Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Het lied van de wijngaard

51

5:1-7
Jer. 5:10
6:9
Ezech. 15:1-8
5:1
Mat. 21:33-41
Marc. 12:1-9
Luc. 20:9-16
Voor mijn geliefde wil ik zingen

het lied van mijn lief en zijn wijngaard.

Mijn geliefde had een wijngaard,

gelegen op vruchtbare grond.

2Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit

en plantte een edele druivensoort.

Hij bouwde er een wachttoren,

hakte ook een perskuip uit.

Hij verwachtte veel van zijn wijngaard,

maar die bracht slechts wrange druiven voort.

3Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem,

spreek recht tussen mij en mijn wijngaard.

4Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen,

wat heb ik te weinig gedaan?

Ik verwachtte zo veel van mijn wijngaard,

waarom bracht hij slechts wrange druiven voort?

5

5:5
Ps. 80:13
Luister, ik zal jullie vertellen

wat ik met mijn wijngaard ga doen:

Ik ruk de doornhaag uit en breek de muur af,

zodat hij verbrand en vertrapt kan worden.

6

5:6
Jes. 32:13
Ik zal hem laten verwilderen,

er wordt niet meer gesnoeid, niet meer gewied,

dorens en distels schieten er op.

De wolken zal ik opdragen

geen regen op hem te laten vallen.

7Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten,

de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda.

Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht,

hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.

Zesvoudig wee over de onrechtvaardigen

8

5:8
Lev. 22:8
Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen,

die akker na akker samenvoegen,

tot er voor niemand meer ruimte is

en zij alleen het land bewonen.

9Ik hoor de HEER van de hemelse machten zweren:

‘Al die huizen zullen tot puin vervallen,

zelfs de grootste en mooiste worden niet meer bewoond.

10

5:10
Jes. 7:23
Een uitgestrekte wijngaard levert amper wijn op,

een berg zaaigoed maar één zak graan.’

11

5:11
Jes. 22:13
28:7-8
56:12
Joël 1:5
Amos 4:1
Micha 2:11
Wee degenen die ’s ochtends in alle vroegte

naarstig op zoek gaan naar drank,

die zich tot diep in de nacht door wijn laten benevelen.

12

5:12
Ps. 28:5
Bij al hun drinkgelagen klinkt muziek

van lier en tamboerijn, van trommel en fluit.

Maar voor de daden van de HEER hebben zij geen oog,

wat hij tot stand brengt zien ze niet.

13Daarom gaat mijn volk in ballingschap,

zonder in te zien waarom.

Hun edelen komen om van de honger,

de massa versmacht van dorst.

14Het dodenrijk opent zijn keel,

het spert zijn muil wijd open.

Daar verdwijnt de bloem der natie, verzinkt de massa,

daar verstommen de druktemakers en feestvierders.

15

5:15
Jes. 2:11
Zij worden vernederd, ze moeten buigen,

wie trots was, zal de ogen neerslaan.

16De HEER van de hemelse machten houdt het recht hoog,

de heilige God toont zich heilig in zijn gerechtigheid.

17

5:17
Jes. 7:25
De schapen zullen grazen als op hun eigen grond,

rondzwerven tussen de puinhopen van de rijken.

18Wee degenen die de straf naar zich toe halen

met de touwen van onrecht,

en de zonde met de dissel van een wagen;

19die smalen: ‘Laat de HEER opschieten

en zijn werk afmaken. Wij willen het nu wel eens zien.

Laat de Heilige van Israël komen met zijn plan

en het uitvoeren, zodat we het eindelijk weten.’

20Wee degenen die het kwade goed noemen

en het goede kwaad,

die het licht tot duisternis maken

en het duister tot licht,

die van zoet bitter maken

en van bitter zoet.

21

5:21
Joh. 9:40-41
Rom. 1:21-22
Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen,

die naar eigen oordeel verstandig zijn.

22Wee degenen die helden zijn in het drinken,

die dapper zijn als er wijn wordt geschonken,

23

5:23
Ex. 23:8
Micha 3:11
die voor een geschenk de schuldige gelijk geven

en de rechtvaardige beroven van zijn recht.

24Daarom, zoals kaf door vuur wordt verteerd

en dor gras in vlammen opgaat,

zo zal hun wortel verrotten en hun bloesem verwaaien.

Zij verwierpen het onderricht

van de HEER van de hemelse machten,

en verachtten de woorden van de Heilige van Israël.

Juda bedreigd door de vijand

25

5:25
Jes. 9:11,16
10:4
Daarom ontsteekt de HEER in woede tegen zijn volk,

hij heft zijn hand tegen hen op en slaat hen.

De bergen beginnen te beven,

de lijken liggen als vuil op straat.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

26

5:26
Jer. 5:15-17
6:22-30
Hij steekt de strijdvaan op voor verre volken,

hij fluit ze bijeen van de uiteinden der aarde,

en daar komen ze, in allerijl.

27Niemand die moe is, niemand die struikelt,

geen man die dommelt of slaapt.

Geen gordel zakt van de heupen,

niet één sandaalriem breekt.

28De pijlen zijn gescherpt, de bogen gespannen.

De paardenhoeven vonken als vuursteen,

de wagenwielen draaien als een wervelwind.

29

5:29
Hos. 5:14
Amos 3:12
Hun krijgsgeschreeuw klinkt als het gebrul van een leeuwin,

ze grommen als een jonge leeuw die zijn prooi grijpt en meesleurt,

en niemand die redding kan bieden.

30

5:30
Jes. 8:21-22
Op die dag zal men dat grommen horen,

het zal klinken als een bulderende zee.

Waar men ook kijkt: vijandige duisternis,

de zon is door wolken in duister gehuld.

6

Jesaja geroepen

61

6:1
2 Kron. 26:22-23
Jes. 14:28
20:1
Op. 4:2
In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2
6:2
Ezech. 1:11
Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3
6:3
Num. 14:21
Op. 4:8
Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 4
6:4
1 Kon. 8:10-11
Op. 15:8
Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5
6:5
Ex. 33:20
Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ 6Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ 8Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ 9
6:9-10
Mat. 13:14-15
Hand. 28:26-27
Toen zei hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” 10
6:10
Jer. 5:21
Ezech. 12:2
Marc. 4:12
Joh. 12:40
Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ 11Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. 12Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. 13En als er nog een tiende deel achterblijft, dan gaat ook dat in vlammen op, zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur. Er blijft slechts een stronk over, en het zaad in die stronk is heilig.’

7

Het teken van Immanuel

71

7:1
2 Kon. 16:5
2 Kron. 28:5-6
In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram en Efraïm de krachten gebundeld hadden, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3Toen zei de HEER tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub7:3 Sear-Jasub – Sear-Jasub kan worden vertaald als ‘een rest zal terugkeren’. op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het verscheuren en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7maar dit zegt God, de HEER: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin. – Nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. – 9
7:9
Jes. 30:15
Het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.”’

10De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: 11‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk7:11 het dodenrijk – Volgens de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘vraag het’. hetzij uit de hoge hemel.’ 12Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ 13Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14

7:14
Jes. 9:5
Micha 5:2
Mat. 1:23
Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel7:14 Immanuel – Immanuel kan worden vertaald als ‘God met ons’. noemen. 15
7:15
Jes. 7:22
Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16
7:16
Jes. 8:4
Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zo veel angst inboezemen, ontvolkt zijn. 17En voor u, uw volk en uw koningshuis zal de HEER een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’

18Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – alle haren van hoofd en baard en zelfs het schaamhaar afscheren. 21Op die dag zal men een jonge koe houden, een geit en een schaap. 22Door de overvloed aan melk die ze geven, heeft iedereen ruimschoots boter te eten. Boter en honing is er voor wie in het land zijn achtergebleven. 23Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren de weg. 25Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]