Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Onderwerp u aan God

41Waar komt al die strijd, waar komen al die conflicten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren in uw binnenste? 2U verlangt naar iets, maar krijgt het niet. U bent jaloers en moordlustig, maar bereikt uw doel niet. U bekvecht en twist met elkaar. U krijgt niets omdat u niet bidt. 3En als u bidt ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt: u wilt alleen uw eigen hartstochten bevredigen. 4

4:4
Mat. 6:24
1 Joh. 2:15-17
Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God. 5Denk toch niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: ‘Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; 6
4:6
Spr. 3:34
1 Petr. 5:5
maar de genade die hij schenkt is nog groter.’ Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt hij zijn genade.’ 7
4:7
Ef. 6:11
Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten. 8
4:8
Zach. 1:3
Mal. 3:7
Nader tot God, dan zal hij tot u naderen. Reinig uw handen, zondaars; zuiver uw hart, weifelaars. 9Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. 10Verneder u voor de Heer, dan zal hij u verheffen.

11

4:11-12
Mat. 7:1-5
4:11
Lev. 19:16
Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters. Wie kwaadspreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En als u de wet veroordeelt, handelt u niet naar de wet, maar treedt u op als rechter. 12
4:12
1 Sam. 2:6
Rom. 14:4
Er is maar één wetgever en rechter: hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u, om uw naaste te veroordelen?

13Dan iets voor u die zegt: ‘Vandaag of morgen gaan wij naar die en die stad. Daar blijven we een jaar, we zullen er handeldrijven en geld verdienen.’ 14

4:14
Ps. 39:6
Spr. 27:1
Hos. 13:3
Mat. 6:34
U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt. 15
4:15
Hand. 18:21
U zou moeten zeggen: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’ 16Maar u slaat een hoge toon aan en bent daar nog trots op ook. Dat soort trots is volkomen ongepast. 17Als iemand weet hoe het hoort maar er niet naar handelt, dan zondigt hij.

5

51En nu iets voor u, rijken! Weeklaag en jammer om de rampspoed die over u komt. 2

5:2-3
Jes. 51:8
Sir. 29:10-12
Mat. 6:19-21
Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten. 3Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt. 4
5:4
Lev. 19:13
Deut. 24:14-15
Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen. 5U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd, u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd. 6U hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord, en hij heeft zich niet tegen u verzet.

Bemoediging en raadgevingen

7

5:7
Deut. 11:14
Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen. 8Wees net zo geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen. 9Klaag niet over elkaar, broeders en zusters, want daarmee roept u het oordeel over u af. Bedenk dat de rechter voor de deur staat. 10Neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken. 11
5:11
Job 1:21-22
2:10
42:10-17
Ps. 103:8
Degenen die standhielden prijzen we gelukkig! U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig.

12

5:12
Mat. 5:34-37
Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.

13Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen. 14

5:14
Marc. 6:13
Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. 15Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden. 16
5:16
Spr. 28:13
Sir. 4:26
Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet. 17
5:17
1 Kon. 17:1
18:1
Elia was een mens als wij, en nadat hij vurig had gebeden dat het niet zou regenen, is er drie-en-een-half jaar lang geen regen gevallen op het land. 18
5:18
1 Kon. 18:41-45
Toen bad hij opnieuw, en de hemel gaf regen, en het land bracht zijn vrucht weer voort.

19Broeders en zusters, als een van u afdwaalt van de waarheid en een ander laat hem daarheen terugkeren, 20

5:20
Spr. 10:12
1 Petr. 4:8
dan mag hij weten: wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit.