Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
29

Jeremia’s brief aan de ballingen

291

29:1-2
2 Kon. 24:12-16
2 Kron. 36:10
Hier volgt de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem heeft gestuurd aan de overgebleven oudsten onder de ballingen, aan de priesters, de profeten en alle anderen die Nebukadnessar vanuit Jeruzalem naar Babel had gevoerd. 2Hij schreef deze brief toen koning Jechonja, de koningin-moeder, de hovelingen, de leiders van Jeruzalem en Juda en de smeden en wapenmakers al uit Jeruzalem waren weggevoerd. 3Hij liet hem bezorgen door Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Chilkia, de gezanten die namens koning Sedekia van Juda naar koning Nebukadnessar in Babel reisden. De brief had de volgende inhoud:

4‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, tegen de ballingen die hij vanuit Jeruzalem naar Babel heeft laten voeren: 5Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, 6ga huwelijken aan en verwek zonen en dochters, zoek vrouwen voor je zonen en huw je dochters uit, zodat zij zonen en dochters baren. Jullie moeten in aantal toenemen, niet afnemen. 7Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei.

8Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen. 9Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER.

10

29:10
2 Kron. 36:21
Ezra 1:1-3
Jer. 25:11
Dan. 9:2
Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. 11Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 12Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13
29:13
Deut. 4:29
Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. 14Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren.

15Misschien zeggen jullie: “De HEER heeft ons toch ook in Babel profeten gegeven?” 16Maar dit zegt de HEER over de koning die op de troon van David zit en over de hele bevolking van Jeruzalem, je volksgenoten die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan, 17

29:17
Jer. 24:1
dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, ik zal met hen hetzelfde doen als met bedorven vijgen, die niet meer te eten zijn. 18
29:18
Jer. 15:4
34:17
Ik zal hen met het zwaard, de honger en de pest achtervolgen en hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde maken. Hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, ze zullen afschuw en ontzetting wekken en bespot worden door alle volken waarnaar ik hen zal verbannen. 19Want ze hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, hoewel ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar hen zond. En ook jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER. 20Luister naar mijn woorden, ballingen, die ik vanuit Jeruzalem naar Babel heb laten voeren. 21Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over de profeten Achab, de zoon van Kolaja, en Sedekia, de zoon van Maäseja, die in mijn naam leugens profeteren: Ik lever hen uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, die hen voor jullie ogen zal terechtstellen. 22En alle Judese ballingen in Babel zullen aan hun lot een vloek ontlenen: “Moge de HEER het je laten vergaan als Sedekia en Achab, die de koning van Babylonië boven het vuur geroosterd heeft.” 23Want ze hebben iets gedaan dat in Israël een schanddaad is: ze hebben overspel gepleegd met de vrouw van een ander en in mijn naam leugens geprofeteerd, woorden die ik hun niet heb opgedragen te spreken. Ik heb het gezien, ik was er getuige van – spreekt de HEER.’

24De HEER richtte zich tot Jeremia met de opdracht om Semaja, de Nechelamiet, het volgende te zeggen: 25‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Je hebt op eigen gezag brieven gestuurd aan de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, de overige priesters en de bevolking van Jeruzalem, brieven waarin staat: 26“De HEER heeft u tot priester aangesteld; hij heeft u de opvolger van de priester Jojada gemaakt om in de tempel van de HEER de orde te handhaven, dus u moet elke gek die zich voor profeet uitgeeft in het blok sluiten en aan het halsijzer ketenen. 27Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u voor profeet uitgeeft? 28Hij heeft ons in Babel namelijk een brief gestuurd waarin staat dat de ballingschap nog lang zal duren, dat we huizen moeten bouwen en daarin gaan wonen, tuinen moeten aanleggen en van de opbrengst moeten eten.”’ 29Nadat de priester Sefanja deze brief aan Jeremia had voorgelezen, 30richtte de HEER zich tot Jeremia: 31‘Stuur de volgende brief aan de ballingen: Dit zegt de HEER over Semaja, de Nechelamiet: Hij heeft bij jullie geprofeteerd zonder dat ik hem gezonden heb en valse hoop bij jullie gewekt. 32

29:32
Deut. 13:6
Jer. 28:16
Daarom – dit zegt de HEER: Ik zal hem en zijn nageslacht straffen. Ze zullen onder dit volk ophouden te bestaan, ze zullen de voorspoed die ik mijn volk zal brengen niet meemaken – spreekt de HEER. Want hij heeft het volk tegen mij opgezet.’

30

Hoop voor Israël en Juda

301De HEER richtte de volgende woorden tot Jeremia:

2‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Schrijf alle dingen die ik je heb gezegd in een boekrol. 3Want de dag zal komen – zegt de HEER – dat ik het lot van mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat ik hen terugbreng naar het land dat ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen – spreekt de HEER.’

4Hier volgen de woorden die de HEER tot Israël en Juda sprak.

5‘Dit zegt de HEER:

Ik hoor geschreeuw van ontzetting,

kreten van angst en paniek.

6Zeg eens: kunnen mannen baren?

Waarom zie ik dan dat elke man

zijn handen op zijn buik houdt,

zoals een vrouw die baart?

Waarom is hun gezicht zo grauw?

7Wee! Die vreselijke dag kent zijn gelijke niet!

Het volk van Jakob komt in grote nood,

maar het wordt gered.

8Ik breek op die dag het juk van je nek,

je banden ruk ik los

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

Nooit meer wordt Jakobs volk de slaaf van vreemden,

9maar het dient mij, de HEER, zijn God,

en David, de koning die ik over hen heb aangesteld.

10

30:10-11
Jer. 46:27-28
30:10
Micha 4:4
Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,

heb geen angst, Israël – spreekt de HEER.

Ik zal je uit dat verre land bevrijden,

uit de ballingschap breng ik je nageslacht terug.

Het volk van Jakob keert terug en zal in vrede leven,

zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opgeschrikt.

11Ik sta je terzijde en zal je bevrijden

– spreekt de HEER.

De landen waarnaar ik je verdreven heb,

vaag ik allemaal weg.

Je krijgt de straf die je verdient,

maar vernietigen zal ik je niet.

12Dit zegt de HEER:

Ongeneeslijk zijn je wonden,

niet te helen is je letsel.

13

30:13
Jes. 1:5-6
Geen mens verzorgt je zweren,

je wonden groeien nooit meer dicht.

14

30:14
Jer. 4:30
Klaagl. 1:2
Je minnaars zijn je vergeten,

ze kijken niet meer naar je om.

Ik was het die je sloeg, als een vijand,

ik heb je meedogenloos gestraft,

om je vele wandaden,

om je talloze zonden.

15Wat klaag je nu over je letsel,

je dodelijke wonden?

Om je vele wandaden,

om je talloze zonden

heb ik je dit aangedaan.

16

30:16
Jes. 33:1
Maar wie jou verslonden, worden zelf verslonden,

al je vijanden gaan zelf in ballingschap.

Elk volk dat jou plunderde, wordt zelf geplunderd,

ik maak ieder die naar buit zocht, zelf tot buit.

17

30:17
Jes. 62:4
Weet dat ik je zal genezen,

ik zal je wonden helen – spreekt de HEER –

ook al noemt men je Verworpene en zegt men:

“Naar Sion kijken we niet meer om.”

18

30:18
Jes. 54:1-3
Dit zegt de HEER:

Ik keer het lot van Jakobs tenten ten goede,

ik zal me om zijn woningen bekommeren.

De steden zullen uit de as herrijzen,

paleizen worden in hun oude pracht hersteld.

19Dansend komen de mensen naar buiten,

met een lofzang op de lippen.

Ik doe het volk in aantal toenemen,

het neemt niet meer in aantal af.

Ik geef het aanzien,

het wordt niet langer veracht.

20Het volk wordt weer als vroeger

en houdt door mijn bescherming altijd stand.

Wie het bedreigt, zal ik straffen.

21Het zal een vorst voortbrengen,

er komt een heerser uit zijn midden voort.

Ik zal hem toestaan mij te naderen.

Wie zou dat zelf wagen? – spreekt de HEER.

22

30:22
Jer. 11:4
24:7
Ezech. 11:20
37:27
Jullie zullen mijn volk zijn,

en ik zal jullie God zijn.

23

30:23-24
Jer. 23:19-20
De HEER zendt een woedende wind,

een razende storm treft de verdorvenen.

24Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren

voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.

Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.

31

311Dan zal ik voor elke stam van Israël een God zijn,

dan is Israël mijn volk – spreekt de HEER.

2

31:2
Hos. 2:16-17
Dit zegt de HEER:

In de woestijn kreeg ik Israël lief,

het volk dat aan vernietiging ontkomen was.

Ik ging hun voor en gaf hun vrede.

3

31:3
Hos. 11:1-9
Van ver ben ik naar je toe gekomen,31:3 ben ik naar je toe gekomen – Voorgestelde lezing. MT: ‘is de HEER naar mij toe gekomen’. vrouwe Israël.

Ik heb je altijd liefgehad,

mijn liefde zal je altijd vergezellen.

4Ik breng je weer tot bloei.

Je zult weer dansen in de rei

en de tamboerijnen laten klinken.

5

31:5
Jes. 65:21-22
Amos 9:14
In Samaria’s bergen zul je wijngaarden planten,

en mogen eten van de eerste vruchten.

6De dag breekt aan

dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen:

“Kom, laten we op weg gaan naar de Sion,

naar de HEER, onze God!”

7Dit zegt de HEER:

Juich van vreugde over Jakob,

jubel aan het hoofd van alle volken,

roep het uit, zing een lofzang:

“De HEER heeft zijn volk gered,31:7 De HEER heeft zijn volk gered – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘HEER, red uw volk’.

en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.”

8Ik laat hen uit het noorden terugkeren

en breng hen samen van de einden der aarde.

Ook blinden en lammen komen mee,

ook zwangere vrouwen, en vrouwen in barensnood.

In dichte drommen keren ze terug.

9

31:9
Ex. 4:22
Deut. 32:6
Jes. 40:3
63:16
Jer. 3:19
2 Kor. 6:18
Zij komen terug in tranen,

ze heffen smeekbeden aan,

en ik zal hen leiden.

Ik breng hen naar stromende beken

en voer hen over geëffende wegen;

daar kunnen zij niet struikelen.

Want ik ben voor Israël een vader,

en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon.

10

31:10
Jer. 23:3
Volken, luister naar de woorden van de HEER,

vertel het verder op de verste eilanden:

Hij die Israël verstrooid heeft,

zal het samenbrengen en het hoeden,

zoals een herder zijn kudde.

11Want de HEER verlost het volk van Jakob,

hij bevrijdt hen uit de hand die sterker was dan zij.

12Zij komen juichend naar de Sion,

stralend van vreugde om de gaven van de HEER:

koren, wijn, olijfolie,

en geiten, schapen, koeien.

Zij gedijen als een waterrijke hof,

nooit meer zal het hun aan iets ontbreken.

13

31:13
Ps. 30:12
Meisjes dansen vrolijk in de rei,

jongens en grijsaards dansen mee.

Hun rouw verander ik in vreugde, ik troost hen,

hun verdriet vergeten zij.

14De priesters schenk ik overvloedig offervlees.

Ik overstelp mijn volk met al het goede

– spreekt de HEER.

15

31:15
Mat. 2:18
Dit zegt de HEER:

In Rama hoort men klagen, bitter treuren.

Rachel beweent haar zonen,

zij wil niet worden getroost.

Haar kinderen zijn er niet meer.

16Maar dit zegt de HEER:

Huil niet langer, droog je tranen.

Je zorg voor hen wordt nu beloond

– spreekt de HEER.

Ze keren terug uit het land van de vijand.

17Je hebt een hoopvolle toekomst,

je kinderen keren naar hun eigen land terug

– spreekt de HEER.

18

31:18
Hos. 4:16
Ik heb wel gehoord hoe Efraïm treurt:

“U hebt mij geslagen als een jonge os

die nog niet is afgericht.

Breng mij bij u terug, laat mij terugkeren,

want u, HEER, bent mijn God.

19Ik ben tot inkeer gekomen,

ik sla mijzelf nu ik mijn hart doorzie.

Ik ben vol berouw, ik schaam mij diep,

ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”

20

31:20
Jes. 49:14-16
Hos. 11:8-9
Is Efraïm niet mijn geliefde zoon,

is hij niet mijn oogappel?

Telkens als ik over hem spreek

rijst zijn beeld in mij op,

dan raak ik diep bewogen.

Ik móet mij over hem ontfermen

– spreekt de HEER.

21Zet mijlpalen neer,

plaats bakens,

richt je aandacht op de weg die je volgt.

Keer terug, vrouwe Israël,

keer terug naar je steden.

22Hoe lang nog blijf je talmen,

hoe lang nog blijf je eigenzinnig, vrouwe Israël?

De HEER zal iets nieuws op aarde scheppen:

een vrouw maakt een man het hof.

23

31:23
Jes. 11:9
Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!” 24Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen. 25
31:25
Ps. 23:2-3
Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’

26Hierop ontwaakte ik en sloeg mijn ogen op. De slaap had mij goedgedaan.

27

31:27
Jes. 49:19-20
Zach. 2:8
‘De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren. 28
31:28
Jer. 1:10
Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen – spreekt de HEER. 29
31:29
Ezech. 18:2
Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,” 30maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.

31

31:31-34
Hebr. 8:8-12
De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, 32een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de HEER. 33
31:33
Jer. 24:7
32:39-40
Ezech. 37:27
2 Kor. 3:3
Hebr. 10:16
Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. 34
31:34
Rom. 11:27
Hebr. 10:17
Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.

35

31:35
Gen. 1:14
Ps. 136:7-9
Jes. 51:15
Dit zegt de HEER,

die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag,

de maan en sterren als de lichten voor de nacht,

die de zee opzweept, zodat de golven bruisen,

wiens naam is HEER van de hemelse machten:

36

31:36
Ps. 89:34-38
Pas als deze orde ophoudt te bestaan

– spreekt de HEER –

bestaat ook Israël niet meer,

is het niet meer voor altijd mijn volk.

37Dit zegt de HEER:

Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt,

de diepte van het fundament der aarde niet gepeild,

zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël

om alles wat het heeft misdaan

– spreekt de HEER.

38De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Jeruzalem wordt herbouwd en aan mij wordt gewijd. Dan loopt de muur weer vanaf de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort, 39en vanaf dat punt zal hij worden verlengd naar de Gareb, en dan een bocht naar Goa maken. 40

31:40
Zach. 14:11
Hij zal om de vallei lopen waar de doden worden begraven en de as wordt uitgestrooid, en verder om alle akkers tot aan het Kidrondal. Van daar loopt hij naar de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Heel dit gebied zal aan de HEER zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]