars.’

5

Onrecht en dwaasheid in Juda

51

5:1
Gen. 18:22-32
Ps. 14:1-3
Micha 7:2
‘Zwerf door de straten van Jeruzalem,

vraag na, kijk om je heen,

zoek op de pleinen of er iemand is

die rechtvaardig handelt,

die naar eerlijkheid streeft,

dan zal ik Jeruzalem vergeven.

2Als zij zweren: “Zo waar de HEER leeft,”

plegen zij niets dan meineed.’

3

5:3
Jer. 2:30
7:28
17:23
Sef. 3:2
Op. 16:9-11
HEER, u wilt toch dat ze eerlijk zijn?

U sloeg hen, maar het raakte hen niet.

U bracht hen aan de rand van de afgrond,

zij weigerden van die straf te leren.

Zij gingen onverdroten voort

en weigerden terug te keren.

4Ik dacht: Het zijn maar eenvoudige mensen,

veel kennis hebben ze niet.

Zij weten niet wat de HEER van hen vraagt,

zijn niet bekend met het recht van hun God.

5

5:5
Jer. 2:20
Ik zal me tot hun leiders richten,

zij weten beslist wat de HEER van hen vraagt,

zij zijn bekend met het recht van hun God.

Maar ook zij hebben het juk gebroken,

hoog en laag heeft zijn riemen losgerukt.

6Daarom werden ze gedood door leeuwen uit het bos,

verscheurd door wolven uit de steppe,

daarom loerden panters op hun steden.

Ieder die zich buiten waagde, werd verscheurd.

Niet te tellen zijn hun misdaden,

hun ontrouw bleek talloze malen.’

7‘Waarom zou ik jullie vergeven?

Jullie kinderen hebben mij verlaten,

zij zwoeren bij wat geen goden zijn.

Ik schonk hun overvloed,

maar zij pleegden overspel,

bij hoeren zijn ze kind aan huis.5:7 zijn ze kind aan huis – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘kerven ze hun lichaam’.

8Het zijn bronstige, hitsige hengsten,

ze hinniken allen naar andermans vrouw.

9

5:9
Jer. 5:29
9:8
Zou ik zo’n volk niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?

10

5:10
Jer. 2:21
Bestorm de wijnterrassen, vertrap ze,

maar vernietig ze niet helemaal.

Ruk de ranken af,

ze behoren de HEER niet toe.

11Want Israël en Juda hebben mij bedrogen

– spreekt de HEER.

12

5:12
Ps. 14:1
Amos 9:10
Sef. 1:12
Ze hebben de HEER niet ernstig genomen,

ze zeiden: “Zo doet hij niet, ons zal geen onheil treffen,

zwaard en honger blijven ons bespaard.

13De profeten? Wind zijn ze,

ze spreken niet de woorden van de HEER.

Laat dat onheil hén maar treffen.”

14

5:14
Jer. 23:29
Hos. 6:5
Daarom – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten:

Omdat zij dit durven te zeggen,

maak ik dit volk tot brandhout,

maak ik mijn woorden in jouw mond

tot een vlam die hen verslindt.

15

5:15
Deut. 28:49-52
Israël, ik stuur een volk uit verre streken op je af

– spreekt de HEER.

Dat volk is taai, dat volk is eeuwenoud,

het spreekt een taal die je niet kent,

je kunt hun woorden niet verstaan.

16De pijlkokers van de soldaten,

allen onverschrokken strijders,

zijn een open graf.

17Dat volk verslindt je oogst en je voedsel,

je zonen en je dochters,

je geiten, schapen, koeien,

je wijnstokken en vijgenbomen.

Het verwoest je vestingsteden,

de burchten waarop je vertrouwt.

18Maar als het zover is, zal ik ze toch niet vernietigen – spreekt de HEER. 19

5:19
Jer. 16:10
22:8-9
En als ze vragen: “Waarom heeft de HEER, onze God, ons dit alles aangedaan?” antwoord hun dan: “Jullie hebben mij toch verlaten en zijn vreemde goden gaan dienen in je eigen land? Jullie zullen vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.”

20

5:20-25
Jer. 8:18-23
12:4
14:1
Zeg het volk van Jakob

en roep Juda toe:

21

5:21
Ezech. 12:2
Marc. 8:18
Luister toch, dwaas en onverstandig volk,

dat ogen heeft, maar niet ziet,

en oren heeft, maar niet hoort.

22

5:22
Job 26:10
38:8-11
Ps. 104:9
Hebben jullie geen ontzag voor mij?

– spreekt de HEER.

Beven jullie niet voor mij?

Ik heb met zand de zee aan banden gelegd,

haar een vaste grens gesteld.

Haar golven donderen, maar tevergeefs,

ze bruisen onstuimig, maar worden gestuit.

23Maar dit volk is koppig en opstandig,

het is zijn eigen weg gegaan.

24

5:24
Deut. 11:14
Jer. 3:3
Joël 2:23
Zij zeiden niet:

“Wij moeten ontzag hebben voor de HEER, onze God,

die ons tijdig regen geeft,

in het najaar en het voorjaar,

die een vaste oogsttijd geeft.”

25Jullie zonden hebben deze orde verstoord,

welvaart bleef door jullie wandaden uit.

26Ik trof schurken aan onder mijn volk,

ineengedoken als vogelvangers loeren ze rond.

Ze zetten een val, ze jagen op mensen.

27Zoals een korf vol vogels is,

zo zijn hun huizen vol gestolen goed.

Daardoor zijn ze machtig en rijk.

28Ze zijn vadsig en vet

en slechter dan slecht.

Ze staan het recht in de weg,

wat wezen toekomt laat hun koud,

de belangen van de armen dienen ze niet.

29

5:29
Jer. 5:9
Zou ik zo’n volk niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?

30Verschrikkelijke dingen, ongehoord,

gebeuren in dit land:

31

5:31
Jes. 10:3
de profeten profeteren leugens,

de priesters treden eigenmachtig op.

En dat bevalt mijn volk!

Wat zullen jullie doen als je einde nadert?