Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
22

221Dit zei de HEER: ‘Ga naar het paleis van de koning van Juda en breng hem deze boodschap: 2Luister naar de woorden van de HEER, koning van Juda. U die op de troon van David zit, luister, samen met uw hovelingen en uw onderdanen, die door deze poorten naar binnen gaan. 3Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed. 4

22:4-5
Jer. 17:24-25
Nemen jullie dit alles in acht, dan zullen Davids troonopvolgers door de poorten van dit paleis gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens, vergezeld van hun hovelingen en hun volk. 5Maar als jullie niet naar deze woorden luisteren, dan zweer ik bij mijn eigen naam dat dit paleis in puin zal vallen – spreekt de HEER.

6Dit zegt de HEER tegen het paleis van de koning van Juda:

Ik zie in jou de bossen van Gilead,

de toppen van de Libanon.

Maar ik maak je tot een woestijn,

tot een uitgestorven stad.

7Ik stuur slopers met bijlen op je af,

ze hakken je mooiste cederhout aan stukken,

ze geven het prijs aan het vuur.

8Dan zullen vele volken langs deze stad trekken en vragen: “Waarom heeft de HEER deze machtige stad zo zwaar getroffen?” 9
22:9
1 Kon. 9:7-9
Jer. 5:19
En het antwoord zal zijn: Ze hebben het verbond met de HEER, hun God, verbroken, ze hebben neergeknield voor andere goden en die vereerd.

10Treur niet om een dode,

weeklaag niet om hem.

Treur liever om hem die verbannen werd:

hij ziet zijn geboorteland niet terug.

11
22:11
2 Kon. 23:31-34
2 Kron. 36:1-4
Dit zegt de HEER over koning Sallum van Juda, die zijn vader Josia is opgevolgd: Hij heeft deze stad verlaten en zal niet meer terugkeren. 12Sallum zal sterven in het land waarheen hij verbannen werd; dit land zal hij niet terugzien.

13

22:13-19
2 Kon. 23:36-24:6
2 Kron. 36:5-8
22:13
Deut. 24:15
Wee hem die zijn huis op onrechtvaardigheid bouwt,

die de bovenvertrekken met onrecht schraagt,

die anderen voor zich laat werken

maar hun geen loon betaalt,

14die zegt: “Ik bouw voor mezelf een indrukwekkend paleis,

met ruime bovenvertrekken, vol vensters,

bekleed met cederhout,

prachtig rood geverfd.”

15Ben je koning door de pracht van je cederhout?

Je vader had aan niets gebrek.

Recht en gerechtigheid handhaafde hij –

en hij leefde in voorspoed.

16Hij beschermde het recht van armen en behoeftigen –

en hij leefde in voorspoed.

Is dat niet: mij kennen?

– spreekt de HEER.

17Maar jouw ogen en jouw hart

zijn slechts op eigen voordeel gericht,

op onschuldig bloed vergieten,

op afpersen en uitbuiten.

18

22:18
1 Kon. 13:30
Jer. 34:5
Daarom – dit zegt de HEER

over koning Jojakim van Juda, zoon van Josia:

Niemand zal een klaaglied zingen:

“Ach mijn broer, ach mijn zuster.”

Niemand klaagt: “Ach heer, ach majesteit.”

19

22:19
Jes. 14:18-19
Als een ezel wordt hij uitgedragen,

weggesleept en weggegooid,

ver buiten de poorten van Jeruzalem.

20Beklim de Libanon en schreeuw het uit,

verhef je stem in Basan,

schreeuw het uit vanaf de Abarim,

want al je minnaars zijn verslagen.

21

22:21
Jer. 3:25
7:23-24
11:7-8
Ik sprak tot jou toen jij je veilig waande,

maar je zei: “Ik luister niet.”

Zo ben je al vanaf je jeugd,

nooit heb je naar mij geluisterd.

22De wind zal al je herders hoeden,

al je minnaars gaan in ballingschap.

Ja, dan word je beschaamd en sta je te schande

vanwege je kwalijke praktijken.

23Jij die zetelt op de Libanon,

in cederbomen nestelt,

wat zul je zuchten en kreunen,

zoals een vrouw in barensnood.

24

22:24-29
2 Kon. 24:8-15
2 Kron. 36:9-10
22:24
Hag. 2:23
Zo waar ik leef – spreekt de HEER –, ook al droeg ik jou, koning Jechonja van Juda, zoon van Jojakim, als een zegelring aan mijn rechterhand, ik zou je ervan afrukken. 25Ik lever je uit aan hen die je naar het leven staan, aan de mensen voor wie je zo bang bent: koning Nebukadnessar van Babylonië en de Chaldeeën. 26Ik werp je weg, samen met je moeder, samen met haar die jou ter wereld bracht. Jullie worden weggevoerd naar een land waar jullie niet geboren zijn en daar zullen jullie sterven. 27Hoezeer jullie ook verlangen om naar dit land terug te keren, dat zal niet gebeuren.

28Is Jechonja soms een afgedankte, stukgeslagen pot,

is deze man een kruik die nergens meer toe dient?

Waarom worden hij en zijn kinderen weggeworpen,

verdreven naar een onbekend land?

29Land, o land, luister naar de woorden van de HEER! 30Dit zegt de HEER: Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.
23

231Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en laten verdwalen – spreekt de HEER. 2Daarom – dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verjaagd en laten verdwalen, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga ik jullie zoeken: ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken – spreekt de HEER. 3

23:3
Jes. 40:11
Jer. 31:10
Wat er nog van de schapen over is, zal ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen ik ze verjaagd heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4
23:4
Jer. 3:15
Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist – spreekt de HEER.

5

23:5-6
Jer. 33:15-16
23:5
Ps. 72:1-7
Zach. 3:8
De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. 6Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”.

7

23:7-8
Jer. 16:14-15
Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 8maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij hen verbannen had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’

Profetieën over de profeten

9Over de profeten.

‘Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft,

ik lijk wel dronken, beneveld door wijn –

door toedoen van de HEER,

door zijn heilige woorden.’

10‘Overal is ontrouw,

heel het land zucht onder de vloek,

verdroogd is het groen in de woestijn.

Ieder vliegt af op het kwaad

en vindt zijn kracht in onrecht.

11

23:11
Jer. 5:31
6:13
14:13-16
Want profeten en priesters zijn verdorven,

zelfs in mijn tempel moet ik hun wangedrag aanzien

– spreekt de HEER.

12Daarom zal hun weg een glibberig pad zijn,

ze struikelen in het duister, en komen ten val.

Als ik met hen afreken,

tref ik hen met onheil – spreekt de HEER.

13Bij Samaria’s profeten zag ik ongehoorde dingen:

ze lieten zich door Baäl leiden

en misleidden Israël, mijn volk.

14

23:14
Gen. 18:20
Bij Jeruzalems profeten zie ik gruwelijke dingen:

overspel! leugen op leugen!

Zij steunen de boosdoeners,

zodat die niet breken met hun kwalijke praktijken.

Iedereen is even slecht geworden

als de inwoners van Sodom en Gomorra.

15

23:15
Jer. 9:14
Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten over de profeten:

Ik geef hun alsem te eten en giftig water te drinken,

want de profeten van Jeruzalem

hebben heel het land met hun verdorvenheid besmet.

16Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Luister niet naar wat de profeten jullie verkondigen. Ze geven jullie valse hoop. Hun visioenen zijn hun eigen verzinsels, ze komen niet van de HEER. 17Tegen hen die mij minachten durven ze te zeggen: “De HEER zegt dat het jullie goed zal gaan.” En tegen ieder die zich door zijn koppige hart laat leiden zeggen ze: “Nee, onheil blijft je bespaard.” 18Wie het raadsbesluit van de HEER kreeg toevertrouwd, moet zijn woorden in zich opnemen en gehoorzamen. Wie goed naar zijn woorden geluisterd heeft, heeft ze ook begrepen.

19

23:19-20
Jer. 30:23-24
De HEER zendt een woedende wind,

een razende storm treft de verdorvenen.

20Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren

voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.

Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.

21Ik heb die profeten niet gezonden,

toch rennen zij of zij mijn boden waren.

Ik heb niet tot hen gesproken,

toch spreken zij of zij profeten waren.

22Hadden ze mijn raadsbesluit vernomen,

dan hadden ze mijn volk mijn woorden laten horen,

het opgeroepen zijn verdorven levenswandel op te geven,

te breken met zijn kwalijke praktijken.

23Ben ik alleen een God van dichtbij,

ben ik niet ook een God van ver? – spreekt de HEER.

24

23:24
Ps. 139:7-12
Amos 9:2-3
Sir. 16:17
Als iemand zich verbergt,

zou ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER.

Ben ik niet overal,

in de hemel en op aarde? – spreekt de HEER.

25Ik heb gehoord wat voor leugens die profeten in mijn naam verkondigen. Ze roepen: “Een droom! Ik heb een droom gehad!” 26Hoe lang nog zullen die leugenachtige profeten, die zichzelf een rad voor ogen draaien, doorgaan? 27Hoe lang nog zijn ze eropuit om met de dromen die ze elkaar vertellen mijn volk mijn naam te laten vergeten, zoals hun voorouders mijn naam door Baäl zijn vergeten? 28Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer.

Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER.

29

23:29
Jer. 5:14
20:9
Is mijn woord niet als een vuur,

als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER.

30Ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, ik zal ze straffen, die profeten die elkaar napraten 31en steeds zo zelfverzekerd “spreekt de HEER” roepen; 32ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, die profeten die misleidende dromen profeteren en mijn volk met hun leugens en aanmatigende praatjes bedriegen. Ik heb hen niet gezonden en ze zijn dit volk op geen enkele manier tot nut – spreekt de HEER.

33En als een profeet, een priester of wie dan ook vraagt: “Welke last geeft de HEER ons met zijn woorden te dragen?” antwoord dan: “Jullie zelf zijn die last,23:33 Jullie zelf zijn die last – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Welke last?’ maar ik zal jullie afwerpen – spreekt de HEER.” 34De profeet, priester of wie dan ook die het nog over een “last van de HEER” heeft straf ik, samen met zijn hele familie. 35Vraag elkaar liever: “Wat heeft de HEER geantwoord,” of: “Wat heeft de HEER gezegd?” 36Spreek niet langer over een “last van de HEER”. Ieder zegt op last van mij te spreken, maar daarmee verdraaien jullie de woorden van de levende God, de HEER van de hemelse machten, jullie God. 37Vraag een profeet liever wat de HEER geantwoord heeft, of wat hij gezegd heeft. 38Dit zegt de HEER: Als jullie toch over een “last van de HEER” spreken, terwijl ik jullie heb verboden dat te doen, 39zal ik jullie optillen23:39 zal ik jullie optillen – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘zal ik jullie vergeten’. en van me afwerpen, samen met de stad die ik jullie en je voorouders gegeven heb. 40Ik breng eeuwige smaad en schande over jullie, die nooit zal worden vergeten.’

24

De manden met vijgen

241

24:1
2 Kon. 24:12-16
2 Kron. 36:10
De HEER liet mij twee manden met vijgen zien, nadat koning Nebukadnessar van Babylonië koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, samen met de leiders van Juda en de smeden en de wapenmeesters uit Jeruzalem naar Babel had weggevoerd. De manden waren voor de tempel gezet. 2In de ene mand zaten prachtige vijgen, als van de eerste pluk, in de andere mand zaten bedorven vijgen, die niet meer te eten waren. 3De HEER zei tegen mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Vijgen. De goede vijgen zijn helemaal gaaf, de slechte zijn zo bedorven dat ze niet meer te eten zijn.’ 4Toen richtte de HEER zich tot mij: 5
24:5-7
Ezech. 11:14-21
‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: De goede vijgen staan voor de Judese ballingen die ik van hier naar Babylonië heb gestuurd. 6
24:6
Jer. 1:10
Ik zal welwillend naar hen omzien en hen naar dit land terugbrengen. Ik zal hen opbouwen en niet afbreken, planten en niet uitrukken. 7
24:7
Jer. 30:22
31:33
Ik geef hun het inzicht dat ik de HEER ben; als ze met heel hun hart naar mij terugkeren, zullen zij mijn volk zijn en zal ik hun God zijn. 8
24:8-9
Jer. 29:17-18
Maar die bedorven vijgen die niet meer te eten zijn – ja, dit zegt de HEER: Die vijgen staan voor koning Sedekia van Juda, en voor zijn raadsheren en de mensen uit Jeruzalem die in dit land zijn overgebleven of in Egypte zijn gaan wonen. 9
24:9
Jer. 15:4
26:6
42:18
44:12
Ik maak hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde. Ze zullen te schande staan en het mikpunt zijn van hoon en spot, hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, overal waarheen ik hen verdrijf. 10Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, tot ze zijn verdwenen uit het land dat ik hun en hun voorouders gegeven heb.’