Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

91Ach, had ik maar een nachtverblijf in de woestijn.

Ik zou mijn volk verlaten, van hen weggaan.’

‘Ze zijn allen even trouweloos,

het is een bende bedriegers.

2

9:2
Ps. 12:1-5
Ze spannen hun tong als een boog,

ze schieten met bedrog en onbetrouwbaarheid.

Hun macht in het land neemt almaar toe,

ze stapelen wandaad op wandaad

en willen van mij niets weten

– spreekt de HEER.

3

9:3
Gen. 27:36
Jer. 12:6
Hos. 12:4
Micha 7:5
Wees allen op je hoede voor vrienden,

verlaat je niet op je broers.

Elke broer bedriegt als Jakob,

elke vriend strooit lasterpraat rond.

4De een bedriegt de ander,

de waarheid spreken ze niet.

Hun tong is afgericht op liegen,

ze kunnen niet anders meer.9:4-5 ze kunnen niet anders meer./ Onderdrukking volgt op onderdrukking,/ bedrog op bedrog – Volgens de Septuaginta. MT: ‘ze kunnen niet. Jouw zitten te midden van bedrog op bedrog’.

5Onderdrukking volgt op onderdrukking,

bedrog op bedrog.

Ze willen van mij niets weten

– spreekt de HEER.

6Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik ga hen smelten en zuiveren.

Wat kan ik anders doen met mijn volk?

7Hun tong is een moordende pijl,

hun mond spreekt bedrieglijke woorden.

Ze doen allervriendelijkst tegen elkaar,

maar leggen heimelijk een valstrik.

8

9:8
Jer. 5:9
Zou ik hen hierom niet straffen?

– spreekt de HEER.

Zou ik mij niet wreken

op een volk dat zoiets doet?’

9‘Ik weeklaag om de bergen,

om de weidegronden hef ik een klaaglied aan.

Ze zijn verwoest, niemand trekt er nog doorheen,

niemand hoort nog kudden blaten.

Vogels en vee, alles is op de vlucht.’

10

9:10
Jer. 34:22
‘Ik maak Jeruzalem tot een ruïne,

tot een oord voor jakhalzen.

Ik maak Juda’s steden tot een woestenij,

waar niemand meer kan wonen.

11Wie inzicht heeft, moet dit doorgronden,

wie naar de HEER geluisterd heeft, moet het verkondigen.’

‘Waarom wordt dit land te gronde gericht, verschroeit het als een woestijn, waar niemand nog doorheen trekt?’ 12De HEER zei: ‘Omdat ze de wet die ik hun voorgehouden heb niet in acht hebben genomen. Ze hebben niet naar mij geluisterd en niet volgens mijn wet gehandeld, 13
9:13
Jer. 7:24
maar hebben zich laten leiden door hun koppige hart. Ze zijn achter de Baäls aan gelopen, zoals ze van hun voorouders hebben geleerd. 14
9:14
Jer. 8:14
23:15
Op. 8:11
Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik geef dit volk alsem te eten en giftig water te drinken, 15
9:15
Deut. 4:27
28:36,64
en ik zal hen verstrooien onder volken die zij en hun voorouders nooit hebben gekend. Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, totdat ik hen vernietigd heb.

Oproep om een klaaglied te zingen

16Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Kijk rond, roep de klaagvrouwen,

vraag of ze komen,

roep de wijze vrouwen bijeen.

17Zeg: Laten ze zich haasten

om voor ons een klaaglied te zingen.

Dan vloeien onze tranen,

dan baden onze ogen in water.

18Hoor, er klinkt een klaaglied uit Sion:

“Ach, wij zijn te gronde gericht,

hoe groot is onze schande.

Wij moeten ons land verlaten,

ze hebben onze huizen verwoest.”

19Vrouwen, luister naar de woorden van de HEER,

open je oren, hoor wat hij zegt.

Leer jullie dochters weeklagen,

leer elkaar dit klaaglied:

20“De dood is door onze vensters binnengeklommen,

hij is onze paleizen binnengedrongen.

Hij maait de kinderen neer in de straten,

roeit de jeugd uit op de pleinen.”

21

9:21
Jer. 8:2
Dit zegt de HEER:

De lijken liggen als mest op het land,

als halmen achter de maaiers,

door niemand opgeraapt.

22Dit zegt de HEER:

De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid,

de sterke niet op zijn kracht,

de rijke niet op zijn rijkdom.

23

9:23
1 Kor. 1:31
2 Kor. 10:17
Wil iemand zich op iets beroemen,

laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent,

inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk,

rechtvaardigheid en recht,

want daar schep ik behagen in

– spreekt de HEER.

24De tijd zal komen – spreekt de HEER – dat ik de besnedenen straf: 25Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en al die woestijnbewoners met hun kaalgeschoren slapen. Want al die volken zijn net als Israël onbesneden van hart.
10

Volg andere volken niet na

101Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, volk van Israël.

2

10:2-6
Jes. 40:18-20
10:2-5
Ps. 115:4-8
Dit zegt de HEER:

Volg andere volken niet na,

raak niet van slag door tekenen aan de hemel,

ook al jagen die de hele wereld schrik aan.

3De gebruiken van die volken zijn niets waard.

Ze hakken een stuk hout in het bos,

een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel,

4verfraait het met zilver en goud.

Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om.

5Het is net een vogelverschrikker,

neergezet in een komkommerveld.

Het kan niet spreken

en moet worden gedragen,

want zelf kan het geen stap verzetten.

Heb voor beelden geen ontzag,

kwaad doen ze niet,

en goed nog minder.’

6‘Niemand is als u, o HEER, u bent groot,

groot is uw naam door uw kracht.

7

10:7
Op. 15:4
Wie zou geen ontzag voor u hebben?

Koning van de volken, dat komt u immers toe.

Onder alle wijzen van de volken,

onder al hun koningen is niemand als u.

8Allen zijn ze dom en dwaas,

wat ze moeten leren is dit:

die nietige beelden zijn maar hout.

9Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis ingevoerd,

met goud afkomstig uit Ufaz,

door een ambachtsman,

door de handen van een goudsmid.

Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed,

ze zijn vakkundig gemaakt.

10Maar alleen de HEER is werkelijk God,

hij is de levende God, de eeuwige koning.

Door zijn woede beeft de aarde,

tegen zijn toorn houden volken geen stand.’

11‘Zeg tegen hen:

Goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt,

zullen van de aarde verdwijnen,

worden onder de hemel weggevaagd.’

12

10:12-16
Jer. 51:15-19
10:12
Job 38:2-6
Ps. 104:1-2
Spr. 8:27-31
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht,

de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid,

de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –

13

10:13
Ps. 135:7
als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer.

Wolken wekt hij aan de einder,

bliksems smeedt hij, de regen valt,

hij laat de wind los uit zijn schatkamers.

14Daar staat het menselijk verstand bij stil.

De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden.

Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet,

15lege, bespottelijke maaksels zijn het.

Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.

16Hoe anders is de God van Jakob,

hij die alles vorm gegeven heeft

en aan wie het volk van Israël behoort.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

Oproep om Jeruzalem te verlaten

17‘Jeruzalem, belegerde stad,

laat je inwoners hun boedel pakken

en het land verlaten.

18Want dit zegt de HEER:

Ditmaal slinger ik ze weg,

de bevolking drijf ik in het nauw,

men zal ze weten te vinden.’

19

10:19
Jer. 4:19
‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden,

niet te helen is mijn letsel.

Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen.

20

10:20
Jes. 54:1-2
Jer. 4:20
Maar mijn tent is vernield,

alle touwen zijn doorgesneden.

Mijn kinderen zijn mij ontvallen,

ze zijn er niet meer.

Niemand zet ooit nog mijn tent op,

niemand spant mijn tentdoeken meer.’

21‘De herders zijn een kudde dwazen,

ze gaan niet te rade bij de HEER.

Daarom lukt hun niets,

en is hun eigen kudde verstrooid.

22Luister! Een geluid komt naderbij,

een machtig gedreun uit het noorden,

om Juda’s steden tot een woestenij te maken,

tot een oord voor jakhalzen.’

23

10:23
Spr. 20:24
‘Ik erken, o HEER,

dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen,

zijn pad uit te zetten,

te kiezen waarheen hij zal gaan.

24

10:24
Ps. 6:2
38:2
Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig,

niet uit woede, vaag mij niet weg.

25

10:25
Ps. 79:6-7
Jes. 9:11
Jer. 30:16
Stort uw woede uit over volken die u niet kennen,

over naties die uw naam niet aanroepen,

want zij verslinden Jakobs volk,

laten er niets van over,

en zijn weidegrond verwoesten zij.’

11

Het verbond verbroken

111De HEER richtte zich tot Jeremia: 2‘Laat allen luisteren naar de bepalingen van dit verbond, zeg tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem: 3

11:3
Deut. 27:26
Dit zegt de HEER, de God van Israël: Vervloekt is eenieder die zich niet houdt aan de bepalingen van het verbond 4
11:4
Ex. 6:7
Lev. 26:12
Deut. 4:20
26:17
2 Sam. 7:24
Jer. 24:7
30:22
31:33
32:38
Ezech. 11:20
die ik jullie voorouders heb opgelegd toen ik hen uit de smeltoven van Egypte haalde. Ik heb gezegd: “Luister naar mij en doe alles wat ik jullie gebied. Dan zullen jullie mijn volk zijn en zal ik jullie God zijn. 5
11:5
Gen. 15:18
17:8
Deut. 6:3
7:12-13
11:9
Dan houd ik me aan de belofte die ik jullie voorouders onder ede heb gedaan: ik beloofde hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing. En dat land bezitten jullie tot op de dag van vandaag.”’ Ik antwoordde: ‘Het is zoals u zegt, HEER.’ 6De HEER vervolgde: ‘Roep in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem: Luister naar de bepalingen van dit verbond en leef ze na. 7Vanaf het moment dat ik jullie voorouders uit Egypte bevrijdde tot op de dag van vandaag heb ik hun steeds bezworen naar mij te luisteren. 8Maar zij luisterden niet en waren ongehoorzaam, ze lieten zich leiden door hun koppig en boosaardig hart. Toen heb ik mijn bedreigingen waargemaakt. Ik had hun geboden dit verbond na te leven, maar dat hebben ze niet gedaan.’

9De HEER zei tegen mij: ‘Ik heb ontdekt dat de bevolking van Juda en Jeruzalem tegen mij samenzweert. 10Ze zijn tot dezelfde wandaden vervallen als hun voorouders, die al weigerden mijn geboden na te leven; ze zijn achter andere goden aan gelopen en hebben die vereerd. Zowel Israël als Juda heeft het verbond verbroken dat ik met hun voorouders gesloten had. 11

11:11
Spr. 1:28
Jes. 59:2
Ezech. 8:18
Micha 3:4
Daarom – dit zegt de HEER: Ik tref hen met onheil waaraan ze niet kunnen ontkomen. Ze zullen mij om hulp roepen, maar ik zal niet naar hen luisteren. 12
11:12
Recht. 10:14
De steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem zullen de goden om hulp roepen voor wie zij nu wierook branden. Maar die komen hen in hun nood niet helpen, 13
11:13
Jer. 2:28
ook al telt Juda evenveel goden als steden en heeft Jeruzalem in elke straat een wierookaltaar voor Baäl, de god van de schande.

14

11:14
Jer. 7:16
Jeremia, bid niet voor dit volk, kom niet langer met smeekbeden, want ik luister niet als zij me in hun nood om hulp roepen.

15

11:15
Jer. 2:2
Wat doet mijn geliefde in mijn huis,

voert zij kwade plannen uit?

Je geloften en offervlees zullen snel verdwijnen,11:15 Je geloften en offervlees zullen snel verdwijnen – Voorgestelde lezing. MT: ‘De velen en het offervlees nemen je kwaad niet weg’.

jubel maar als het kwaad je treft.

16Een zilvergroene olijfboom vol prachtige vruchten

noemde de HEER jou.

Hij steekt je in brand, donderslagen klinken.

Je bladeren zullen verteren.

17De HEER van de hemelse machten, die jou geplant heeft, heeft aangekondigd dat je ten onder gaat. Want Israël en Juda hebben mij getergd en hebben kwaad gedaan door wierook te branden voor Baäl.’

Plan om Jeremia te doden

18De HEER onthulde mij een plan waar ik geen weet van had; hij liet mij zien wat de mannen uit Anatot in de zin hadden. 19

11:19
Ps. 83:5
Jes. 53:7
Daarvóór was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze tegen mij dit plan hadden gesmeed:

‘Laten wij die boom met al zijn vruchten vellen,

hem uit het land der levenden wegkappen,

dan wordt zijn naam nooit meer genoemd.’

20

11:20
1 Kon. 8:39
Ps. 7:10
44:22
Spr. 15:11
Jer. 17:10
20:12
‘Maar, HEER van de hemelse machten, rechtvaardige rechter,

u die hart en nieren doorgrondt,

laat mij zien dat u zich op hen wreekt.

U leg ik mijn zaak voor.’

21
11:21
Jes. 30:10
Amos 2:12
‘Daarom – dit zegt de HEER over de mannen uit Anatot die je naar het leven staan en tegen je zeggen: “Profeteer niet in de naam van de HEER, anders brengen we je eigenhandig om.” 22Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ga hen straffen, hun jonge mannen zullen sterven door het zwaard en hun zonen en dochters door de honger. 23Niemand zal het overleven, want ik tref die mannen uit Anatot met onheil zodra de tijd ervoor gekomen is.’