Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

121Daarna gaf hij bevel haar naar het vertrek te brengen waar zijn tafelzilver lag, en haar te vergasten op de uitgelezen gerechten en de wijn die voor hem bestemd waren. 2

12:2
Dan. 1:8
Maar Judit zei: ‘Nee, ik eet daar niet van, want dat brengt ongeluk. Alleen wat we zelf hebben meegenomen mag mij worden voorgezet.’ 3Holofernes antwoordde: ‘Maar als dat op is, waar moeten wij dan zulk voedsel voor u vandaan halen? Want we hebben hier niemand van uw volk.’ 4Toen zei Judit tegen hem: ‘Zo waar mijn heer leeft, ik zal niet opmaken wat ik bij me heb voordat de Heer door mijn toedoen ten uitvoer brengt wat hij heeft besloten.’

5Nadat Holofernes’ gevolg haar naar haar tent had gebracht, sliep ze tot middernacht. Tegen de morgenwake stond ze op 6en liet Holofernes vragen haar toestemming te verlenen om buiten het kamp te gaan bidden. 7Holofernes gaf zijn lijfwachten bevel haar niets in de weg te leggen. Zo verbleef ze drie dagen in de legerplaats. ’s Nachts ging ze naar het ravijn van Betulia en baadde zich bij de waterbron in het kamp daar. 8Daarna smeekte ze dan de Heer, de God van Israël, om haar te leiden, zodat haar volk in ere hersteld zou worden. 9En nadat ze gereinigd was teruggekeerd, bleef ze in haar tent totdat tegen de avond haar eten werd gebracht.

Afrekening met Holofernes

10Op de vierde dag gaf Holofernes een feestmaal, waarvoor hij alleen zijn dienaren uitnodigde en geen enkele bevelhebber. 11Tegen Bagoas, de eunuch die de zorg had voor zijn persoonlijke bezittingen, zei hij: ‘Probeer jij eens die Hebreeuwse vrouw die bij jou is zover te krijgen dat ze hierheen komt en samen met ons eet en drinkt. 12Want het zou toch een schande zijn als we zo’n vrouw laten schieten zonder van haar gezelschap te hebben genoten. Als we haar niet aan onze tafel kunnen begroeten, zal ze ons gewoonweg uitlachen.’ 13Bagoas ging van Holofernes naar Judit en zei tegen haar: ‘Aarzel toch niet naar mijn heer te gaan, schoonheid, en wees zijn eregast. Kom vrolijk wijn met ons drinken en wees vandaag net als zo’n Assyrische vrouw die Nebukadnessar in zijn paleis ter beschikking staat.’ 14Judit antwoordde: ‘Wie ben ik dat ik tegen de wil van mijn heer in zou gaan? Zou ik mij niet haasten om alles te doen wat hem behaagt? Dat zal mij een vreugde zijn tot de dag dat ik sterf.’ 15En dadelijk begon ze zich om te kleden en mooi te maken met allerlei vrouwelijke opschik.

Haar slavin ging Holofernes’ tent binnen en legde tegenover Holofernes de vachten op de grond die Judit van Bagoas had gekregen om erop aan te liggen bij haar dagelijkse maaltijd. 16Daarna kwam Judit zelf binnen en ging aanliggen. Holofernes’ hart sloeg over toen hij haar zag en hij raakte buiten zinnen van verlangen naar haar. (Sinds de dag dat hij haar voor het eerst zag had hij al naar een goede gelegenheid gezocht om haar te verleiden.) 17Hij zei tegen haar: ‘Kom, drink met ons en wees vrolijk.’ 18Judit antwoordde: ‘Dat zal ik zeker doen, heer, want voor mij is dit de heerlijkste dag van mijn leven.’ 19En voor zijn ogen at en dronk ze wat haar slavin voor haar had klaargemaakt. 20Holofernes was verrukt van haar en dronk heel veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven op één dag gedronken had.