Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
45

451

45:1-5
Jes. 41:2-3
42:1-7
43:14
44:28
45:13
46:11
48:14-15
Dit zegt de HEER tegen Cyrus, zijn gezalfde,

die hij bij de rechterhand neemt,

aan wie hij volken onderwerpt,

voor wie hij koningen ontwapent,

voor wie hij deuren opent –

geen poort blijft gesloten:

2

45:2
Ps. 107:16
Ik zal voor je uit gaan,

ik zal ringmuren slechten,

bronzen deuren verbrijzelen,

ijzeren grendels stukbreken.

3Ik zal je verborgen schatten schenken,

diep weggeborgen rijkdommen.

Dan zul je weten dat ik de HEER ben,

de God van Israël, die jou bij je naam roept.

4Omwille van mijn dienaar Jakob,

van Israël, dat ik heb uitgekozen,

heb ik je bij je naam geroepen

en je met een erenaam getooid,

ofschoon je me niet kende.

5

45:5
2 Sam. 7:22
Jes. 40:25
44:6
Ik ben de HEER, er is geen ander,

buiten mij is er geen god.

Ik heb je omgord met wapens,

ofschoon je me niet kende.

6Zo zal iedereen, van oost tot west,

weten dat er niets is buiten mij.

Ik ben de HEER, er is geen ander

7die het licht vormt en het donker schept,

die vrede maakt en onheil schept.

Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet.

8

45:8
Deut. 32:2
Ps. 85:11-12
Jes. 56:1
61:11
Hemel, laat gerechtigheid neerregenen,

laat haar neerstromen uit de wolken,

en laat de aarde zich openen.

Laten hemel en aarde redding voortbrengen

en ook het recht doen ontspruiten.

Ik, de HEER, heb dit alles geschapen.

9

45:9
Jes. 29:16
Rom. 9:20
Wee degene die de strijd aanbindt

met hem door wie hij gevormd is –

een potscherf tussen de potscherven.

Zegt klei soms tegen wie hem vormt:

‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’

of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’

10Wee degene die tegen zijn vader zegt:

‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder:

‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’

11Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël,

die Israël gevormd heeft:

Wilden jullie mij ondervragen

over het lot van mijn kinderen,

of mij iets voorschrijven

omtrent het werk van mijn handen?

12Ik ben het die de aarde maakte

en de mens op aarde schiep;

mijn handen hebben de hemel uitgespannen,

ik riep het sterrenleger tevoorschijn.

13

45:13
Jes. 45:1-5
Ik ben het die Cyrus laat komen in gerechtigheid,

steeds opnieuw baan ik voor hem de weg.

Hij zal mijn stad herbouwen;

hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug,

zonder betaling of steekpenningen te eisen

– zegt de HEER van de hemelse machten.

Alleen de HEER is rechtvaardig en brengt redding

14Dit zegt de HEER:

De Egyptenaren met hun schatten,

de Nubiërs met hun rijkdom

en de rijzige Sabeeërs,

zij zullen komen en jullie toebehoren.

Ze komen in ketenen en volgen je,

ze buigen voor je en belijden:

‘Bij u alleen is een God,

er is geen andere god, niet één.’

15En: ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt,

de God van Israël, die redding brengt.’

16

45:16-17
Jes. 42:17
De ambachtslieden met hun godenbeelden

staan te schande en worden gehoond,

ze worden samen te schande gemaakt.

17Maar Israël wordt door de HEER gered,

hij brengt redding voor eeuwig.

Jullie staan niet te schande en worden niet gehoond,

in alle eeuwigheid niet.

18Dit zegt de HEER,

die de hemel geschapen heeft – hij is God! –,

die de aarde gemaakt en gevormd heeft

en die haar heeft gegrondvest –

niet als chaos schiep hij de aarde,

maar om te bewonen heeft hij haar gevormd:

Ik ben de HEER, er is geen ander.

19Ik heb niet in het verborgene gesproken,

ergens in een duister oord,

ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd:

‘Zoek mij in de chaos.’

Nee, ik ben de HEER,

al wat ik zeg is rechtvaardig,

wat ik aankondig is waarachtig.

20Laten de ontkomen volken zich verzamelen,

laat hen allen naderbij komen.

Wie een houten godenbeeld ronddraagt, heeft geen verstand.

Wie bidt er nu tot een god die niet redt?

21

45:21
Ps. 18:32
Jes. 41:22
43:9-12
44:8
48:5
Kom hier, overleg met elkaar en vertel:

Wie heeft dit van meet af aan laten horen,

wie heeft het lang tevoren aangekondigd?

Was ik dat niet, de HEER?

Buiten mij is er geen god.

Alleen ik ben een rechtvaardige God,

alleen ik breng redding.

22Keer terug naar mij en laat je redden,

ook jullie aan de einden der aarde;

want ik ben God, er is geen ander.

23

45:23
Rom. 14:11
Filip. 2:10-11
Ik heb bij mijzelf gezworen:

Uit mijn mond komt gerechtigheid voort,

een woord dat ik spreek wordt niet herroepen.

Voor mij zal elke knie zich buigen

en elke tong zal bij mij zweren.

24

45:24
Jes. 41:11
‘Alleen bij de HEER,’ zal men zeggen,

‘is gerechtigheid en macht te vinden.’

Allen die zich tegen hem keerden

zullen tot hem komen en beschaamd staan.

25Heel het nageslacht van Israël

zal bij de HEER recht vinden

en zich gelukkig prijzen.

46

461Bel is gebroken, Nebo ligt geveld.

Eens droegen jullie hen plechtig rond,

maar nu zijn hun beelden voor de lastdieren,

een zware last voor uitgeputte beesten.

2Ze zijn gebroken en geveld,

ze hebben zichzelf niet kunnen beschermen;

hun beelden worden weggesleept.

3

46:3
Ps. 22:11
Jes. 63:9
Luister naar mij, volk van Jakob

en al wat er van Israël nog over is –

van de moederschoot af door mij gedragen,

door mij gekoesterd vanaf de geboorte:

4Tot in je ouderdom blijf ik dezelfde,

tot in je grijsheid zal ik je steunen.

Wat ik gedaan heb, zal ik blijven doen,

ik zal je steunen en beschermen.

5

46:5
Jes. 44:7
Met wie wil je mij vergelijken,

aan wie mij gelijkstellen?

Met wie vertoon ik overeenkomst?

6

46:6-8
Jes. 44:9-21
46:6-7
Jes. 40:19-20
41:6-7
Mensen schudden goud uit hun buidel

of wegen zilver af op een weegschaal,

ze nemen een edelsmid in dienst

die er een god van maakt.

Ze buigen zich neer en knielen ervoor.

7Ze nemen hem op hun schouders en torsen hem.

Waar ze hem neerzetten, daar blijft hij staan,

hij komt niet meer van zijn plaats.

Als ze hem om hulp roepen, antwoordt hij niet,

hij redt hen niet uit hun nood.

8Neem dit ter harte, zondaars,

verman je, kom tot inkeer!

9Denk terug aan alles wat eertijds is gebeurd.

Ik ben God, er is geen ander,

ik ben God, niemand is aan mij gelijk.

10

46:10
Jes. 41:26-27
Die in het begin al het einde aankondigde

en lang tevoren wat nog gebeuren moest.

Die zegt: ‘Wat ik besluit, wordt van kracht,

en alles wat ik wil, breng ik ten uitvoer.’

11

46:11
Jes. 45:1-5
Die uit het oosten een adelaar roept,

uit een ver land een man die mijn plannen uitvoert.

Ik heb gesproken, en zo zal het gebeuren.

Zoals ik het bepaald heb, zo zal het gaan.

12Luister naar mij, hardnekkig volk,

dat zich verre houdt van gerechtigheid.

13Ik breng mijn gerechtigheid nabij,

ze is niet ver meer,

het duurt niet lang voor ik redding breng.

Ik zal redding brengen in Sion,

ik laat Israël in mijn luister delen.

47

Babel in het stof

471Kom van je troon af,

zet je neer in het stof,

vrouwe Babel;

kies een zitplaats op de grond,

vrouwe Chaldea.

Niet langer noemt men je

teergevoelig en verfijnd.

2Pak de handmolen, maal het graan.

Sla je sluier terug, schort je rokken op,

ontbloot je dijen, doorwaad rivieren.

3

47:3
Jer. 13:22
Naakt word je tentoongesteld,

openlijk zul je te schande staan.

Zo neem ik wraak, en niemand houdt me tegen.

4– Hij is onze bevrijder, de Heilige van Israël,

zijn naam is HEER van de hemelse machten.

5Ga zitten, wees stil,

tast rond in het duister,

vrouwe Chaldea.

Niet langer noemt men je

‘Meesteres over koninkrijken’.

6

47:6
Jes. 10:6
Zach. 1:15
Ik was tegen mijn volk in woede ontstoken,

ik heb mijn eigen land ontwijd.

Ik heb mijn volk aan jou uitgeleverd

en je hebt het niet ontzien,

zelfs de oudsten heb je een zeer zwaar juk opgelegd.

7

47:7
Deut. 32:28-29
Je zei: ‘Ik ben en ik blijf meesteres, voor altijd.’

Maar je had geen oog voor de loop der dingen,

hoe dit zou eindigen, heb je niet voorzien.

8

47:8-9
Op. 18:7-8
47:8
Sef. 2:15
Luister hiernaar, verwende vrouw,

jij die zo onbekommerd leeft,

die denkt: Ik, en ik alleen!

Ik zal niet als weduwe achterblijven,

het verlies van kinderen blijft mij bespaard.

9Integendeel, het overkomt je allebei,

in een oogwenk, op één enkele dag:

het verlies van kinderen en het weduwschap

zullen je in hun volle omvang treffen,

ondanks je talloze toverkunsten

en je krachtige bezweringsformules.

10Zelfverzekerd in je slechtheid

dacht je: Er is niemand die me ziet.

Je wijsheid en je kennis hebben je misleid,

je dacht: Ik, en ik alleen!

11Het kwade zal je overkomen,

en je weet het niet te bezweren.

Ongeluk zal je overvallen,

en afwenden kun je het niet.

Onverwachts komt de ondergang,

waarvan je geen vermoeden had.

12Ga maar door met je bezweringsformules

en met de talloze toverkunsten

waarmee je je van jongs af aan hebt afgemat:

misschien kun je nog iets uitrichten,

misschien laat het onheil zich afschrikken.

13Wat heb je je afgetobd met talloze raadgevers!

Laten zij die naar de sterren staren,

die de hemel kunnen uitleggen,

die je per maand laten weten wat je overkomen zal,

laten zij nu aantreden, laten zij je redden!

14Ze worden als kaf, het vuur zal hen verteren,

ze zijn niet meer te redden uit de macht van de vlammen.

En dat zal geen vuur zijn om brood op te bakken,

geen gloed om je aan te warmen.

15Zoveel hebben ze jou dus te bieden,

zij voor wie je je hebt afgemat,

met wie je van jongs af aan handeldreef:

ieder van hen zwerft een eigen kant uit

en er is niemand die jou redt.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]