Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

111‘Wees maar gerust,’ zei Holofernes tegen haar, ‘wees niet bang. Ik heb nog nooit een mens kwaad gedaan die zich vrijwillig heeft onderworpen aan Nebukadnessar, koning van de hele aarde. 2En als uw volk, dat in de bergen woont, mij niet zo had geminacht, zou ik de wapens niet tegen hen hebben opgenomen. Maar ze hebben het zichzelf aangedaan. 3Vertel me eens waarom u van hen bent weggevlucht en naar ons toe bent gekomen. Het is u zeker om redding te doen? Vertrouw me maar, u blijft in leven, vannacht en ook daarna, 4want niemand zal u iets doen. Integendeel, u zult goed behandeld worden, zoals ieder die mijn heer, koning Nebukadnessar, dient.’

5

11:5
Judit 10:13
Judit antwoordde hem: ‘Wees zo goed naar de woorden van uw dienares te luisteren. Sta mij toe tot u te spreken, dan zal ik mijn heer deze nacht inlichten zonder te liegen. 6Als u de raad van uw dienares opvolgt, zal wat God met u onderneemt volledig slagen en zal mijn heer niet in zijn opzet falen. 7
11:7
Jer. 27:6
Dan. 2:38
Bar. 3:16-17
Zo waar Nebukadnessar, koning van de hele aarde, leeft en bij de macht van hem, die u heeft gezonden om orde te scheppen onder al wat leeft: niet alleen mensen zijn door u aan hem onderworpen, ook de wilde en tamme dieren en de vogels zullen door uw kracht leven voor Nebukadnessar en heel zijn huis. 8Want wij hebben van uw wijsheid gehoord en u hebt naam gemaakt met uw daden. Overal op aarde wordt verkondigd dat er niemand in het hele koninkrijk zo bekwaam is als u, zo geniaal en zo indrukwekkend als strateeg.

9

11:9
Judit 5:5-22
Wij zijn op de hoogte van de dingen die Achior in uw vergadering heeft gezegd, want de mannen van Betulia hebben hem gespaard en hij heeft hun precies verteld wat hij toen gezegd heeft. 10Sla zijn raad niet in de wind, machtige heer, neem zijn woorden ter harte, want het is waar: ons volk is onkwetsbaar en het zwaard kan niets tegen hen uitrichten, tenzij ze zondigen tegen hun God.

11Welnu, mijn heer hoeft niet te vrezen voor een teleurstelling of mislukking, want ze zijn ten dode opgeschreven: de zonde heeft vat op hen gekregen en ze zullen de woede van hun God opwekken zodra ze doen wat verkeerd is. 12

11:12
Judit 7:14,17
Omdat hun voedsel op is en het water schaars is geworden, zijn ze van plan zich aan hun vee te vergrijpen en willen ze alles gaan eten waarvan God hun in zijn wetten geboden heeft zich te onthouden. 13
11:13
Deut. 14:22
De eerste opbrengst van de graanoogst en de tienden van de wijn en de olijfolie, die ze apart gehouden hebben en die bestemd zijn voor de priesters die in Jeruzalem dienstdoen voor onze God, willen ze gebruiken, hoewel het niemand van het volk geoorloofd is die offergaven zelfs maar aan te raken. 14Ze hebben mensen naar Jeruzalem gestuurd – want ook daar deed men zulke dingen – om van de raad van oudsten ontheffing te verkrijgen. 15Wanneer ze die hebben en ernaar handelen, zullen ze u diezelfde dag nog in handen vallen.

16Daarom ben ik, uw dienares, toen ik dit allemaal te weten kwam, van hen weggevlucht. God heeft mij gezonden om dingen met u te doen waarvan de hele wereld versteld zal staan. 17Want uw dienares is een vrome vrouw, die dag en nacht de God van de hemel is toegewijd. Laat mij bij u blijven, heer, dan zal ik ’s nachts naar het ravijn gaan om daar tot God te bidden. Hij zal mij zeggen wanneer zij gezondigd hebben 18en dan zal ik u verslag komen doen. Als u dan uitrukt met heel uw leger zult u geen enkele tegenstand ontmoeten. 19Ik voer u dwars door Judea naar Jeruzalem; midden in de stad zal ik uw troon plaatsen. Dan jaagt u hen op als schapen zonder herder, en geen hond zal zijn tanden tegen u ontbloten. Dat het zo zal gaan is mij tevoren onthuld, en ik ben gezonden om u te vertellen wat mij is verteld.’

20Deze woorden bevielen Holofernes en zijn gevolg, en ze waren onder de indruk van haar wijsheid. Ze zeiden: 21‘Er is op de hele wereld geen vrouw te vinden die zo mooi is en zo verstandig spreekt.’ 22Holofernes zei tegen haar: ‘Uw God heeft goed gehandeld door u uit uw volk naar ons toe te sturen om ons de macht in handen te geven, terwijl zij die mijn heer minachten ten val komen. 23U bent een bekoorlijke vrouw en u spreekt wijze woorden. Als u doet wat u gezegd hebt, zal uw God mijn God zijn. Dan zult u in het paleis van koning Nebukadnessar wonen en beroemd zijn over de hele wereld.’

12

121Daarna gaf hij bevel haar naar het vertrek te brengen waar zijn tafelzilver lag, en haar te vergasten op de uitgelezen gerechten en de wijn die voor hem bestemd waren. 2

12:2
Dan. 1:8
Maar Judit zei: ‘Nee, ik eet daar niet van, want dat brengt ongeluk. Alleen wat we zelf hebben meegenomen mag mij worden voorgezet.’ 3Holofernes antwoordde: ‘Maar als dat op is, waar moeten wij dan zulk voedsel voor u vandaan halen? Want we hebben hier niemand van uw volk.’ 4Toen zei Judit tegen hem: ‘Zo waar mijn heer leeft, ik zal niet opmaken wat ik bij me heb voordat de Heer door mijn toedoen ten uitvoer brengt wat hij heeft besloten.’

5Nadat Holofernes’ gevolg haar naar haar tent had gebracht, sliep ze tot middernacht. Tegen de morgenwake stond ze op 6en liet Holofernes vragen haar toestemming te verlenen om buiten het kamp te gaan bidden. 7Holofernes gaf zijn lijfwachten bevel haar niets in de weg te leggen. Zo verbleef ze drie dagen in de legerplaats. ’s Nachts ging ze naar het ravijn van Betulia en baadde zich bij de waterbron in het kamp daar. 8Daarna smeekte ze dan de Heer, de God van Israël, om haar te leiden, zodat haar volk in ere hersteld zou worden. 9En nadat ze gereinigd was teruggekeerd, bleef ze in haar tent totdat tegen de avond haar eten werd gebracht.

Afrekening met Holofernes

10Op de vierde dag gaf Holofernes een feestmaal, waarvoor hij alleen zijn dienaren uitnodigde en geen enkele bevelhebber. 11Tegen Bagoas, de eunuch die de zorg had voor zijn persoonlijke bezittingen, zei hij: ‘Probeer jij eens die Hebreeuwse vrouw die bij jou is zover te krijgen dat ze hierheen komt en samen met ons eet en drinkt. 12Want het zou toch een schande zijn als we zo’n vrouw laten schieten zonder van haar gezelschap te hebben genoten. Als we haar niet aan onze tafel kunnen begroeten, zal ze ons gewoonweg uitlachen.’ 13Bagoas ging van Holofernes naar Judit en zei tegen haar: ‘Aarzel toch niet naar mijn heer te gaan, schoonheid, en wees zijn eregast. Kom vrolijk wijn met ons drinken en wees vandaag net als zo’n Assyrische vrouw die Nebukadnessar in zijn paleis ter beschikking staat.’ 14Judit antwoordde: ‘Wie ben ik dat ik tegen de wil van mijn heer in zou gaan? Zou ik mij niet haasten om alles te doen wat hem behaagt? Dat zal mij een vreugde zijn tot de dag dat ik sterf.’ 15En dadelijk begon ze zich om te kleden en mooi te maken met allerlei vrouwelijke opschik.

Haar slavin ging Holofernes’ tent binnen en legde tegenover Holofernes de vachten op de grond die Judit van Bagoas had gekregen om erop aan te liggen bij haar dagelijkse maaltijd. 16Daarna kwam Judit zelf binnen en ging aanliggen. Holofernes’ hart sloeg over toen hij haar zag en hij raakte buiten zinnen van verlangen naar haar. (Sinds de dag dat hij haar voor het eerst zag had hij al naar een goede gelegenheid gezocht om haar te verleiden.) 17Hij zei tegen haar: ‘Kom, drink met ons en wees vrolijk.’ 18Judit antwoordde: ‘Dat zal ik zeker doen, heer, want voor mij is dit de heerlijkste dag van mijn leven.’ 19En voor zijn ogen at en dronk ze wat haar slavin voor haar had klaargemaakt. 20Holofernes was verrukt van haar en dronk heel veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven op één dag gedronken had.

13

131Toen het avond was geworden haastten Holofernes’ dienaren zich te vertrekken. Bagoas sloot de tent van buiten af en stuurde ook de bedienden weg. Ieder zocht zijn slaapplaats op, uitgeput door het overmatig drinken. 2Alleen Judit bleef achter in de tent, met Holofernes, die voorover op zijn bed lag, stomdronken. 3Haar slavin had ze opgedragen buiten het slaapvertrek te wachten totdat zij zoals elke dag naar buiten zou komen om, naar ze zei, eropuit te gaan voor haar gebed. Ook tegen Bagoas had ze iets dergelijks gezegd.

4Iedereen was nu weg. Er was helemaal niemand meer achtergebleven in het slaapvertrek. Judit stond naast het bed van Holofernes en bad in stilte: Heer, God van alle kracht, sla in dit uur acht op wat mijn hand zal verrichten opdat de eer van Jeruzalem wordt hersteld. 5Nu is het moment aangebroken om het volk dat u toebehoort te hulp te komen door mij mijn plannen te laten uitvoeren, om zo de vijand te breken die zich tegen ons heeft gekeerd. 6Toen liep ze naar de bedstijl vlak bij Holofernes’ hoofd, nam daar zijn zwaard weg, 7ging naar het bed toe en pakte hem bij zijn haren beet. Ze zei: ‘Geef me nu kracht, Heer, God van Israël!’ 8

13:8
Recht. 4:21
en hakte met al haar kracht Holofernes met twee slagen het hoofd af. 9Ze rolde zijn lichaam van het bed en haalde de draperie van de stijlen. Even later kwam ze naar buiten en overhandigde Holofernes’ hoofd aan haar slavin, 10die het in de reiszak deed waar haar voedsel in had gezeten. Daarna vertrokken ze samen, zoals gebruikelijk, naar de plek waar ze steeds gingen bidden. Ze gingen door het kamp, liepen om het ravijn heen en begonnen de klim naar Betulia, in de richting van de stadspoorten.

11

13:11
Ps. 98:1-3
Al van verre riep Judit de wachters bij de poorten toe: ‘Doe open! Open de poort! God staat ons bij, onze God! Nog steeds toont hij zijn grote macht ten gunste van Israël en tegen onze vijanden, zoals hij ook vandaag heeft laten blijken!’ 12Toen de mannen in de stad haar stem hoorden, haastten ze zich naar beneden, naar de poort, en riepen de stadsoudsten. 13Alle inwoners, jong en oud, stroomden samen, want ze konden nauwelijks geloven dat zij terug was. Ze openden de poort en verwelkomden hen. Met vuur maakten ze licht, waarna ze in een kring om hen heen gingen staan. 14Met luide stem riep Judit hun toe: ‘Juich voor God! Juich hem toe! Juich voor God, die zijn ontfermende blik niet van het volk van Israël heeft afgewend, maar onze vijand vannacht door mijn toedoen heeft vernietigd.’ 15Toen haalde ze uit de reiszak het hoofd tevoorschijn, liet het hun zien en zei: ‘Kijk, het hoofd van Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger! En hier, de draperie van het bed waarop hij zijn roes uitsliep! Door toedoen van een vrouw heeft de Heer hem verslagen. 16Zo waar de Heer leeft, die over mij heeft gewaakt op de weg die ik ben gegaan: mijn uiterlijk heeft hem verleid en ten val gebracht, zonder dat hij zich aan mij heeft bezondigd, waardoor ik zou zijn bezoedeld en onteerd.’ 17Het hele volk was buiten zichzelf van vreugde. Ze bogen zich neer om God eer te bewijzen en riepen eenstemmig: ‘Gezegend zij onze God, die op deze dag de vijanden van zijn volk heeft vernederd.’ 18
13:18
Recht. 5:24
Ozias zei tegen Judit: ‘Gezegend bent u door de allerhoogste God, gezegend boven alle vrouwen op aarde. En gezegend zij God, de Heer, die de hemel en de aarde heeft geschapen en die u zo leidde dat u de aanvoerder van onze vijanden het hoofd kon afslaan. 19Uw vertrouwen op God zal voor altijd in de herinnering voortleven, zolang er mensen zijn die zijn machtige daden gedenken. 20Moge God in goedheid op u neerzien, opdat u voor eeuwig met de hoogste eer wordt bekleed. Want om de vernedering die ons volk werd aangedaan, hebt u zichzelf niet ontzien: u hebt onze ellende gewroken en daarbij in Gods ogen de juiste weg bewandeld.’ En heel het volk riep: ‘Amen! Amen!’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]