Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Nebukadnessars gezag uitgedaagd en bevestigd

11

1:1
Gen. 10:22
Deze geschiedenis begint in het twaalfde jaar van het koningschap van Nebukadnessar, die in de grote stad Nineve regeerde over de Assyriërs, in dezelfde tijd dat Arpachsad in Ekbatana regeerde over de Meden. 2Deze Arpachsad had rond Ekbatana een muur opgetrokken van gehouwen stenen, die drie el breed en zes el lang waren. Zeventig el hoog had hij hem laten maken en vijftig el breed, 3en naast de poorten had hij torens van honderd el laten zetten, op fundamenten van zestig el breed. 4De poorten zelf waren maar liefst zeventig el hoog en veertig el breed, met het oog op het uitrukken van het keurkorps van helden en het opstellen van zijn voetvolk.

5In dat jaar bond koning Nebukadnessar de strijd aan met koning Arpachsad in de grote vlakte die in het gebied van Ragau ligt. 6Alle bewoners van het bergland sloten zich bij hem aan, evenals degenen die aan de Eufraat, de Tigris en de Hydaspes woonden, en de bewoners van de vlakte waarover Arjoch, de koning van de Elymeeërs, heerste. Zo stelden vele volken zich met de Cheleüdieten op voor de strijd.

7Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, stuurde gezanten naar de inwoners van Perzië en naar iedereen die in het westen woonde: de bevolking van Cilicië, Damascus, de Libanon en de Anti-Libanon en alle bewoners van de kuststreek, 8de bevolking van de Karmel, van Gilead, Boven-Galilea en de grote vlakte van Esdrelon, 9de mensen in Samaria en de steden daar, de bewoners van het gebied aan de overkant van de Jordaan tot aan Jeruzalem, Batane, Chelus, Kades en de rivier van Egypte, de bevolking van Dafne, Rameses en het hele land Gosen 10tot voorbij Tanis en Memfis, en alle inwoners van Egypte tot aan de grens met Ethiopië. 11Maar de bevolking van dat hele gebied lachte om de oproep van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, om met hem ten strijde te trekken, want ze hadden geen ontzag voor hem: ze beschouwden hem als een gewoon mens. Ze stuurden zijn gezanten met lege handen terug, overladen met schande. 12Toen ontstak Nebukadnessar in hevige woede tegen die volken. Hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk zich op het hele gebied van Cilicië, Damascus en Syrië te zullen wreken, en alle inwoners van Moab en Ammon en van heel Judea en Egypte tot aan het gebied van de twee zeeën uit te roeien.

13In het zeventiende jaar van zijn regering trok hij met zijn leger ten strijde tegen koning Arpachsad en behaalde de overwinning. Hij sloeg het hele leger van Arpachsad en al zijn ruiters en zijn strijdwagens uiteen. 14Hij nam zijn steden in bezit en stootte door tot Ekbatana, waar hij de torens veroverde en de straten plunderde; zo maakte hij dit sieraad tot een voorwerp van spot. 15Arpachsad zelf nam hij gevangen in de bergen van Ragau; hij doodde hem met zijn speer en maakte zo voorgoed een einde aan zijn heerschappij. 16

1:16
Est. 1:2-4
Daarna keerde hij met al zijn troepen, een onafzienbare legermacht, terug naar Nineve, waar hij zich met zijn leger overgaf aan uitbundige feesten, honderdtwintig dagen lang.

2

Nebukadnessars wraak

21In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, het bevel uitgevaardigd dat er wraak genomen moest worden op de hele wereld, zoals hij aangekondigd had. 2Hij riep al zijn dienaren en zijn edelen bijeen en bracht hen van zijn geheime besluit op de hoogte: hij sprak het vonnis uit dat hij over de hele wereld had geveld. 3Zij deelden zijn opvatting dat iedereen die geen gevolg had gegeven aan zijn oproep, uitgeroeid moest worden.

4Nadat Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, zijn besluit bekrachtigd had, ontbood hij Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger en tweede man in zijn rijk. Hij zei tegen hem: 5‘Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: Trek weg van hier, en neem ervaren soldaten met u mee, honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters met hun paarden. 6Trek op tegen de volken in het westen, want ze hebben aan mijn oproep geen gehoor gegeven. 7Zeg hun uit mijn naam dat ze ten teken van overgave aarde en water gereedmaken, want in mijn woede zal ik tegen hen optrekken en met mijn legermacht heel hun gebied onder de voet lopen en plunderen. 8Ravijnen en bergstromen zullen zich met hun gewonden vullen, rivieren boordevol doden buiten hun oevers treden, 9en de gevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. 10Trek eropuit en bezet hun hele gebied voor mij. Degenen die zich aan u overgeven, moet u sparen tot de dag komt dat ik hen zal straffen. 11Maar degenen die zich blijven verzetten, mag u niet ontzien: u moet hen in het hele gebied prijsgeven aan dood en plundering. 12Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap: ik heb gesproken en ik zal het ten uitvoer brengen. 13Wat u aangaat: laat niets na van hetgeen uw heer u geboden heeft, maar voer alles volledig en zonder aarzelen uit zoals ik heb bevolen.’

14Holofernes verliet het hof van zijn heer. Hij riep alle vorsten, veldheren en oversten van het Assyrische leger bijeen, 15rekruteerde overeenkomstig het bevel van zijn heer honderdtwintigduizend man voor zijn keurtroepen en twaalfduizend boogschutters te paard, 16en stelde hen op zoals dat bij een grote strijdmacht gebruikelijk is. 17Voor het vervoer van hun uitrusting zette hij een zeer groot aantal kamelen, ezels en muilezels in. Verder nam hij ontelbare schapen, runderen en geiten mee om alle soldaten te voeden, 18naast een grote hoeveelheid andere proviand en zeer veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. 19Toen trok Holofernes aan het hoofd van zijn legermacht op om, voor koning Nebukadnessar uit, het hele westelijke gebied te bedelven onder zijn strijdwagens, zijn ruiters en zijn beste voetvolk. 20

2:20
Recht. 7:12
Joël 2:2-7
Er trok een ongeregelde menigte met hen mee, zo talrijk als een zwerm sprinkhanen en als zandkorrels op de aarde, een menigte die niet te tellen was.

21Vanuit Nineve trokken ze drie dagmarsen in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet legerden ze zich bij het gebergte ten noorden van Boven-Cilicië. 22Van daar trok hij met zijn hele legermacht – voetvolk, ruiters en strijdwagens – het gebergte in. 23

2:23
Gen. 10:6,13,22
Hij brak door de gelederen van Libië en Lydië en plunderde alle Rassieten en Ismaëlieten die aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. 24Daarna stak hij de Eufraat over, trok door Mesopotamië en maakte alle versterkte steden aan de rivier de Abrona tot aan zee met de grond gelijk. 25Hij bezette het gebied van Cilicië, slachtte iedereen die verzet bood af en trok verder tot aan het gebied van Jafet in het zuiden, aan de grens met Arabië. 26Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun tenten in brand en plunderde hun schaapskooien. 27Daarna daalde hij af naar de vlakte van Damascus, ten tijde van de tarweoogst. Hij liet daar alle akkers platbranden en de veestapel vernietigen. Hij plunderde de steden, verwoestte de velden en bracht alle jongemannen om.

28

2:28
Ex. 15:15-16
Angst en ontzetting maakten zich meester van de bewoners van de kuststreek: de hele bevolking van Sidon en Tyrus, van Sur, Okina en Jemnaä, van Azotus en Askelon verkeerde in doodsangst voor Holofernes.