Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
19

De stukgeslagen kruik

191-2

19:1-13
Jer. 7:29-34
Dit zei de HEER: ‘Koop een aarden kruik en ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters de stad uit. Ga naar het Hinnomdal bij de Schervenpoort en verkondig daar wat ik je zeg: 3
19:3
1 Sam. 3:11
2 Kon. 21:12
Luister naar de woorden van de HEER, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal zulk onheil over deze stad brengen dat de oren van wie ervan hoort zullen tuiten. 4
19:4-5
Jer. 32:34-35
Want ze hebben mij verlaten, ze hebben deze plaats geschonden en er wierook gebrand ter ere van andere goden, die zij, hun voorouders en de koningen van Juda nooit hebben gekend. Ze hebben deze plaats doen druipen van onschuldig bloed 5
19:5
Lev. 18:21
Deut. 12:31
18:10
en er offerplaatsen gebouwd om hun kinderen als offer voor Baäl te verbranden. Dat heb ik nooit geboden, nooit gezegd en nooit gewild. 6Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat deze plaats niet meer Tofet of Hinnomdal wordt genoemd, maar Moorddal. 7Daar breek ik de plannen van Juda en Jeruzalem stuk, ik laat hen ombrengen door hun vijanden, door allen die hun naar het leven staan. De lijken van dit volk geef ik als prooi aan roofvogels en wilde dieren. 8
19:8
Jer. 18:16
Ik maak van deze stad een voorwerp van spot en ontzetting. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat haar getroffen heeft, ieder zal de adem in de keel stokken. 9
19:9
Deut. 28:53-57
Ezech. 5:10
Ik laat de mensen het vlees van hun eigen zonen en dochters eten; men zal elkaars vlees eten, zo’n gebrek zal er zijn, tot zo grote wanhoop zal de vijand die hun naar het leven staat, hen gedurende het beleg drijven.

10Sla in aanwezigheid van de mannen die je vergezellen de kruik stuk 11en zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Zo zal ik dit volk en deze stad stukslaan. Zoals iemand een kruik aan stukken slaat, zo zal ik Tofet treffen – onherstelbaar. Omdat er nergens anders plaats meer is, zullen ze hun doden zelfs in dit dal begraven. 12-13En met de stad en haar inwoners zal ik hetzelfde doen – spreekt de HEER. De huizen van Jeruzalem en de paleizen van de koningen van Juda, ja alle huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor het sterrenleger aan de hemel en wijnoffers heeft gebracht aan andere goden, worden zo onrein als Tofet.’

14En Jeremia ging vanuit Tofet, waar de HEER hem naartoe gezonden had om te profeteren, naar de voorhof van de tempel en zei tegen de aanwezigen: 15

19:15
Jer. 7:26
‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik breng over deze stad en de omliggende steden al het onheil dat ik aangekondigd heb, want de inwoners weigeren hardnekkig naar mijn waarschuwingen te luisteren.’

20

201Toen de priester Paschur, de zoon van Immer, hoofdopzichter van de tempel, Jeremia dit hoorde profeteren, 2liet hij de profeet stokslagen geven en hem in de hoge Benjaminpoort bij de tempel in het blok sluiten. 3Toen Paschur hem de volgende dag uit het blok haalde, zei Jeremia tegen hem: ‘De HEER noemt jou niet langer Paschur, maar Magor-Missabib.20:3 Magor-Missabib – Magor-Missabib kan worden vertaald als ‘overal paniek’. 4Want dit zegt de HEER: Ik maak jou voor jezelf en je vrienden tot een bron van paniek; zij zullen door hun vijanden worden omgebracht en jij zult het moeten aanzien. Ik lever alle Judeeërs uit aan de koning van Babylonië; hij zal hen naar Babel wegvoeren of hen ombrengen. 5De voorraden van deze stad, de bezittingen en kostbaarheden, en de schatten van de koningen van Juda geef ik hun vijanden in handen. Ze zullen alles buitmaken en meevoeren naar Babel. 6Ook jij, Paschur, zult samen met heel je familie in ballingschap gaan. Je zult worden weggevoerd naar Babel; daar zul je sterven en worden begraven, samen met al je vrienden, tegen wie je leugens hebt geprofeteerd.’

Klacht van Jeremia

7HEER, u hebt mij verleid, en ik ben bezweken,

u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.

Dag in dag uit lachen ze om mij,

iedereen bespot mij.

8Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen:

“Ik word mishandeld, onderdrukt!”

Want de woorden van de HEER brengen mij

dag in dag uit schande en vernedering.

9

20:9
Job 32:19-20
Ps. 39:4
Jer. 23:29
Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen,

niet meer spreken in zijn naam,

dan laait er in mijn hart een vuur op,

dan brandt het in mijn gebeente.

Ik doe moeite om het in bedwang te houden,

maar ik kan het niet.

10Want de mensen bauwen mij na:

“Overal paniek! Overal paniek!

Roep het, dan vertellen wij het verder.”

Al mijn vrienden zijn uit op mijn val:

“Misschien laat hij zich verleiden,

dan krijgen wij hem in onze greep,

dan wreken wij ons op hem.”

11Maar de HEER staat mij terzijde als een machtig krijgsman.

Daarom komen mijn belagers ten val,

ze krijgen mij niet in hun greep.

Ze zullen diep worden beschaamd,

ze zullen hun doel niet bereiken.

Ze worden overladen met eeuwige schande,

nooit zal die worden vergeten.

12

20:12
Jer. 11:20
17:10
HEER van de hemelse machten,

die alles rechtvaardig onderzoekt,

die hart en nieren doorgrondt,

laat mij zien dat u zich op hen wreekt.

U leg ik mijn zaak voor.

13Zing voor de HEER, loof de HEER,

want hij heeft het leven van de arme

uit de handen van boosdoeners gered.

14

20:14-18
Job 3:1-26
Vervloekt is de dag waarop ik ben geboren,

de dag waarop mijn moeder mij baarde.

Die dag mag niet gezegend zijn.

15

20:15
Jer. 15:10
Vervloekt is de man die mijn vader het goede nieuws bracht,

en riep: “U hebt een kind, een jongen!”

16Het zal die man vergaan

als de steden die de HEER meedogenloos verwoestte.

Hij hoort kreten om hulp in de morgen,

krijgsgeschreeuw op het middaguur.

17Had hij me maar in de schoot gedood,

dan was mijn moeder mijn graf geworden,

dan was haar schoot voor altijd zwanger gebleven.

18Waarom moest ik de moederschoot verlaten?

Ik heb alleen maar verdriet en pijn,

ik slijt mijn dagen in schande.’

21

Verzoek van koning Sedekia

211

21:1-10
2 Kon. 25:1-11
2 Kron. 36:17-21
De HEER richtte zich tot Jeremia, nadat koning Sedekia Paschur, de zoon van Malkia, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had. Ze zeiden tegen Jeremia: 2‘Nu koning Nebukadnessar van Babylonië ons aanvalt, willen wij u vragen de HEER voor ons te raadplegen. Misschien zal hij opnieuw wonderdaden verrichten en zal de vijand het beleg opbreken.’ 3Jeremia antwoordde: ‘Zeg tegen Sedekia het volgende: 4Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik zal jullie dwingen je niet langer buiten, maar binnen de muren van de stad tegen de koning van Babylonië en de Chaldeeën te verdedigen. 5Ikzelf zal met krachtige, sterke hand tegen jullie strijden, vervuld van grote woede en toorn. 6Ik zal deze stad treffen met een verschrikkelijke pest, waaraan mensen en dieren zullen sterven. 7En dan – spreekt de HEER – lever ik koning Sedekia van Juda, zijn hof en allen die in deze stad de pest, het zwaard en de honger hebben overleefd, uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Hij zal hen aan het zwaard rijgen en niemand sparen; hij zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben.’

8

21:8
Deut. 30:15
De HEER sprak: ‘Zeg tegen dit volk: Dit zegt de HEER: Ik geef jullie de keuze tussen leven en dood. 9
21:9
Jer. 38:2
Wie hier blijft zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie de stad verlaat en zich overgeeft aan de Chaldese belegeraars zal zijn leven behouden. 10Want ik heb mij tegen deze stad gekeerd: ik zal haar niet redden, maar ten onder laten gaan – spreekt de HEER. Ze zal de koning van Babylonië in handen vallen en hij zal haar in vlammen doen opgaan.’

Profetieën over de koningen van Juda

11-12

21:11-12
Jer. 4:4
Over het koningshuis van Juda.

‘Luister naar de woorden van de HEER, huis van David!

Dit zegt de HEER:

Handhaaf het recht elke dag,

red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker.

Anders slaat mijn toorn uit als een vuur,

een brand die niet te blussen is,

vanwege jullie kwalijke praktijken.

13Jeruzalem, ik zal je straffen – spreekt de HEER –,

jij die in een vallei gelegen bent,

op geëffende rotsen gebouwd.

Je inwoners denken:

Wie zou ons kunnen aanvallen,

wie zou onze huizen kunnen binnendringen?

14Ik ben het die je straffen zal,

ik geef jou je verdiende loon – spreekt de HEER.

Ik steek je cederhouten zuilen in brand,

heel de stad wordt door het vuur verteerd.’