Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31-2Om de Israƫlieten die de strijd tegen de KanaƤnieten niet hadden meegemaakt te leren hoe het er in de oorlog aan toe gaat (dus alleen om de nieuwe generaties die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken), had de HEER de volgende volken in het land laten blijven: 3

3:3
Joz. 13:3
de Filistijnen in hun vijf vorstendommen en verder de KanaƤnieten, de Sidoniƫrs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte leefden, vanaf de BaƤl-Hermon tot aan Lebo-Hamat. 4Deze volken waren overgebleven om de Israƫlieten op de proef te stellen, opdat de HEER te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd. 5Maar toen de Israƫlieten eenmaal tussen de volken van KanaƤn woonden, te weten de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, 6namen ze hun dochters tot vrouw en gaven ze hun eigen dochters aan de zonen van die volken, en dienden hun goden.

De eerste rechters: Otniƫl, Ehud, Samgar

7De IsraĆ«lieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER: ze vergaten de HEER, hun God, en dienden de BaƤls en de Asjeraā€™s. 8De HEER werd woedend op de IsraĆ«lieten en leverde ze uit aan Kusan-RisataĆÆm, de koning van Aram-NaharaĆÆm; acht jaar moesten ze hem dienen. 9

3:9
Joz. 15:17
Recht. 1:13
De IsraĆ«lieten riepen de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: OtniĆ«l, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. 10Gedreven door de geest van de HEER trad hij op als rechter over IsraĆ«l. Hij trok ten strijde, en de HEER leverde koning Kusan-RisataĆÆm van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. 11
3:11
Recht. 3:30
5:31
8:28
Veertig jaar had het land rust. Toen stierf Otniƫl.

12Weer deden de IsraĆ«lieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom zette de HEER koning Eglon van Moab aan om de wapens tegen IsraĆ«l op te nemen. 13Eglon wist ook de Ammonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen. In een gezamenlijke aanval versloegen ze IsraĆ«l en maakten zich meester van de Palmstad. 14Achttien jaar moesten de IsraĆ«lieten koning Eglon van Moab dienen. 15Toen riepen ze de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze Ehud ging namens de IsraĆ«lieten schatting afdragen aan koning Eglon. 16Maar eerst liet hij zich een kort tweesnijdend zwaard maken dat hij onder zijn kleding verborg, op zijn rechterheup. 17Nadat hij de schatting aan de vadsig dikke koning Eglon had aangeboden, 18deed hij zijn dragers uitgeleide, 19maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeert. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning verlieten alle aanwezigen de zaal. 20Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn bovenvertrek, en zei: ā€˜Ik heb voor u een boodschap van God.ā€™ Toen de koning opstond van zijn troon, 21trok Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Eglons buik. 22De kling verdween tussen de vetkwabben, die zich daarna ook om het gevest sloten, want Ehud trok het zwaard niet terug maar liep snel de kamer uit, 23de galerij op, nadat hij de deuren van het vertrek van binnenuit vergrendeld had. 24Hij was nog niet weg, of de dienaren van de koning kwamen de zaal weer binnen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: ā€˜Hij heeft zich zeker weer afgezonderd om zijn behoefte te doen.ā€™ 25Ze wachtten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalden ze een sleutel en openden de deur van buitenaf ā€“ en daar lag hun heer, dood op de grond.

26Ehud had van hun getalm gebruikgemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar SeĆÆra. 27Bij zijn aankomst in het bergland van EfraĆÆm blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de IsraĆ«lieten uit de bergen. 28Hij zei tegen hen: ā€˜Volg mij, want de HEER heeft uw vijanden, de Moabieten, aan u uitgeleverd.ā€™ Ze volgden hem en bezetten de oversteekplaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langs kon. 29De IsraĆ«lieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten. Hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet een. 30

3:30
Recht. 3:11
5:31
8:28
Moab moest die dag buigen voor Israƫl, en het land had tachtig jaar rust.

31

3:31
Recht. 5:6
Na Ehud kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een ossenprik. Zo bevrijdde ook hij Israƫl.