Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Ontrouw van Israël en Juda

21De HEER richtte zich tot mij:

2

2:2
Jer. 11:15
Hos. 2:16-17
‘Roep Jeruzalem toe: Dit zegt de HEER:

Ik weet nog hoe je me liefhad in je jeugd,

van me hield als mijn bruid,

hoe je me volgde door de woestijn,

dat land waar niet wordt gezaaid.

3Israël is aan de HEER gewijd,

het is de eerste vrucht van zijn oogst.

Wie het verslindt, laadt schuld op zich,

hij wordt door onheil getroffen

– spreekt de HEER.

4

2:4
Hos. 4:1
Luister naar de woorden van de HEER,

volk van Jakob.

Stammen van Israël, luister allemaal!

5

2:5
2 Kon. 17:15
Hos. 9:10
Dit zegt de HEER:

Welk onrecht heb ik jullie voorouders gedaan

dat ze mij hebben verlaten,

dat ze achter nietige goden aan liepen

en zelf nietswaardig werden?

6

2:6
Deut. 8:14-16
32:10-12
Zij zeiden niet:

“Waar is de HEER,

die ons uit Egypte heeft bevrijd,

die ons heeft geleid door de woestijn,

door een land van steppen en ravijnen,

een land zo dor en duister,

een land waar niemand doorheen trekt,

waar geen mensen wonen.”

7

2:7
Deut. 8:7-10
Ik leidde jullie naar een land vol boomgaarden,

een rijke oogst aan vruchten wachtte jullie daar.

Jullie kwamen er – en bezoedelden mijn bezit,

mijn eigen land werd mij een gruwel.

8

2:8
Jer. 8:8
De priesters zeiden niet:

“Waar is de HEER?”

De hoeders van de wetten kenden mij niet.

De herders kwamen tegen mij in opstand.

De profeten lieten zich door Baäl leiden

en liepen achter goden aan

van wie geen hulp was te verwachten.

9Daarom klaag ik jullie nogmaals aan,

en de kinderen van je kinderen klaag ik aan

– spreekt de HEER.

10

2:10
Jer. 18:13-16
Ga naar de Griekse eilanden, vraag na,

trek naar Kedar, onderzoek:

is zoiets ooit gebeurd,

11

2:11
Ps. 106:20
Rom. 1:23
heeft ooit een volk zijn goden ingeruild?

En goden zijn het nog niet eens!

Maar mijn volk heeft zijn eer verruild

voor iets dat geen hulp bieden kan.

12Hemel, wees ontzet!

Huiver, sidder en beef!2:12 beef – Volgens de Pesjitta. MT: ‘verdroog’.

– spreekt de HEER.

13Twee wandaden heeft mijn volk begaan:

het heeft mij verlaten, de bron van levend water,

en het heeft waterkelders uitgehouwen,

kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan.

14Is Israël een knecht,

is het soms als slaaf geboren?

Waarom is het dan een weerloze prooi?

15Leeuwen briesen ertegen,

heffen een machtig gebrul aan.

Ze maken van het land een woestenij,

de steden zijn verwoest, ontvolkt.

16Manschappen uit Memfis en Dafne

stropen je heuvels kaal.

17

2:17
Jer. 4:18
6:19
Je hebt het aan jezelf te wijten,

je hebt de HEER, je God, verlaten toen hij je leidde op je weg.

18

2:18
Jes. 30:1-3
Nu dan, waarom ga je naar Egypte,

wil je water drinken uit de Nijl?

Waarom ga je naar Assyrië,

wil je water drinken uit de Eufraat?

19Je eigen kwaad zal je straffen,

je eigen ontrouw keert zich tegen je.

Weet wel: doordat je mij verlaten hebt,

voor mij geen ontzag meer hebt,

loopt het jammerlijk met je af

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten.

20

2:20
1 Kon. 14:23
Ezech. 16:16
Je brak je juk steeds weer in stukken,

rukte je riemen los

en zei: “Ik wil niet dienstbaar zijn.”

Maar op elke hoge heuvel,

onder elke bladerrijke boom,

lag je als een hoer te wachten.

21

2:21
Jer. 5:10
6:9
8:13
Ik heb je geplant als een edele druif, een prachtige stek,

maar wat ben je geworden?

Een verwilderde wijnstok, woekerende ranken!

22Ook al was je je kleren met zeep,

en met een overvloed aan loog,

je schandvlek blijf ik zien

– spreekt God, de HEER.

23Hoe kun je zeggen:

“Ik heb me niet besmeurd,

ik liep niet achter de Baäls aan”?

Kijk eens naar het Hinnomdal,

besef wat je daar doet.

Je bent een rusteloze kameel,

die hitsig heen en weer rent,

24een wilde ezelin, thuis in de woestijn,

die elke ezel ruikt, tochtig als ze is.

Wie kan haar drift aan banden leggen?

Geen ezel hoeft moeite te doen,

bronstig als ze is, laat ze zich makkelijk vinden.

25

2:25
Hos. 2:7
Loop je voeten niet stuk,

bespaar jezelf een dorstige keel.

Maar jij zegt: “Laat me begaan,

ik heb die andere goden lief,

hen wil ik volgen.”

26Zoals een betrapte dief te schande staat,

zo staat het volk van Israël te schande,

de koningen en leiders,

de priesters en profeten.

27Ze zeggen tegen een blok hout:

“U bent onze vader,”

tegen een stuk steen:

“U hebt ons gebaard.”

Ze hebben mij de rug toegekeerd,

ze kijken mij niet langer aan.

Maar als ze in nood zijn, roepen ze:

“Kom toch, red ons!”

28

2:28
Deut. 32:37-38
Jer. 11:13
Waar zijn dan je goden,

die jullie zelf gemaakt hebben?

Die moeten je maar redden uit je nood.

Je hebt toch, Juda, evenveel goden als steden?

29Waarom klagen jullie míj aan?

Jullie kwamen zelf in opstand tegen mij

– spreekt de HEER.

30Ik heb jullie kinderen gestraft;

vergeefs, ze hebben niets geleerd.

Jullie zwaard verslond je profeten,

als een verscheurende leeuw.

31Let op de woorden van de HEER, Israël!

Was ik voor jullie een woestijn,

of een land vol duisternis?

Waarom zegt mijn volk:

“Wij willen niet gebonden zijn,

wij komen niet meer naar u toe”?

32Zal een meisje haar sieraden vergeten,

of een bruid haar tooi?

Maar mijn volk is mij sinds jaar en dag vergeten.

33Hoe goed ken je de weg naar je minnaars,

zelfs verdorven vrouwen kunnen nog iets van je leren.

34

2:34
Jes. 1:15
En bovendien, je kleren zijn besmeurd

met het bloed van arme, onschuldige mensen,

niet van inbrekers, op heterdaad betrapt.

35En je durft ook nog te zeggen:

“Maar ik ben onschuldig,

Gods toorn gaat voorbij.”

Omdat je zegt: “Ik heb niet gezondigd,”

daarom klaag ik je aan.

36Hoe snel sla jij een andere weg in.

Met Assyrië ben je bedrogen uitgekomen,

met Egypte overkomt je dat ook.

37Ook Egypte zul je verlaten,

ontredderd, met je handen op je hoofd.

Want de HEER heeft verstoten op wie je vertrouwde,

steun bieden ze niet meer.’

3

Oproep om terug te keren naar de HEER

31

3:1
Deut. 24:1-4
De HEER sprak:3:1 De HEER sprak – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zeggende’. ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? – spreekt de HEER.

2

3:2
Jer. 2:20
Kijk naar de kale heuvels,

waar ben je níet beslapen?

Je wachtte je minnaars op langs de weg,

zoals een rover wacht in de woestijn.

Je hebt dit land besmeurd

met je overspel, je schandelijk gedrag.

3

3:3
Lev. 26:19
Jer. 5:24
14:4
Daarom bleven de regens uit,

is de lenteregen niet gekomen.

Toch hield je de brutale blik van een hoer,

je toonde geen enkele schaamte.

4Maar nú roep je mij aan.

Je zegt “vader” tegen mij, en zegt:

“U bent de geliefde van mijn jeugd,

5uw woede gaat voorbij,

niet eeuwig duurt uw toorn.”

Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort,

je blijft je schanddaden begaan.’

6

3:6-8
Ezech. 23:1
Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag3:7-8 Haar afvallige zuster Juda zag dat – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Haar afvallige zuster Juda zag en ik zag dat’. 8dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden – spreekt de HEER.’ 11De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda.

12Roep tegen het noorden:

Kom terug, ontrouw Israël – spreekt de HEER –,

dan zal ik mijn woede laten varen,

want ik ben vol genade,

niet eeuwig duurt mijn toorn

– spreekt de HEER.

13Erken alleen dat je schuldig bent,

tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen,

dat je overal op zoek ging naar andere goden,

onder elke bladerrijke boom,

dat je niet naar mij geluisterd hebt

– spreekt de HEER.

14Kom terug, ontrouwe kinderen – spreekt de HEER –, want jullie behoren mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. 15

3:15
Jer. 23:4
Ezech. 34:23-24
Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18
3:18
Gen. 13:14-15
In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat ik hun voorouders in bezit heb gegeven.

19Ik dacht: Hoe kan ik je een plaats tussen mijn kinderen geven

en je een begeerlijk land schenken,

een sieraad voor de hele wereld?

En ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen,

jullie keren je niet van mij af.

20Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt,

zo heb jij mij bedrogen, volk van Israël!

– spreekt de HEER.

21Een stem klinkt over de kale heuvels:

Israël smeekt en weent.

Het is een verdorven weg gegaan,

is de HEER, zijn God, vergeten.

22Kom terug, afvallige kinderen,

ik zal jullie genezen van je ontrouw.

Dan zullen jullie zeggen:

“Hier zijn we, wij komen bij u terug,

want u bent de HEER, onze God.

23Het is waar, de heuvels zijn een leugen,3:23 de heuvels zijn een leugen – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘het bedrog vanaf de heuvels’.

de bergen een holle klank.

Het is alleen de HEER, onze God,

die Israël de overwinning geeft.

24Zolang ons volk bestaat,

heeft de god van de schande

het bezit van onze voorouders verslonden,

hun schapen, geiten en runderen,

hun zonen en dochters.

25Laten we ons neerwerpen in schande,

laat schaamte ons bedekken.

Tegen de HEER, onze God,

hebben wij en onze voorouders gezondigd,

vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag.

Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.”

4

41Israël, wanneer je op je schreden terugkeert,

keer dan terug naar mij – spreekt de HEER.

Heb je die afgodsbeelden weggedaan,

zwerf dan niet langer rond,

2maar zweer waarachtig, eerlijk en oprecht:

“Zo waar de HEER leeft.”

Dan willen alle volken worden gezegend als Israël,4:2 Dan willen alle volken worden gezegend als Israël – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Alle volken zullen in hem gezegend worden’.

ze zullen zich met Israël gelukkig prijzen.

3

4:3
Hos. 10:12
Want dit zegt de HEER tegen Juda en Jeruzalem:

Ontgin nieuw land,

en zaai niet tussen de dorens.

4

4:4
Deut. 10:16
Jer. 21:11-12
Laat je besnijden voor de HEER,

ontdoe je van de voorhuid van je hart,

inwoners van Juda en Jeruzalem.

Anders slaat zijn toorn uit als een vuur,

een brand die niet te blussen is,

vanwege jullie kwalijke praktijken.

De vijand uit het noorden in aantocht

5

4:5
Jer. 8:14
Joël 2:1
Maak bekend in Juda,

laat horen in Jeruzalem, beveel:

“Blaas de ramshoorn in het land!”

Roep luid: “Verzamelen!

Verschans je in je vestingsteden.

6

4:6
Jer. 1:13-15
Wijs met de strijdvaan naar Sion!

Vlucht, blijf niet staan!”

Want ik breng onheil uit het noorden,

een grote ramp!

7Zoals een leeuw uit het struikgewas springt,

zo doemt een vernietiger van volken op,

rukt de vijand op uit zijn gebied.

Hij maakt je land tot een woestenij.

Je steden vallen in puin, worden ontvolkt.

8Hul je daarom in het zwart,

weeklaag, barst uit in jammerklachten.

Onstuitbaar is de brandende toorn van de HEER.

9Op die dag – spreekt de HEER –

ontzinkt de koning en de leiders alle moed.

De priesters zijn ontzet,

de profeten verbijsterd.’

10

4:10
Jer. 14:13
Ik zei: ‘HEER, mijn God,

u hebt Jeruzalem en dit volk misleid:

wij zouden in vrede leven,

toch staat het zwaard ons op de keel!’

11‘Dan zeg ik Juda en Jeruzalem:

Vanuit de kale heuvels in de woestijn

waait een verzengende wind naar mijn volk.

Geen wind om het koren te wannen,

12ik stuur een woeste wind.

Nu, ja nú vel ik mijn oordeel over hen.

13Daar doemt de vijand op,

als een jagende wolk,

zijn wagens razen als een wervelwind,

zijn paarden gaan sneller dan adelaars.

“Wee ons! Het is met ons gedaan.”

14Jeruzalem, zuiver je hart van het kwaad,

dan alleen word je gered.

Hoe lang blijf je broeden op je kwalijke plannen!

15Een bode uit Dan brengt slechte tijding,

uit het bergland van Efraïm komt een onheilsbericht.

16Meld het de volken, maak Jeruzalem bekend:

Uit verre landen naderen belegeraars,

schreeuwend slaan ze het beleg voor Juda’s steden.

17Ze omsingelen Jeruzalem

als wachters een akker,

omdat het tegen mij in opstand kwam

– spreekt de HEER.

18Je wangedrag heeft dit teweeggebracht.

Het bittere kwaad dat je deed,

zette zich vast in je hart.’

19

4:19
Jer. 10:19
O bonzend hart! O razend hart!

Ik krimp ineen van pijn!

Ik kan niet zwijgen,

tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal,

hoor ik het krijgsgeschreeuw.

20

4:20
Jer. 10:20
Ramp op ramp wordt gemeld,

heel het land gaat te gronde.

Plotseling zijn mijn tenten vernield,

onverwacht mijn tentdoeken gescheurd.

21Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien,

de ramshoorn horen schallen?

22

4:22
Deut. 32:6
Micha 7:3
De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk,

het is met mij niet vertrouwd.

Het zijn kinderen zonder verstand,

inzicht hebben ze niet.

Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad;

tot het goede zijn ze niet in staat.’

23Ik zag de aarde,

ze was woest en doods.

Ik keek op naar de hemel,

er was geen licht.

24Ik zag de bergen, ze beefden,

de heuvels, ze huiverden.

25Ik keek, er waren geen mensen,

alle vogels waren uit de lucht verdwenen.

26Ik keek, elke boomgaard was een woestijn,

alle steden waren verwoest –

door toedoen van de HEER,

door zijn brandende toorn.

27Want dit zegt de HEER:

‘Heel het land wordt een woestenij,

maar vernietigen zal ik het niet.

28Hierom zal de aarde rouwen,

de hemel boven zal in zwart gedompeld zijn,

omdat ik gesproken heb en dit besloten heb.

Ik volhard in mijn besluit, ik kom er niet op terug.’

29Voor de kreten van schutters en menners

slaat heel de stad op de vlucht.

Ze rennen de bossen in,

beklimmen de rotsen.

Heel de stad is verlaten,

niemand woont er nog.

30

4:30
Jes. 3:16-24
Ezech. 16:37-40
23:22-29
Jij, Juda, bent tot ondergang gedoemd,

wat wil je nu nog doen?

Al ga je gekleed in scharlaken,

al ben je met goud getooid,

al maak je je ogen op,

tevergeefs maak je je mooi.

Je wordt door je minnaars verworpen,

ze staan je naar het leven.

31

4:31
Ps. 48:7
Jes. 13:8
Jer. 6:24
13:21
22:23
50:43
Ik hoor een kreet van pijn,

als van een vrouw die de eerste keer baart.

Vrouwe Sion kreunt,

zij heft haar handen ten hemel:

‘Wee mij! Ik bezwijk in handen van moordenaars.’