Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
17

171De zonde van de Judeeërs staat geschreven met een ijzeren stift,

met een diamanten punt staat ze gegrift in hun hart

en op de horens van hun altaren.

2Ook hun kinderen houden hun altaren en Asjerapalen in ere,

bij bladerrijke bomen en op hoge heuvels.

3

17:3-4
Jer. 15:13-14
Jullie die de stad verlaten en de bergen zoeken,

je rijkdom, schatten en offerhoogten laat ik plunderen,

om de zonden die jullie overal hebben begaan.

4Het land dat ik je schonk, zul je moeten verlaten,

ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land.

Want mijn toorn slaat uit17:4 slaat uit – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT: ‘jullie slaan uit’. als een vuur

en zal altijd blijven woeden.

5

17:5
Ps. 146:3-4
Dit zegt de HEER:

Vervloekt wie op een mens vertrouwt,

wie zijn kracht ontleent aan stervelingen,

wie zich afkeert van de HEER.

6Hij is als een struik in een dorre vlakte,

hij merkt de komst van de regen niet op.

Hij staat in een steenwoestijn,

in een verzilt en verlaten land.

7

17:7
Ps. 40:5
Gezegend wie op de HEER vertrouwt,

wiens toeverlaat de HEER is.

8

17:8
Ps. 1:3
Hij is als een boom geplant aan water,

zijn wortels reiken tot in de rivier.

Hij merkt de komst van de hitte niet op,

zijn bladeren blijven altijd groen.

Tijden van droogte deren hem niet,

steeds weer draagt hij vrucht.

9Niets is zo onbetrouwbaar als het hart,

onverbeterlijk is het, wie zal het kennen?

10

17:10
Ps. 62:13
Spr. 17:3
Jer. 11:20
32:19
Mat. 16:27
Op. 2:23
Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt,

die nieren toetst,

die ieder naar zijn levenswandel beloont,

aan ieder geeft wat hij verdient.

11Zoals een patrijs eieren uitbroedt

die ze niet heeft gelegd,

zo is een mens die op oneerlijke wijze rijkdom verwerft.

In de bloei van zijn leven verliest hij alles,

als zijn einde komt, blijkt zijn dwaasheid.’

12‘Een luisterrijke troon,

hoog verheven vanaf het begin,

dat is ons heiligdom.

13

17:13
Jer. 2:13
14:8
HEER, bron van Israëls hoop,

wie u verlaten, zullen te schande staan,

wie van u weggaan, zullen in het stof worden geschreven,

want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten.

14

17:14
Ps. 6:3-4
Genees mij, HEER, dan zal ik gezond zijn,

red mij, dan zal ik veilig zijn.

Kon ik u niet altijd prijzen?

15Ze zeggen tegen mij:

“Wat komt er uit van de woorden van de HEER?”

16Ik ben u, mijn herder, nooit ontvlucht,

naar een onheilsdag heb ik nooit uitgezien.

U weet wat over mijn lippen komt,

al mijn woorden zijn u bekend.

17Word niet mijn ondergang – niet u!

U bent toch mijn toevlucht in tijden van nood?

18Laat mijn achtervolgers te schande staan – niet mij!

Laat hen ten onder gaan – niet mij!

Breng onheil over hen,

tref hen, tref hen dodelijk.’

De sabbat als heilige dag

19Dit zei de HEER tegen mij: ‘Ga in de Volkspoort staan, die de koningen van Juda plegen te gebruiken, en in de andere poorten van Jeruzalem. 20Verkondig daar: Koningen van Juda, inwoners van Juda en Jeruzalem, jullie die door deze poorten naar binnen gaan, luister naar de woorden van de HEER. 21

17:21-22
Neh. 13:15-22
Dit zegt de HEER: Wacht je er terdege voor om op sabbat goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen te brengen 22
17:22
Ex. 20:8-10
Deut. 5:12-14
en om uit jullie huizen goederen naar buiten te brengen. Verricht ook verder geen enkele bezigheid en vier de sabbat als heilige dag zoals ik jullie voorouders geboden heb. 23
17:23
Jer. 7:26
19:15
Maar zij luisterden niet, schonken mij geen gehoor; zij waren halsstarrig en ongehoorzaam en lieten zich niet terechtwijzen. 24
17:24-25
Jer. 22:4-5
Als jullie wel naar mij luisteren – spreekt de HEER – en op sabbat geen goederen door de poorten van deze stad naar binnen brengen, de sabbat als heilige dag vieren en niet werken, 25
17:25
Ezech. 37:25
Joël 4:20
dan zullen Davids troonopvolgers door de poorten van deze stad naar binnen gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens en vergezeld van hun raadsheren en de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dan zal deze stad altijd bewoond blijven. 26En uit de steden van Juda, de omgeving van Jeruzalem, het stamgebied van Benjamin, het heuvelland, het bergland en de Negev zal men brandoffers, vredeoffers, graanoffers, dankoffers en wierook naar de tempel van de HEER brengen. 27Maar als jullie geen gehoor geven aan mijn gebod om de sabbat als heilige dag te vieren, als jullie op die dag goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen blijven brengen, zal ik de poorten in vlammen doen opgaan, en zal vuur de burchten van Jeruzalem verteren – en niemand die het zal blussen.’

18

Bij de pottenbakker

181De HEER richtte zich tot Jeremia: 2‘Ga naar de werkplaats van een pottenbakker, daar zal ik laten horen wat ik je te zeggen heb.’ 3Ik ging naar een werkplaats, waar een pottenbakker juist op zijn draaischijf aan het werk was. 4Als de pot die hij maakte mislukte, begon hij opnieuw en vormde hij de klei tot een andere pot, precies zoals hij zich die had voorgesteld. 5De HEER zei: 6

18:6
Jes. 29:16
45:9
64:7
Rom. 9:21
‘Volk van Israël, ik kan met jullie hetzelfde doen als die pottenbakker – spreekt de HEER. Immers, jullie zijn in mijn handen als klei in de handen van een pottenbakker. 7
18:7-9
Jer. 1:10
Ezech. 18:21-24
De ene keer zeg ik tegen een volk en een koninkrijk dat ik het zal uitrukken, verwoesten en ombrengen – 8
18:8
Jona 3:10
maar als dat volk met zijn kwalijke praktijken breekt,18:8 als dat volk met zijn kwalijke praktijken breekt – Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘als dat volk met zijn kwalijke praktijken breekt, die ik ertegen gesproken heb’. dan zie ik af van het onheil waarmee ik het wilde treffen. 9De andere keer zeg ik tegen een volk en een koninkrijk dat ik het zal opbouwen en planten – 10maar luistert dat volk daarna niet naar mij en doet het wat slecht is in mijn ogen, dan zie ik af van al het goede dat ik had beloofd te doen. 11Daarom, zeg tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem: Dit zegt de HEER: Uit mijn hand komt onheil over jullie en ik beraam kwade plannen. Breek met je kwalijke praktijken, beter je leven. 12
18:12
Jer. 2:25
Maar ze zullen antwoorden: “Laat ons begaan, we willen onze eigen plannen volgen.” Ze zullen zeggen dat ze zich alleen willen laten leiden door hun koppig en boosaardig hart.

Israël keert zich af van de HEER en zijn profeet

13

18:13
Jer. 2:10-12
Dit zegt de HEER:

Vraag aan alle volken:

Wie heeft zoiets ooit gehoord?

Wat Israël heeft gedaan – afschuwelijk!

14Verdwijnt de sneeuw ooit van de rotsen van de Libanon?

Droogt koud en stromend water uit een verre bron ooit op?

15

18:15
Jer. 2:32
Maar mijn volk is mij vergeten,

het brandt wierook voor nietswaardige goden,

die het lieten struikelen op van oudsher vertrouwde wegen,

het op ongebaande paden lieten gaan.

16

18:16
1 Kon. 9:8
Jer. 19:8
Klaagl. 2:15-16
Zo werd het land een woestenij,

een voorwerp van blijvende afschuw.

Ieder die voorbijkomt huivert,

schudt vol ontzetting het hoofd.

17

18:17
Jer. 13:24
Als de oostenwind zal ik het volk verstrooien,

ik jaag het voor zijn vijand uit.

Op de dag dat het ten onder gaat

keer ik het de rug toe,18:17 keer ik het de rug toe – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘ik zal het wat betreft de rug zien’. wend ik mij af.’

18‘Ze zeiden: “Laten we iets tegen Jeremia ondernemen.

Want het onderricht van onze priesters,

de raad van onze wijzen,

de verkondiging van onze profeten

zullen allerminst verdwijnen.

Kom, we brengen hem in opspraak,

we schenken aan zijn woorden niet langer gehoor.”

19HEER, luister naar mij,

hoor de plannen van mijn tegenstanders.

20

18:20
Ps. 35:7,12
Mag goed met kwaad worden vergolden?

Een kuil hebben ze voor mij gegraven –

en dat terwijl ik voor u stond

om voor hen te pleiten,

om uw toorn van hen af te wenden.

21Geef daarom hun kinderen prijs aan de honger,

lever ze uit aan het zwaard.

Beroof hun vrouwen van hun man en kinderen,

laat hun mannen sterven door de pest,

hun jongens vallen in de oorlog.

22Laat gejammer uit hun huizen klinken,

omdat u onverhoeds een bende op hen afstuurt.

Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen,

zij hebben een strik op mijn pad gezet.

23

18:23
Neh. 3:37
HEER, u kent hun moorddadige plannen tegen mij.

Dek hun misdaden niet toe,

wis hun zonden niet uit.

Laat hen voor uw ogen bezwijken,

reken met hen af als uw toorn losbreekt.’

19

De stukgeslagen kruik

191-2

19:1-13
Jer. 7:29-34
Dit zei de HEER: ‘Koop een aarden kruik en ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters de stad uit. Ga naar het Hinnomdal bij de Schervenpoort en verkondig daar wat ik je zeg: 3
19:3
1 Sam. 3:11
2 Kon. 21:12
Luister naar de woorden van de HEER, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal zulk onheil over deze stad brengen dat de oren van wie ervan hoort zullen tuiten. 4
19:4-5
Jer. 32:34-35
Want ze hebben mij verlaten, ze hebben deze plaats geschonden en er wierook gebrand ter ere van andere goden, die zij, hun voorouders en de koningen van Juda nooit hebben gekend. Ze hebben deze plaats doen druipen van onschuldig bloed 5
19:5
Lev. 18:21
Deut. 12:31
18:10
en er offerplaatsen gebouwd om hun kinderen als offer voor Baäl te verbranden. Dat heb ik nooit geboden, nooit gezegd en nooit gewild. 6Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat deze plaats niet meer Tofet of Hinnomdal wordt genoemd, maar Moorddal. 7Daar breek ik de plannen van Juda en Jeruzalem stuk, ik laat hen ombrengen door hun vijanden, door allen die hun naar het leven staan. De lijken van dit volk geef ik als prooi aan roofvogels en wilde dieren. 8
19:8
Jer. 18:16
Ik maak van deze stad een voorwerp van spot en ontzetting. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat haar getroffen heeft, ieder zal de adem in de keel stokken. 9
19:9
Deut. 28:53-57
Ezech. 5:10
Ik laat de mensen het vlees van hun eigen zonen en dochters eten; men zal elkaars vlees eten, zo’n gebrek zal er zijn, tot zo grote wanhoop zal de vijand die hun naar het leven staat, hen gedurende het beleg drijven.

10Sla in aanwezigheid van de mannen die je vergezellen de kruik stuk 11en zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Zo zal ik dit volk en deze stad stukslaan. Zoals iemand een kruik aan stukken slaat, zo zal ik Tofet treffen – onherstelbaar. Omdat er nergens anders plaats meer is, zullen ze hun doden zelfs in dit dal begraven. 12-13En met de stad en haar inwoners zal ik hetzelfde doen – spreekt de HEER. De huizen van Jeruzalem en de paleizen van de koningen van Juda, ja alle huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor het sterrenleger aan de hemel en wijnoffers heeft gebracht aan andere goden, worden zo onrein als Tofet.’

14En Jeremia ging vanuit Tofet, waar de HEER hem naartoe gezonden had om te profeteren, naar de voorhof van de tempel en zei tegen de aanwezigen: 15

19:15
Jer. 7:26
‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik breng over deze stad en de omliggende steden al het onheil dat ik aangekondigd heb, want de inwoners weigeren hardnekkig naar mijn waarschuwingen te luisteren.’